(93)Duurt de arbeidsongeschiktheid voort na het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, dan wordt over elke werkdag van de arbeidsongeschiktheid of voor elke door een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen daarmee gelijkgestelde dag een zogenaamde "invaliditeitsuitkering" betaald.
Indien de gerechtigde niet langer in een staat van invaliditeit is als bedoeld in artikel 100, over een tijdvak van minder dan drie maanden, onderbreekt dat tijdvak waarover geen uitkeringen worden betaald, de loop van het tijdvak van invaliditeit niet.
(De in de artikelen 114 en 114bis bedoelde tijdvakken van moederschapsbescherming die vallen in de loop van een tijdvak van invaliditeit, schorsen het laatstgenoemde tijdvak.)
De invaliditeitsuitkering wordt niet betaald aan de gerechtigden die aanspraak hebben op het aan de mijnwerkers en de ermede gelijkgestelden toegekende invaliditeitspensioen.
De Koning bepaalt de hoegrootheid en het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering alsmede het minimumbedrag van de invaliditeitsuitkering dat onder door Hem te bepalen voorwaarden aan sommige categorieën van regelmatige werknemers kan worden toegekend.
Die hoegrootheid is tenminste 60 pct. van het in artikel 87, eerste lid, omschreven loon voor de gerechtigden met personen ten laste en ten minste 40 pct. van hetzelfde loon voor de gerechtigden die geen personen ten laste hebben.
De Koning stelt vast, wat onder "regelmatig werknemer" en onder "werknemer met persoon ten laste" wordt verstaan, alsmede de voorwaarden waaronder aan de gerechtigde die niet als "werknemer met persoon ten laste" wordt beschouwd een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen.
(De Koning kan voor de categorieën van arbeidsongeschikten met ingang van de vierde maand en invaliden die Hij bepaalt en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp aan derden toekennen.)