Alle wetboeken › ZIV-wet

TITEL IV - Uitkeringsverzekering. › HOOFDSTUK III - Uitkeringen.

Afdeling I - Primaire ongeschiktheidsuitkering.

87–92

Art. 87

(Onverminderd het bepaalde in artikel 97, ontvangt de in artikel 86, § 1, bedoelde gerechtigde die arbeidsongeschikt is als omschreven in artikel 100, over elke werkdag van een éénjarig tijdvak ingaande op de aanvangsdag van zijn arbeidsongeschiktheid, of over elke dag van datzelfde tijdvak die wordt gelijkgesteld met een werkdag door een verordening van het Beheerscomité van de Dienst uitkeringen, een uitkering " primaire ongeschiktheidsuitkering " genoemd welke niet lager mag zijn dan 55 pct. van het gederfde loon; het loon dat in aanmerking wordt genomen, mag niet hoger zijn dan het bedrag dat door de Koning wordt vastgesteld; dit maximum is eveneens van toepassing wanneer de gerechtigde bij meer dan één werkgever tewerkgesteld is. Het gederfde loon wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip " gemiddeld dagloon " wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en krachtens de nadere berekeningsregels zoals bepaald door de in artikel 80, § 1, 5° bedoelde verordening.)

Nochtans mag tijdens de eerste dertig dagen van de arbeidsongeschiktheid de hoegrootheid van de uitkering voor alle gerechtigden niet lager zijn dan 60 pct. van het gederfde loon; vanaf de éénendertigste dag mag de hoegrootheid van de uitkering niet lager zijn dan 60 pct. van hetzelfde loon voor de gerechtigden die personen ten laste hebben of die de voorwaarden vervullen van verlies van enig inkomen overeenkomstig artikel 93.

Voor de in artikel 86, § 1, 1°, c), bedoelde gerechtigden, evenals voor de gerechtigden die de voormelde hoedanigheid behouden krachtens artikel 131, wordt het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering, gedurende een door de Koning te bepalen tijdvak, gealigneerd op het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden maken indien ze zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden, behalve als het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering. In geval van het einde van het recht op werkloosheidsuitkeringen vóór het begin van de primaire ongeschiktheid of tijdens het voormelde tijdvak van alignering, wordt voor de toepassing van de voormelde maatregel van alignering vanaf de einddatum van het recht op werkloosheidsuitkeringen rekening gehouden met het laatste bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de gerechtigde aanspraak kon maken, rekening houdend met de gezinshoedanigheid die hij zou hebben kunnen rechtvaardigen in het kader van de werkloosheidsreglementering tijdens zijn periode van arbeidsongeschiktheid. Voor de toepassing van de voormelde maatregel van alignering wordt bovendien voor de gerechtigden die inschakelingsuitkeringen als werknemer met gezinslast ontvangen en die niet onder het toepassingsgebied van de maatregel bedoeld in artikel 209 of in artikel 216, § 1, van de programmawet van 18 juli 2025 vallen, steeds rekening gehouden met het bedrag bedoeld in artikel 124, eerste lid, 1°, of derde lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, waarop zij op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid aanspraak hadden kunnen maken. Deze maatregel van alignering is echter niet van toepassing op de tijdelijke werklozen en de werklozen die door de Koning met een tijdelijke werkloze worden gelijkgesteld. De Koning kan de toepassing van deze maatregel uitbreiden tot de voormelde gerechtigden die de hoedanigheid van gerechtigde, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), verworven hebben sinds minder dan één maand bij de aanvang van hun arbeidsongeschiktheid.

Indien de gerechtigde niet langer in staat van primaire arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100, over een tijdvak dat minder dan veertien dagen telt, onderbreekt dat tijdvak waarover geen primaire ongeschiktheidsuitkering wordt betaald, de loop van het tijdvak van primaire ongeschiktheid niet.

De in de artikelen 114 en 114bis bedoelde tijdvakken van moederschapsbescherming die vallen in de loop van een tijdvak van primaire ongeschiktheid, schorsen het laatstgenoemde tijdvak.

Voor de gerechtigden die aanspraak hebben op het aan de mijnwerkers en de ermede gelijkgestelden toegekende invaliditeitspensioen, loopt het recht op primaire ongeschiktheidsuitkeringen af op het einde van de zesde maand arbeidsongeschiktheid. Evenwel worden de rechten van deze werknemers over de eerste zes maanden die op het hiervoren bepaalde tijdvak volgen, door de Koning vastgesteld. De Koning bepaalt eveneens de modaliteiten volgens welke de zesde maand van de arbeidsongeschiktheid wordt verlengd of ingekort tot op het einde van een kalendermaand.

(De Koning bepaalt de hoegrootheid van de primaire ongeschiktheidsuitkering. Hij bepaalt eveneens het minimumbedrag van de uitkering die toegekend kan worden aan de verschillende categorieën van gerechtigden bepaald overeenkomstig de artikelen 93 en 93bis, alsmede de toekenningsvoorwaarden waarin begrepen het tijdstip vanaf wanneer voormeld minimumbedrag kan worden toegekend.)

Art. 88

(88)Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen bepaalt de regelen volgens welke en de termijnen waarin de gerechtigde de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling kennis moet geven van elke arbeidsongeschiktheid.

Het bepaalt eveneens de regelen, die met het oog op de verlenging van een tijdvak van erkende arbeidsongeschiktheid in acht moeten worden genomen

Indien de door de huisarts opgestelde kennisgeving voor de adviserend arts van de verzekeringsinstelling een arbeidsongeschiktheid is waarvan de duur veertien dagen overschrijdt of een verlenging van de al erkende arbeidsongeschiktheid is, moeten de door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen vastgestelde gegevens van deze kennisgeving door de huisarts worden overgemaakt via een elektronisch proces, onder de voorwaarden bepaald in uitvoering van artikel 5, 4°, a), van de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform en diverse bepalingen. De categoriëen van gegevens bedoeld in artikel 13/3, § 2 worden eveneens via het voormelde elektronisch proces overgemaakt aan het Instituut met het oog op hun registratie in de GAOCIT-databank.

De duur van elke voorgeschreven periode van arbeidsongeschiktheid vermeld in de kennisgeving voor de adviserend arts die wordt bezorgd met toepassing van het eerste tot derde lid, bedraagt maximaal drie maanden

Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen bepaalt (de voorwaarden waaronder de uitkeringen toegekend kunnen worden) wanneer de gerechtigde niet binnen de gestelde termijnen, de krachtens dit artikel opgelegde kennisgevingen of aanvragen indient.

Art. 89

(89)Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen bepaalt de voorwaarden waaronder aan de gerechtigde die binnen een vastgestelde periode herhaaldelijk getuigschriften of verklaringen van arbeidsongeschiktheid heeft ingeleverd, verplichtingen kunnen worden opgelegd die afwijken van degene die krachtens artikel 88 zijn vastgesteld. Het bepaalt eveneens op welke dag het recht op uitkeringen ingaat in geval die verplichtingen niet worden nageleefd.

Art. 90

(90)Onverminderd de bepalingen van artikel 91, stelt de adviserend arts van de verzekeringsinstelling de in artikel 100 bedoelde staat van primaire arbeidsongeschiktheid vast, stelt hij de duur ervan vast, en geeft hij kennis van zijn beslissing, onder de voorwaarden en binnen de termijnen die door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen zijn bepaald.

De Koning bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden de medewerker van het multidisciplinaire team de adviserend arts ondersteunt bij zijn evaluatie van de staat van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 100.

De Geneeskundige Raad voor invaliditeit kan echter, vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire ongeschiktheid, het einde van de arbeidsongeschiktheid vaststellen. In dat geval geeft hij van zijn beslissing kennis onder de voorwaarden en binnen de termijnen door de Koning vastgesteld.

De adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team deelt aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit de gegevens over de arbeidsongeschiktheid mee. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen stelt, op advies van de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de inhoud van deze gegevens, evenals de nadere regels volgens dewelke en de termijn waarbinnen deze gegevens aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit moeten worden meegedeeld, vast, waarvan in het bijzonder deze die betrekking hebben op de verzending van de pathologieën die de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid zijn.

Op vraag van de adviserend arts kan de gerechtigde ook worden onderzocht door de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of door een lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit dat arts is. Die laatsten nemen in dat geval de beslissing over de staat van arbeidsongeschiktheid en brengen ze ter kennis van de gerechtigde en de adviserend arts, onder de voorwaarden en binnen de termijnen bepaald door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.

De adviserend arts van de verzekeringsinstelling spreekt zich tevens uit over de staat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 101, § 1, in het tijdvak van primaire ongeschiktheid.

Art. 91

(91)Wanneer een of meer werkgevers diensten organiseren met het oog op de geneeskundige controle van hun werknemers tijdens een periode waarvoor de betaling van een loon verschuldigd is, kan de Koning de voorwaarden bepalen waaronder deze diensten erkend kunnen worden om de staat van arbeidsongeschiktheid vast te stellen voor een tewerkgestelde gerechtigde wiens werkgever op die diensten een beroep doet. De modaliteiten van deze vaststelling, welke betrekking heeft op de aanvangsperiode die aanleiding kan geven tot het verlenen van ongeschiktheidsuitkeringen, worden bepaald door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.

De verzekeringsinstellingen zijn door de beslissing van de erkende diensten voor geneeskundige controle gebonden, tot wanneer de adviserend arts, de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of een lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit dat arts is, volgens de door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen te bepalen regelen en termijnen, een andere beslissing neemt inzake de staat van arbeidsongeschiktheid.

Art. 92

<Opgeheven bij W 2015-04-23/01, art. 17, 228; Inwerkingtreding: 27-04-2015>