§ 1.Zijn van de wachttijd vrijgesteld wat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen... betreft:
1°de bij de volgende wet en koninklijke besluiten bedoelde personen onder de daarin vastgestelde voorwaarden:
a)wet van 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben;
b)koninklijk besluit van 28 november 1956 tot vaststelling, voor de aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering onderworpen gewezen personeelsleden van de Belgische Spoorwegen of voor hun weduwen, van de voorwaarden van toekenning der verstrekkingen;
c)koninklijk besluit van 11 januari 1958 waarbij voor de oud-leden van de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag, of hun weduwen, onderworpen aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de voorwaarden tot toekenning van de verstrekkingen worden bepaald;
d)koninklijk besluit van 15 april 1958 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verstrekkingen der ziekte- en invaliditeitsverzekering worden toegekend aan de vluchtelingen van Hongaarse nationaliteit;
e)koninklijk besluit van 6 augustus 1962 waarbij sommige categorieën van personen die hun beroepsbedrijvigheid hetzij in Congo, hetzij in Ruanda-Urundi, hebben uitgeoefend, worden vrijgesteld van de voorwaarden van toelating tot de werkloosheidsverzekering en de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
(f)wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen;)
2°de persoon die, binnen de dertig dagen na het einde (van het vervullen van militieverplichtingen) de hoedanigheid krijgt of opnieuw verkrijgt van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet;
3°de personen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
1.a) hetzij studies van de hogere secundaire cyclus, of het derde jaar van studies van het secundair technisch, kunst- of beroepsonderwijs voleindigd hebben in een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap;
b)hetzij voor de studies bedoeld in a) een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap hebben behaald;
c)hetzij een alternerende opleiding voleindigd hebben;
d)hetzij voldoen aan de voorwaarde van artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering na de betrokken studies, opleiding of leertijd;
2.de hoedanigheid hebben verkregen van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, uiterlijk de dag na het tijdvak van dertien maanden na het beëindigen van de bovenvermelde studies, alternerende opleiding of leertijd of het behalen van een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap.
Indien de betrokkene binnen een periode van vijftien maanden andere studies of een andere opleiding aanvat nadat hij de studies of de opleiding bedoeld in het eerste lid, 1. heeft beëindigd, gaat de in het eerste lid, 2., vastgestelde termijn in de dag na het einde van deze voltooide andere studies of opleiding of de dag na het stopzetten van de studies of de opleiding indien daaraan voortijdig een einde is gemaakt. Als verschillende andere studies of opleidingen zijn aangevat geweest, wordt er voor de aanvang van de termijn bedoeld in het eerste lid, 2. rekening gehouden met de laatste voltooide of voortijdig beëindigde studies of opleiding voor zover de aanvang van deze laatste voltooide of voortijdig beëindigde studies of opleiding zich bevindt in een periode van twaalf maanden na de vorige voltooide of voortijdig beëindigde andere studies of opleiding die voor de toepassing van dit lid in aanmerking zijn kunnen worden genomen.
De in het eerste lid, 2, bedoelde termijn wordt verlengd met:
a)de duur van de periodes waarin de betrokkene een activiteit heeft uitgeoefend bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
b)de duur van de periode waarin de betrokkene door het vervullen van militieverplichtingen niet in staat is geweest om de hoedanigheid van gerechtigde te verkrijgen als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet;
c)de duur van de periode waarin de betrokkene arbeidsongeschikt is, zich bevindt in een tijdvak van facultatieve moederschapsrust of in omgezet moederschapsverlof, als bedoeld in de gecoördineerde wet waarvoor geen moederschapsuitkering verschuldigd is;
d)de duur van de periode waarin de betrokkene zich bevindt in een tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet waarvoor geen moederschapsuitkering verschuldigd is.
e)...
4°(de persoon die binnen dertig dagen na het einde van een periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1° van de gecoördineerde wet opnieuw verkrijgt of arbeidsongeschikt wordt in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, voorzover hij de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd vervuld had of daarvan was vrijgesteld en hij bij de aanvang van de periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving voldeed aan de toekenningsvoorwaarden voor het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;)
5°de persoon die gedurende een tijdvak van twaalf maanden ononderbroken heeft deelgenomen aan de verzekering waarin is voorzien bij de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, de bij de artikelen 17 en 19 van dezelfde wet bepaalde bijdragen heeft gestort en binnen dertig dagen na het einde hetzij van zijn deelneming aan die verzekering, hetzij aan een tijdvak tijdens hetwelk hij de in die wet bepaalde verstrekkingen inzake verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen heeft genoten de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c), van de gecoördineerde wet.
Indien de persoon gedurende een tijdvak van minder dan twaalf maanden ononderbroken heeft deelgenomen aan de verzekering waarin is voorzien bij de wet van 17 juli 1963, wordt het tijdvak dat gedekt is door de krachtens die wet gestorte bijdragen, gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd. Die samentelling mag evenwel slechts geschieden indien niet meer dan dertig dagen zijn verstreken tussen het einde van de deelneming aan de wetgeving waarin hij is voorzien bij de wet van 17 juli 1963, en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c), van de gecoördineerde wet.
(6° de persoon die, binnen het tijdvak van dertig dagen volgend op de datum waarop zijn vrijwillig ontslag als vastbenoemd ambtenaar ingaat, de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, voorzover hij voor een ononderbroken periode van minstens twaalf maanden tewerkgesteld is geweest als vastbenoemd ambtenaar. Indien hij voor een periode van minder dan twaalf maanden tewerkgesteld is geweest in die hoedanigheid, wordt dat tijdvak gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd.)
7°de persoon die binnen het tijdvak van dertig dagen vanaf de aanvang van zijn verlof zonder wedde om persoonlijke redenen als vastbenoemd ambtenaar, de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, in zoverre hij al voor een ononderbroken periode van minstens twaalf maanden tewerkgesteld is geweest als vastbenoemd ambtenaar. Indien hij voor een periode van minder dan twaalf maanden ononderbroken tewerkgesteld is geweest in die hoedanigheid, wordt dat tijdvak gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd.
§ 2.(...)
§ 3.....
§ 3/1.Van wachttijd vrijgesteld wat het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid betreft, is de persoon die na het einde van de maximale periode die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een overgangsuitkering voorzien in de pensioenwetgeving, de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1° of 4° van de gecoördineerde wet bezit en dit uiterlijk de eerste werkdag na het einde van de voormelde maximale periode.
§ 4....
§ 5.Voor de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, wordt de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot twee maanden die ten minste dertig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, ten gunste van de gerechtigde die, na zich niet langer in één van de toestanden te bevinden als bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet, na de hiervoor beoogde wachttijd te hebben volbracht of daarvan te zijn vrijgesteld, opnieuw onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voor zover de onderbreking, die niet mag verdeeld zijn:
1°tot doel heeft, op grond van een geschreven verklaring van de gerechtigde, hem toe te laten zich te wijden aan de opvoeding van een kind dat met hem onder hetzelfde dak woont en persoon ten laste is hetzij van de gerechtigde zelf, hetzij van de persoon waarbij de gerechtigde gedurende de hierboven vermelde onderbreking als persoon ten laste was ingeschreven met toepassing van de bepalingen van artikel 123, 1 en 2;
2°in de periode valt van drie jaar volgend op de geboortedatum van het kind.
De periode van drie jaar wordt verdubbeld wanneer het een kind betreft dat de bijkomende bijslag voor mindervalide kinderen geniet met toepassing van de wetgeving betreffende de kinderbijslag voor werknemers of van die betreffende de kinderbijslag voor zelfstandigen.
Wanneer een nieuwe geboorte zich voordoet vóór het einde van de onderbreking, kan deze worden verlengd, zonder respectievelijk de drie of de zes jaar volgend op de datum van deze nieuwe geboorte te mogen overschrijden.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vervullen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van twee maanden honderddrieëndertig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal zes maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in twee maanden te volbrengen.
§ 6.(Voor de persoon die de hoedanigheid had van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet tot ten minste de dertigste dag voor het vervullen van militieverplichtingen en die, ten laatste binnen de dertig dagen na het einde van het vervullen van militieverplichtingen zich bevindt in staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt de wachttijd als vervuld beschouwd.
Wanneer de in het vorige lid bedoelde persoon, binnen de dertig dagen nadat hij huiswaarts of met onbepaald verlof werd gezonden, zich bevindt in een staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet ter wille van een ongeval overkomen of een aandoening opgedaan tijdens het vervullen van zijn militieverplichtingen, wordt de wachttijd als vervuld beschouwd. Dit geldt ook wanneer die persoon, tijdens het vervullen van zijn militieverplichtingen, om gezondheidsredenen afwezig is uit zijn dienst, in zoverre zijn afwezigheid niet aangerekend wordt op de duur van zijn militieverplichtingen.)
§ 7.(opgeheven)