Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling VI - Hoegrootheid van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen..., maximum- en minimumbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

211–215

Art. 211

§ 1.De hoegrootheid van de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.

§ 2.(Voor de in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, evenals voor de gerechtigde die voormelde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, wordt het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering gedurende de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid gealigneerd op het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden maken indien zij zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden, behalve als het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering.

Voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde periode van zes maanden wordt rekening gehouden met de duur van de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid.

De maatregel tot alignering van het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op het bedrag van de in het eerste lid bedoelde werkloosheidsuitkering, is evenwel niet van toepassing op de tijdelijke werkloze. Voor de toepassing van deze bepaling worden met tijdelijke werklozen gelijkgesteld, de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering....)

Art. 212

§ 1.Het maximumbedrag van het loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet wordt vastgelegd op (93,5067 EUR) per dag.

(Lid 2 opgeheven)

(Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2005, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 95,3768 EUR.)

(Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2007, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 96,3306 euro.)

Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2009, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,1012 euro.

Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2011, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,7809 EUR.

Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2013, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 99,7365 euro.

Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2015, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 100,9832 euro.

Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2018, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 101,7911 euro.

Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2020, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 102,9108 euro.

Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2022, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 104,0428 euro.

Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2024, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 105,1873 euro.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1 wordt het maximumbedrag van het loon bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet voor de betrokken gerechtigden bedoeld in artikel 211, § 2 als volgt vastgesteld na het verstrijken van de overeenkomstig deze bepaling toepasselijke periode van zes maanden:

1°ingeval de gerechtigde zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in de eerste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, bedraagt dit maximumbedrag 75,8270 euro;

2°ingeval de gerechtigde zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in de laatste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, bedraagt dit maximumbedrag 70,6721 euro;

3°ingeval de gerechtigde zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in de tweede vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, tweede lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, bedraagt dit maximumbedrag 66,0414 euro als hij bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid overeenkomstig dit voormelde besluit van 25 november 1991 als een werknemer met gezinslast of een samenwonende werknemer is beschouwd geweest en 64,6042 euro als hij bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid overeenkomstig dit voormelde besluit van 25 november 1991 als een alleenwonende werknemer is beschouwd geweest.

Voor de vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en voor de deeltijds werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 131bis van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, is het in het eerste lid bedoelde maximumbedrag van het loon slechts van toepassing op het gederfde loon dat wordt vastgesteld in functie van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering die niet werd verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op hun arbeidsongeschiktheid. Het totaalbedrag van het gederfde loon mag evenwel niet het maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1 overschrijden.

Voor de vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, is het in het eerste lid bedoelde maximumbedrag van het loon slechts van toepassing op het gederfde loon dat wordt vastgesteld in functie van het bedrag van de halve werkloosheidsuitkeringen die niet werden verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op zijn arbeidsongeschiktheid. Het totaalbedrag van het gederfde loon mag evenwel niet het maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1 overschrijden.

Art. 213

De hoegrootheid van de invaliditeitsuitkering wordt vastgesteld op 65 pct. van het in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde gederfde loon. Voor de gerechtigden, wier arbeidsongeschiktheid is ingegaan vóór 1 januari 1975, wordt dit loon verhoogd met een bedrag van 29,42 frank, gekoppeld aan het indexcijfer 114,20. Voor de gerechtigde wier arbeidsongeschiktheid van 1 januari 1975 af en uiterlijk op 31 december 1976 is ingegaan, wordt dit loon verhoogd met een bedrag van 15,13 frank gekoppeld aan het indexcijfer 114,20.

Voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemers met persoon ten laste, wordt deze hoegrootheid herleid tot 55 of 40 pct. van hetzelfde loon, naargelang het al dan niet in artikel 226 bedoelde gerechtigden betreft.

Derde lid opgeheven

(Voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid vóór 1 oktober 1974 is aangevangen, wordt het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 1984 vastgesteld op 38,3895 EUR voor de gerechtigde die beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste en op 25,6917 EUR voor de gerechtigde die niet beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste. Voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid ten vroegste op 1 januari 1974 en ten laatste op 30 september 1974 is aangevangen en wier ongeschiktheid op 1 juli 1984 nog altijd voortduurt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de vanaf laatstgenoemde datum te verlenen uitkering gelijk aan het bedrag van het werkelijk loon (zoals bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet), zij het beperkt tot het maximumbedrag waarop de bijdragen voor de uitkeringsverzekering werden geheven. Dat maximumbedrag wordt met 10,24 pct. verhoogd vooraleer het eerste lid wordt toegepast.)

Art. 213/1

Het minimum dagbedrag van de uitkering toe te kennen tijdens de derde maand van primaire ongeschiktheid is gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, a).

Het minimum dagbedrag van de uitkering toe te kennen vanaf de vierde tot en met de zesde maand van primaire ongeschiktheid wordt als volgt vastgesteld:

1°voor de gerechtigden die worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag:

a)voor de gerechtigden die de hoedanigheid van regelmatig werknemer hebben, gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 1°;

b)voor de gerechtigden die de hoedanigheid van niet-regelmatig werknemer bedoeld in artikel 214, § 2, vijfde lid hebben, gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 2, tweede lid.

2°voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, a).

Indien het minimum dagbedrag van de uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet overschrijdt, wordt dit minimum dagbedrag echter begrensd tot het voormelde gederfde loon. Voor de toepassing van deze begrenzing wordt steeds rekening gehouden met het gederfde loon, in voorkomend geval, aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.

Het minimum dagbedrag van de uitkering bedoeld in het eerste tot derde lid is echter niet verschuldigd voor de periode van arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis.

Voor de bepaling van de duur van primaire ongeschiktheid bedoeld in het eerste en tweede lid wordt rekening gehouden met de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid, indien de periode van moederschapsbescherming een vorige periode van arbeidsongeschiktheid heeft geschorst.

Art. 214

(§ 1. Het minimum dagbedrag van de uitkering toe te kennen aan de gerechtigden die de hoedanigheid hebben van regelmatig werknemer, wordt als volgt vastgesteld:

1°voor de gerechtigden die worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag gelijk aan 45,6685 euro;

2°voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag:

a)voor de in artikel 226 of 226bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan 36,1906 euro;

b)voor de niet in artikel 226 of 226bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan 31,0307 euro.

Dit minimum dagbedrag wordt pas toegekend vanaf de datum waarop de in artikel 224 bedoelde gerechtigde die geen personen ten laste heeft, de leeftijd van 21 jaar bereikt.)

§ 2.(Het minimumdagbedrag van de (uitkering) toegekend aan niet-regelmatige werknemers is gelijk aan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het leefloon dat wordt toegekend krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

Voor de gerechtigden met persoon ten laste, als bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt toegekend aan een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste.

Voor de gerechtigden die geen persoon ten laste hebben, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt toegekend aan een alleenstaande persoon.)

(Deze bedragen mogen met ingang van 1 juli 2001 tot 30 september 2004 niet lager zijn dan 28,3957 EUR voor de gerechtigde die beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste, en dan 21,2970 EUR voor de gerechtigde die niet beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste. Met ingang van 1 oktober 2004 tot 30 september 2006 mogen deze bedragen niet lager zijn dan 28,6797 EUR, respectievelijk 21,5100 EUR. Met ingang van 1 oktober 2006 (tot 31 maart 2007) mogen deze bedragen niet lager zijn dan 28,9665 EUR, respectievelijk 21,7251 EUR. (...). De voormelde bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer 103,14.)

Onder niet-regelmatige werknemers dient verstaan te worden de gerechtigden aan wie de hoedanigheid van regelmatig werknemer niet kan worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 224.

(§ 3. De voormelde minimumbedragen worden toegekend vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, alsook tijdens het tijdvak van invaliditeit.

Om de eerste dag van de zevende maand van de arbeidsongeschiktheid te bepalen, wordt rekening gehouden met de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid, indien de periode van moederschapsbescherming een vorige periode van arbeidsongeschiktheid heeft geschorst.)

Art. 214/1

<Opgeheven bij KB 2026-01-23/06, art. 2, 339; Inwerkingtreding: 01-01-2026>

Art. 215

Voor de gerechtigden die tussen 2 april 1964 en 30 juni 1970 arbeidsongeschikt werden en wier arbeidsongeschiktheid op 1 juli 1971 voortduurt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de uitkering te verlenen van deze laatste datum af, gelijk aan het bedrag van het werkelijke loon (zoals bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet), evenwel beperkt tot het maximumbedrag op hetwelk de bijdragen voor de verzekering voor geneeskundige verzorging werden ingehouden en zonder dat het maandbedrag van het loon 14.300 frank mag overschrijden tijdens het eerste kwartaal 1970 en 14.575 frank tijdens het tweede kwartaal 1970.

Vóór toepassing van de artikelen 93, vijfde lid, 98 en 99, van de gecoördineerde wet wordt het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering verhoogd met 25 pct. voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 2 april 1964.