§ 1.Wordt gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, die hetzij enkel een beroepsinkomen, hetzij een beroepsinkomen en een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving ontvangt, waarvan het totale maandelijkse bedrag hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag, maar lager dan het bedrag van het gemiddeld minimummaandinkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde maandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 juli 2018 van het leefloon toegekend aan een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 2018 tot wijziging van de koninklijke besluiten van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon en tot verhoging van de toelage verleend aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als tegemoetkoming in de personeelskosten zoals bedoeld in artikel 40 van de wet betreffende het recht op de maatschappelijke integratie, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
§ 2.Wordt eveneens gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, die een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering ontvangt krachtens een Belgische of vreemde wetgeving, waarvan het maandelijkse bedrag hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag zonder evenwel 778,1788 EUR per maand te overschrijden; dit laatste bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I, van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt, enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.