Alle wetboeken › Bankwet

BOEK XI - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN › TITEL V - Afwikkeling van groepen

HOOFDSTUK VII - Betrekkingen met derde landen

478–485

Art. 478

Dit Hoofdstuk is van toepassing op de erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen en de samenwerking met derde landen, tenzij en totdat een internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 93, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU met het betrokken derde land in werking treedt.

Het blijft van toepassing na de inwerkingtreding van een dergelijke internationale overeenkomst met het betrokken derde land, en voor zover de erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen en de samenwerking met derde landen niet door die overeenkomst worden geregeld.

Art. 479

§ 1.Indien er in overeenstemming met artikel 470 een Europees afwikkelingscollege is opgericht, neemt de afwikkelingsautoriteit samen met de andere leden van dat afwikkelingscollege een gezamenlijk besluit over de erkenning, behoudens het bepaalde in artikel 483, van afwikkelingsprocedures van derde landen met betrekking tot een kredietinstelling of een moederonderneming van een derde land die:

1°EER-dochterkredietinstellingen of als significant erkende bijkantoren heeft die gevestigd zijn in België en één of meer andere lidstaten; of

2°activa, rechten of passiva in of vallend onder het recht van België en één of meer andere lidstaten heeft.

§ 2.Indien er een gezamenlijk besluit over de erkenning van de afwikkelingsprocedures van een derde land wordt bereikt, zorgt de afwikkelingsautoriteit er voor dat de erkende afwikkelingsprocedures van derde landen in overeenstemming met deze wet wordt gehandhaafd in België.

§ 3.Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit van de afwikkelingsautoriteiten die in het Europees afwikkelingscollege participeren, of indien er geen Europees afwikkelingscollege is, besluit de afwikkelingsautoriteit over de erkenning en handhaving, behoudens het bepaalde in artikel 483, van de afwikkelingsprocedures van een derde land met betrekking tot een kredietinstelling of moederonderneming van een derde land.

Dat besluit houdt terdege rekening met de belangen van elke afzonderlijke lidstaat waar een kredietinstelling of moederonderneming van een derde land actief is, en met name met de mogelijke effecten van de erkenning en handhaving van de afwikkelingsprocedures van een derde land op de andere onderdelen van de groep en de financiële stabiliteit in die lidstaten.

Art. 480

De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de in de artikelen 276 tot 281 bedoelde afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van:

1°activa van een kredietinstelling of moederonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, die zich in België bevinden of onder het Belgische recht vallen;

2°rechten of verplichtingen van een kredietinstelling die onder het recht van een derde land ressorteert, die door haar in België gevestigde bijkantoor zijn geboekt, onder het Belgische recht vallen, dan wel ingeval met dergelijke rechten en verplichtingen samenhangende vorderingen in België afdwingbaar zijn;

3°aandelen of eigendomsinstrumenten van een in België gevestigde EER-dochterkredietinstelling;

4°rechten van elke partij bij een contract met een in artikel 479, § 1 bedoelde entiteit, indien die bevoegdheden nodig zijn om de afwikkelingsprocedures van derde landen te handhaven; en

5°rechten om contracten te beëindigen, te liquideren of versneld uit te voeren van, of afbreuk te doen aan de contractuele rechten van entiteiten als bedoeld in artikel 479, § 1 en andere groepsentiteiten, indien die rechten voortvloeien uit afwikkelingshandelingen met betrekking tot de instellingen uit derde landen, de moederondernemingen van dergelijke entiteiten of andere groepsentiteiten, van hetzij de afwikkelingsautoriteit van het derde land in kwestie, hetzij krachtens de wettelijke of regelgevingsvereisten op het gebied van afwikkeling in dat land, mits bij voortduring aan de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract, daaronder begrepen de betalings- en leveringsverplichtingen, wordt voldaan en het verschaffen van zekerheden wordt voortgezet.

Indien meerdere afwikkelingsautoriteiten voornemens zijn om krachtens artikel 280, § 2, of krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/59/EU een bijzondere bestuurder te benoemen bij een entiteit binnen een groep, overwegen zij of het passender zou zijn om éénzelfde bijzondere bestuurder voor alle betrokken entiteiten te benoemen om het herstel van de financiële soliditeit van de betrokken entiteiten te vergemakkelijken.

Voor de toepassing van het eerste lid, 3° is een EER-dochterkredietinstelling een kredietinstelling die een dochteronderneming is van een kredietinstelling van een derde land of van een moederonderneming van een derde land.

Art. 481

De afwikkelingsautoriteit kan, indien nodig ter behartiging van het algemeen belang, afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een Belgische moederonderneming als de betrokken autoriteit van een derde land van oordeel is dat een kredietinstelling die in dat derde land gevestigd is, aan de voorwaarden voor afwikkeling uit hoofde van de wetgeving van dat derde land voldoet.

Daartoe is de afwikkelingsautoriteit bevoegd om het even welke afwikkelingsbevoegdheid ten aanzien van de Belgische moederonderneming uit te oefenen, en is artikel 287 van toepassing.

Art. 482

De erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen doen geen afbreuk aan de toepassing van de liquidatieprocedures.

Art. 483

De afwikkelingsautoriteit mag, na raadpleging van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, indien een Europees afwikkelingscollege is opgericht, krachtens artikel 479 weigeren om afwikkelingsprocedures van derde landen te erkennen of te handhaven, indien zij van oordeel is:

1°dat de afwikkelingsprocedures van een derde land nadelige gevolgen zou hebben voor de financiële stabiliteit van België, of dat de procedures nadelige gevolgen zouden hebben voor de financiële stabiliteit in een andere lidstaat;

2°dat een afwikkelingsmaatregel uit hoofde van artikel 484 met betrekking tot een Belgisch bijkantoor van een kredietinstelling of beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert, noodzakelijk is om een of meer afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken;

3°dat schuldeisers, onder wie met name deposanten die in een lidstaat zijn gevestigd of moeten worden betaald, in het kader van een afwikkelingsprocedure van het derde land niet op dezelfde wijze worden behandeld als schuldeisers en deposanten met vergelijkbare wettelijke rechten krachtens de binnenlandse afwikkelingsprocedures van het derde land;

4°dat de erkenning of handhaving van de afwikkelingsprocedures van een derde land ingrijpende begrotingsgevolgen voor België zou hebben; of

5°dat de gevolgen van de erkenning of handhaving in strijd zouden zijn met de nationale wetgeving.

Art. 484

§ 1.De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om een maatregel te nemen ten aanzien van een Belgisch bijkantoor van een kredietinstelling of beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert indien zij niet het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure met toepassing van het recht van het derde land of indien deze procedure onder artikel 483 valt. Artikel 287 is van toepassing op de uitoefening van deze bevoegdheid.

§ 2.De afwikkelingsautoriteit mag de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1 uitoefenen indien zij oordeelt dat een maatregel noodzakelijk is in het algemeen belang en aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

1°het Belgische bijkantoor van een kredietinstelling of beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert, vervult niet langer, of vervult waarschijnlijk niet langer, de respectievelijk door de artikelen 333 en 336 en 603 en 605 opgelegde voorwaarden voor het verlenen van de vergunning en de uitoefening van de werkzaamheden in België, en het valt niet te verwachten dat een maatregel van de particuliere sector, een toezichthouder of de autoriteiten van het betrokken derde land ervoor zou zorgen dat het bijkantoor opnieuw aan de voorwaarden voldoet, dan wel het in gebreke blijven van het bijkantoor binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen;

2°de kredietinstelling van het derde land is, naar het oordeel van de afwikkelingsautoriteit, niet bereid of niet in staat of waarschijnlijk niet in staat te voldoen aan haar verplichtingen jegens schuldeisers uit de EER of aan via het bijkantoor ontstane of geboekte verplichtingen wanneer deze opeisbaar worden, en de afwikkelingsautoriteit is ervan overtuigd dat er ten aanzien van die instelling van het derde land binnen een redelijke termijn geen afwikkelingsprocedures of liquidatieprocedures van een derde land zijn geopend of zullen worden geopend;

3°de betrokken afwikkelingsautoriteit van een derde land heeft afwikkelingsprocedures van een derde land ten aanzien van de kredietinstelling van het derde land geopend, of heeft de afwikkelingsautoriteit in kennis gesteld van haar voornemen om een dergelijke procedure te openen.

§ 3.Indien de afwikkelingsautoriteit een onafhankelijke maatregel met betrekking tot een Belgisch EER-bijkantoor treft, houdt zij rekening met de afwikkelingsdoelstellingen en treft zij de maatregel overeenkomstig de volgende beginselen en vereisten, voor zover deze relevant zijn:

1°de in artikel 245 vastgelegde beginselen;

2°de vereisten van Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk V met betrekking tot de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten.

Art. 485

§ 1.Wanneer zulks passend is, sluiten de bevoegde autoriteiten of de afwikkelingsautoriteit niet-bindende samenwerkingsovereenkomsten met derde landen die in de lijn liggen van de kaderovereenkomsten die de EBA heeft opgesteld met toepassing van artikel 97, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU.

Dit artikel belet niet dat de bevoegde autoriteiten bilaterale of multilaterale overeenkomsten met derde landen sluiten overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

§ 2.Overeenkomstig dit artikel gesloten samenwerkingsovereenkomsten met derde landen kunnen bepalingen bevatten met betrekking tot de volgende aangelegenheden:

1°de uitwisseling van de informatie die nodig is voor het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen;

2°overleg en samenwerking bij het opstellen van afwikkelingsplannen, met inbegrip van beginselen voor de uitoefening van bevoegdheden op grond van dit Hoofdstuk en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde bevoegdheden;

3°de uitwisseling van de informatie die nodig is voor de toepassing van afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden en soortgelijke in het recht van de betrokken derde landen neergelegde bevoegdheden;

4°vroegtijdige waarschuwing van of overleg met partijen bij de samenwerkingsovereenkomst voordat een belangrijke maatregel uit hoofde van deze wet of het recht van het betrokken derde land wordt genomen die de instelling of de groep treft waarop de overeenkomst betrekking heeft;

5°de coördinatie van openbare communicatie in geval van gezamenlijke afwikkelingsmaatregelen;

6°procedures en regelingen om overeenkomstig de punten 1° tot en met 5° informatie uit te wisselen en samen te werken, onder meer, in voorkomend geval, door crisismanagementgroepen op te zetten en te beheren.

§ 3.De bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteit stellen de EBA in kennis van elke samenwerkingsregeling die zij overeenkomstig dit artikel hebben gesloten.