Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling IV Afdeling IV. - Behoud van de rechten met toepassing van de artikelen 116/3 en 130 van de gecoördineerde wet

207–207/1

Art. 207

Voor de toepassing van artikel 130, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet moeten de gerechtigden op één of andere wijze voor het tweede en derde kwartaal voorafgaandelijk het kwartaal waarin zij een beroep op prestaties doen de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in artikel 86, § 1 van de gecoördineerde wet gedurende honderdtwintig werkdagen behouden.

In afwijking van het eerste lid, behouden de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat waarin ze om prestaties vragen enerzijds vierhonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren zoals bedoeld in artikel 203, vierde lid aantonen en anderzijds voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 130, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet.

De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden evenwel het recht op uitkeringen voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 130, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet. Indien de arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en indien de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden deze arbeidsprestaties beschouwd niet gescheiden te zijn door een periode van meer dan dertig dagen.

Nochtans geniet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer die op het einde van een kwartaal in het genot is van uitkeringen, verder prestaties tot op het einde van de lopende arbeidsongeschiktheid.

Art. 207/1

De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers behouden het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat waarin ze om prestaties vragen enerzijds het in artikel 203/1, tweede lid, bepaalde aantal arbeidsuren of gelijkgestelde uren hebben gepresteerd, en anderzijds voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 116/3, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet.

De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden echter het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 112 van de gecoördineerde wet en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 116/3, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet. Indien de arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en indien de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden deze arbeidsprestaties beschouwd niet gescheiden te zijn door een periode van meer dan dertig dagen.

Nochtans geniet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer die op het einde van een kwartaal in het genot is van uitkeringen, verder prestaties tot op het einde van de lopende periode van moederschapsbescherming.