§ 1.Het maximumbedrag van het loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet wordt vastgelegd op (93,5067 EUR) per dag.
(Lid 2 opgeheven)
(Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2005, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 95,3768 EUR.)
(Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2007, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 96,3306 euro.)
Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2009, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,1012 euro.
Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2011, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,7809 EUR.
Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2013, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 99,7365 euro.
Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2015, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 100,9832 euro.
Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2018, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 101,7911 euro.
Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2020, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 102,9108 euro.
Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2022, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 104,0428 euro.
Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2024, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 105,1873 euro.
§ 2.In afwijking van paragraaf 1 wordt het maximumbedrag van het loon bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet voor de betrokken gerechtigden bedoeld in artikel 211, § 2 als volgt vastgesteld na het verstrijken van de overeenkomstig deze bepaling toepasselijke periode van zes maanden:
1°ingeval de gerechtigde zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in de eerste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, bedraagt dit maximumbedrag 75,8270 euro;
2°ingeval de gerechtigde zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in de laatste zes maanden van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, bedraagt dit maximumbedrag 70,6721 euro;
3°ingeval de gerechtigde zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in de tweede vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, tweede lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, bedraagt dit maximumbedrag 66,0414 euro als hij bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid overeenkomstig dit voormelde besluit van 25 november 1991 als een werknemer met gezinslast of een samenwonende werknemer is beschouwd geweest en 64,6042 euro als hij bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid overeenkomstig dit voormelde besluit van 25 november 1991 als een alleenwonende werknemer is beschouwd geweest.
Voor de vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en voor de deeltijds werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 131bis van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, is het in het eerste lid bedoelde maximumbedrag van het loon slechts van toepassing op het gederfde loon dat wordt vastgesteld in functie van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering die niet werd verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op hun arbeidsongeschiktheid. Het totaalbedrag van het gederfde loon mag evenwel niet het maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1 overschrijden.
Voor de vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, is het in het eerste lid bedoelde maximumbedrag van het loon slechts van toepassing op het gederfde loon dat wordt vastgesteld in functie van het bedrag van de halve werkloosheidsuitkeringen die niet werden verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op zijn arbeidsongeschiktheid. Het totaalbedrag van het gederfde loon mag evenwel niet het maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1 overschrijden.