Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling V - Rechten van de gerechtigden die aanspraak hebben op een invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, over de laatste zes maanden van de primaire arbeidsongeschiktheid.

208–210

Art. 208

Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 87, vierde lid, van de gecoördineerde wet loopt het recht op de primaire ongeschiktheidsuitkering af op het einde van de kalendermaand vóór die waarin de zesde maand arbeidsongeschiktheid eindigt indien deze uiterlijk de 15e van de maand afloopt en op het einde van de maand waarin de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid eindigen indien deze na de 15e van de maand aflopen.

Art. 209

De mijnwerker die na het in artikel 208 vastgestelde tijdvak, arbeidsongeschikt is, kan, onder voorbehoud van terugvordering hetzij te zijnen laste, hetzij ten laste van de Voorzorgskas welke het hierna bedoelde pensioen verschuldigd is, primaire ongeschiktheidsuitkeringen genieten op voorwaarde dat hij bij de ter zake bijgevoegde instantie een aanvraag om een invaliditeitspensioen als mijnwerker heeft ingediend en dat hij de verbintenis aangaat het bedrag van de voorgeschoten uitkeringen aan de verzekeringsinstelling terug te betalen ten belope van het bedrag van het verkregen pensioen. Wanneer bedoelde instantie het pensioen heeft geweigerd, stelt zij de verzekeringsinstelling daarvan in kennis; de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt slechts verder toegekend wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet door de adviserend arts erkend is.

Het eerste lid is daarenboven reeds bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid van toepassing op de mijnwerker die, hoewel hij aan de arbeid was, vorenbedoeld pensioen genoot waarvan het bedrag was verminderd bij toepassing van de bepalingen tot regeling van de cumulatie van een dergelijk pensioen met een loon of een bezoldiging.

Art. 210

De mijnwerker die bij afloop van het in artikel 208 bepaalde tijdvak recht heeft op een invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, heeft, totdat het in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet bepaalde éénjarige tijdvak afloopt, aanspraak op het verschil tussen het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering en het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde invaliditeitspensioen dat hem als mijnwerker wordt toegekend.

De mijnwerkers die zijn aanvraag om invaliditeitspensioen als mijnwerker niet heeft ingediend vóór het einde van de zesde maand van zijn arbeidsongeschiktheid, ontvangt het in het vorig lid bedoelde verschil pas met ingang van de datum waarop zijn pensioen ingaat.