Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling III - Regelen inzake wachttijd in geval van overgang van één sector van de verzekering voor uitkeringen naar een andere.

206–206/2

Art. 206

Voor de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid..., wordt de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot zes maanden die ten minste negentig (arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen) omvatten, ten gunste van de persoon die de hoedanigheid verkrijgt van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij genoemde hoedanigheid verkrijgt uiterlijk de dertigste dag nadat hij de hoedanigheid van gerechtigde beoogd in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering voor arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen verloor en hij de in die regeling voorgeschreven wachttijd heeft volbracht of ervan was vrijgesteld.

De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van zes maanden, vierhonderd (arbeidsuren of gelijkgestelde uren) presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal achttien maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in zes maanden te volbrengen.

Art. 206/1

Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering, is een vrijstelling van wachttijd van toepassing voor de persoon die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet verkrijgt, op voorwaarde dat hij de voormelde hoedanigheid verkrijgt uiterlijk de dertigste dag nadat hij de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten verloor en hij de in die regeling voorgeschreven wachttijd heeft volbracht of ervan was vrijgesteld.

Art. 206/2

Wanneer iemand niet van de vervulling van de wachttijd in het stelsel van de zelfstandigen was vrijgesteld en slechts voor één kalenderkwartaal waarin hij de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten had, de op grond van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen verschuldigde bijdrage heeft betaald, wordt voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bepaalde moederschapsuitkering de wachttijd verminderd tot drie maanden die ten minste zestig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, op voorwaarde dat er geen termijn van meer dan dertig dagen verstreken is tussen het verlies van de voormelde hoedanigheid van gerechtigde in het stelsel van de zelfstandigen en het verwerven van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet.

De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van drie maanden, tweehonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. Zij volbrengen echter hun wachttijd indien zij over een periode van drie maanden zevenenzestig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren op voorwaarde dat zij zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden om tweehonderd arbeidsuren te presteren tijdens deze drie maanden.