Alle wetboeken › ZIV-wet

TITEL IV - Uitkeringsverzekering. › HOOFDSTUK III - Uitkeringen.

Afdeling II - Invaliditeitsuitkering.

93–95

Art. 93

(93)Duurt de arbeidsongeschiktheid voort na het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, dan wordt over elke werkdag van de arbeidsongeschiktheid of voor elke door een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen daarmee gelijkgestelde dag een zogenaamde "invaliditeitsuitkering" betaald.

Indien de gerechtigde niet langer in een staat van invaliditeit is als bedoeld in artikel 100, over een tijdvak van minder dan drie maanden, onderbreekt dat tijdvak waarover geen uitkeringen worden betaald, de loop van het tijdvak van invaliditeit niet.

(De in de artikelen 114 en 114bis bedoelde tijdvakken van moederschapsbescherming die vallen in de loop van een tijdvak van invaliditeit, schorsen het laatstgenoemde tijdvak.)

De invaliditeitsuitkering wordt niet betaald aan de gerechtigden die aanspraak hebben op het aan de mijnwerkers en de ermede gelijkgestelden toegekende invaliditeitspensioen.

De Koning bepaalt de hoegrootheid en het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering alsmede het minimumbedrag van de invaliditeitsuitkering dat onder door Hem te bepalen voorwaarden aan sommige categorieën van regelmatige werknemers kan worden toegekend.

Die hoegrootheid is tenminste 60 pct. van het in artikel 87, eerste lid, omschreven loon voor de gerechtigden met personen ten laste en ten minste 40 pct. van hetzelfde loon voor de gerechtigden die geen personen ten laste hebben.

De Koning stelt vast, wat onder "regelmatig werknemer" en onder "werknemer met persoon ten laste" wordt verstaan, alsmede de voorwaarden waaronder aan de gerechtigde die niet als "werknemer met persoon ten laste" wordt beschouwd een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen.

(De Koning kan voor de categorieën van arbeidsongeschikten met ingang van de vierde maand en invaliden die Hij bepaalt en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp aan derden toekennen.)

Art. 93bis

(Het dagbedrag van de minimuminvaliditeitsuitkering die aan niet-regelmatige werknemers met persoon ten laste wordt toegekend, mag in geen geval lager zijn dan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het leefloon dat wordt toegekend krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, aan twee samenwonende personen.)

Voor de gerechtigden die geen persoon ten laste hebben, stemt dat bedrag overeen met het in werkdagen gewaardeerde bedrag dat krachtens dezelfde wet wordt gewaarborgd voor een alleenstaande persoon.

De Koning kan deze bedragen verhogen en stelt vast wat onder "niet-regelmatige werknemers" wordt verstaan.

Art. 93ter

<Opgeheven bij W 2020-12-20/09, art. 53, 285; Inwerkingtreding: 01-01-2021>

Art. 94

(94)De Geneeskundige raad voor invaliditeit stelt, overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, op basis van een door de adviserend arts van de verzekeringsinstelling opgemaakt verslag met een voorgestelde duur van erkenning, de staat van invaliditeit als bedoeld in artikel 100 vast en bepaalt de duur ervan.

De Koning bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden het verslag bedoeld in het eerste lid kan worden opgemaakt door de medewerker van het multidisciplinaire team.

De adviserend arts, de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of een lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit dat arts is, als hij de gerechtigde op verzoek van de adviserend arts onderzoekt, kunnen echter het einde van de staat van invaliditeit vaststellen en, ingeval de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen drie maanden na het einde van een invaliditeitstijdvak, dit wederoptreden ontkennen of voor een beperkte, door de Koning vastgestelde periode, erkennen. In die gevallen geven zij kennis van hun beslissing onder de voorwaarden en binnen de termijnen door de Koning vastgesteld.

De beslissingen van de adviserend geneesheer, van de arts-inspecteur, van de Geneeskundige raad voor invaliditeit of van één van zijn leden, waarbij het einde van de staat van invaliditeit wordt vastgesteld, hebben geen terugwerkende kracht.

De Geneeskundige Raad voor invaliditeit spreekt zich, overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, tevens uit, over de staat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 101, § 1, in het tijdvak van invaliditeit.

Art. 95

(95)De Koning stelt de nadere regelen vast ter zake van de erkenning en de verlenging van de staat van invaliditeit.

De bepalingen van de artikelen 88, eerste en derde lid, en 89, zijn ook toepasselijk in geval de staat van arbeidsongeschiktheid weer optreedt binnen drie maanden na het ophouden van de staat van invaliditeit.