Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling VIbis (Ingevoegd bij KB 1998-07-10/36, art. 2, Inwerkingtreding: 01-10-1998) De forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden.

215bis–215ter

Art. 215bis

§ 1.De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die niet ter verpleging opgenomen is, noch in een rust- of verzorgingstehuis, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een rustoord voor bejaarden verblijft, noch in voorlopige hechtenis is, noch van zijn vrijheid beroofd is, en voor wie andermans hulp door de adviserend arts of door de medewerker van het multidisciplinaire team als onontbeerlijk is erkend, doordat hij ten gevolge van zijn lichamelijke of geestestoestand de gewone handelingen van het dagelijks leven niet alleen kan verrichten, kan, vanaf de vierde maand van arbeidsongeschiktheid, aanspraak maken op een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden.

De graad van de behoefte aan andermans hulp wordt bepaald door het totale aantal punten, toegekend volgens de evaluatieschaal en zijn handleiding opgenomen in bijlage II. De gerechtigde moet in het totaal minstens 11 punten behalen. Indien volgens de voormelde evaluatieschaal en zijn handleiding de gerechtigde minder dan 11 punten behaalt, kan enkel de adviserend arts de beslissing tot weigering van de erkenning van het onontbeerlijke karakter van de behoefte aan andermans hulp nemen.

De behoefte aan andermans hulp kan slechts worden erkend, als zij noodzakelijk wordt geacht voor een onafgebroken periode van ten minste drie maanden.

De beslissing tot erkenning van de behoefte aan andermans hulp wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de gerechtigde in de zetel van de verzekeringsinstelling geborgen. Deze beslissing tot erkenning wordt door de verzekeringsinstelling meegedeeld aan het RIZIV.

Opname ter verpleging van de gerechtigde of zijn opname in een rust- of verzorgingstehuis, in een psychiatrisch verzorgingstehuis of in een rustoord voor bejaarden, schorst de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp vanaf de eerste dag van de derde maand tot het einde van deze opnames, behalve indien de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet tegemoetkomt in de verpleegdagprijs, noch de in artikel 147, § 3, bedoelde tegemoetkoming verleent.

Ingeval de gerechtigde in voorlopige hechtenis is of van zijn vrijheid beroofd is, wordt de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp geschorst vanaf de eerste dag van de voorlopige hechtenis of de vrijheidsberoving.

Indien de gerechtigde niet meer ter verpleging opgenomen is, niet meer in een rust- of verzorgingstehuis, in een psychiatrisch verzorgingstehuis of een rustoord voor bejaarden verblijft, niet meer in voorlopige hechtenis is of niet meer van zijn vrijheid beroofd is gedurende een periode van minder dan dertig dagen, dan wordt die periode geacht de voortzetting te zijn van de vorige.

§ 2.Het dagbedrag van de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden bedraagt 16,8786 euro.

§ 2/1....

§ 3.De invalide gerechtigde die op 31 december 2006 aanspraak kon maken op uitkeringen als gerechtigde met gezinslast op basis van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp, behoudt deze hoedanigheid voor de periode tijdens dewelke de behoefte aan andermans hulp verder erkend wordt, indien het verschil tussen het bedrag van zijn uitkering als gerechtigde met gezinslast en het bedrag van zijn uitkering als gerechtigde zonder gezinslast hoger is dan het bedrag bedoeld in paragraaf 2.

§ 4....

Art. 215ter

(opgeheven)