Alle wetboeken › Bankwet

BOEK II - KREDIETINSTELLINGEN NAAR BELGISCH RECHT › TITEL II - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden

HOOFDSTUK VII - Herstelplannen

108–116

Art. 108

§ 1.De kredietinstelling waarvoor geen groepsherstelplan wordt opgesteld, stelt een herstelplan op met maatregelen die door de instelling kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en actualiseert dit plan. Het herstelplan vermeldt ook de mogelijke maatregelen die de kredietinstelling moet nemen als aan de voorwaarden bedoeld in artikel 234, § 1, voor het opleggen van herstelmaatregelen is voldaan.

De kredietinstelling deelt het herstelplan mee aan de toezichthouder.

§ 2.Kredietinstellingen waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld, dienen een herstelplan op individuele basis op te stellen indien de bevoegde autoriteiten daartoe besloten hebben overeenkomstig artikel 435, § 1 of § 3, artikel 436, § 3 of in de zin van artikel 8, lid 2 of lid 4 van Richtlijn 2014/59/EU.

Art. 109

Het herstelplan houdt rekening met verschillende scenario's van ernstige macro-economische of financiële crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek zijn aan de kredietinstelling, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt, betrokken zijn.

Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun maar bevat in voorkomend geval een analyse van hoe en wanneer de kredietinstelling een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken. Het plan bepaalt welke activa van de kredietinstelling daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.

Art. 110

§ 1.Het herstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de kredietinstelling, met aanduiding van de momenten waarop de instelling onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.

Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.

§ 2.De in paragraaf 1 bedoelde indicatoren omvatten een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa van de kredietinstelling, die door de toezichthouder wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid. Het herstelplan vermeldt de corrigerende maatregelen die moeten worden overwogen bij overschrijding van elk van de drempels.

Teneinde te zorgen voor een toereikend voorwerp voor de uitoefening van het voorrecht bedoeld in artikel 389 en terzelfder tijd de toegang van de kredietinstelling tot haar bronnen van financiering te vrijwaren, bepaalt de toezichthouder voor iedere kredietinstelling een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van haar bezwaarde activa, volgens de definities van de technische uitvoeringsnorm bedoeld in artikel 100, tweede alinea, van Verordening nr. 575/2013.

Bij de vaststelling van de schaal bedoeld in het tweede lid houdt de toezichthouder rekening met het niveau van de in artikel 389 bedoelde deposito's van de kredietinstelling, met de aard van haar werkzaamheden en met de structuur van haar balans.

Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 en goedgekeurd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, stelt de Bank de minimum- en maximumdrempels vast waartussen de schalen bedoeld in het tweede lid zich moeten situeren, rekening houdend met de internationale ontwikkelingen in deze materie en de benchmarks die zich daarbij aftekenen.

§ 3.De kredietinstelling kan, wanneer haar wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht:

1°maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;

2°geen maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald.

De kredietinstelling stelt de toezichthouder onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van haar herstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald.

§ 4.Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet hem toekent, kan de toezichthouder de kredietinstelling opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de instelling nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.

Art. 111

De kredietinstelling actualiseert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestructuur, haar werkzaamheden of haar financiële positie die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.

In afwijking op het eerste lid, dienen de kredietinstellingen het herstelplan ten minste om de twee jaar te actualiseren indien hen vereenvoudigde verplichtingen werden toegestaan ingevolge de door de toezichthouder gemaakte analyse met toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2019/348 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het beoordelen van het effect van het falen van een instelling op de financiële markten, op andere instellingen en op de financieringsvoorwaarden.

De toezichthouder kan, wanneer de omstandigheden dit vereisen, van de kredietinstelling eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert dan bepaald in de vorige leden. In elk geval eist de toezichthouder een actualisering van het herstelplan indien de hypotheses die in het herstelplan zijn beschreven anders zijn dan de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van maatregelen bedoeld in artikel 234, § 2.

Art. 112

Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de nadere regels bepalen inzake:

1°de minimuminhoud van het herstelplan;

2°de informatie die door de kredietinstellingen aan de toezichthouder moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.

De toezichthouder kan de kredietinstellingen verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiële contracten waarbij zij partij zijn.

Art. 113

§ 1.De toezichthouder kan de volgende instellingen vrijstellen van de verplichtingen krachtens deze Afdeling:

1°de instellingen die lid zijn van een institutioneel beschermingsstelsel, waaronder wordt verstaan een door bepaalde kredietinstellingen op vrijwillige basis ingestelde onderlinge waarborgregeling;

2°de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1.

§ 2.Wanneer de toezichthouder een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past hij de in deze Afdeling bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van respectievelijk het institutioneel beschermingsstelsel en de vrijgestelde leden ervan, of de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 239.

§ 3.De instellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of de instellingen waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf 1. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:

1°de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of

2°de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20 %.

§ 4.De toezichthouder kan een kredietinstelling toestaan af te wijken van de verplichtingen van deze Afdeling inzake de inhoud van het herstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling alsmede van de termijn bepaald in artikel 114, § 2, of in artikel 416, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de kredietinstelling in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de toezichthouder in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten. De toezichthouder verricht deze beoordeling na raadpleging, indien passend, van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit.

De toezichthouder kan een afwijking toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Hij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken kredietinstelling.

§ 5.De met toepassing van paragraaf 4 toegekende afwijkingen mogen in geen geval betrekking hebben op de verplichtingen inzake de progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa, als bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid.

§ 6.De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de wijze waarop hij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.

Art. 114

§ 1.Het herstelplan wordt door het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling onderzocht en goedgekeurd alvorens het aan de toezichthouder wordt voorgelegd.

§ 2.De kredietinstelling legt haar eerste herstelplan aan de toezichthouder voor binnen zes maanden vanaf de datum van haar vergunning.

Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de kredietinstelling aan de toezichthouder een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de toezichthouder deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.

Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de kredietinstelling die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de kredietinstelling de toezichthouder hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de toezichthouder wordt meegedeeld.

§ 3.De toezichthouder bezorgt het herstelplan en elk geactualiseerd plan aan de afwikkelingsautoriteit.

De afwikkelingsautoriteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van het plan aanbevelingen richten aan de toezichthouder over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling negatief kunnen beïnvloeden.

Art. 115

§ 1.Binnen zes maanden na ontvangst van het herstelplan, onderzoekt de toezichthouder dit plan en beoordeelt hij of het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de artikelen 108 tot 113.

Hierbij evalueert de toezichthouder inzonderheid of het herstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat:

1°de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de instelling heeft getroffen of voornemens is te treffen;

2°het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere instellingen.

Bij zijn evaluatie van het herstelplan besteedt de toezichthouder bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de instelling in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot haar risicoprofiel.

§ 2.Indien de toezichthouder oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt hij de kredietinstelling daarvan in kennis en, nadat hij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt hij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De toezichthouder kan voornoemde termijn van twee maanden met maximum één maand verlengen.

§ 3.Indien de toezichthouder oordeelt dat de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan hij de kredietinstelling gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan de instelling, specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen.

Art. 116

§ 1.Indien de kredietinstelling binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in artikel 115, § 2, of indien de toezichthouder oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig artikel 115, § 2, de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt en het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig artikel 115, § 3, stelt de toezichthouder de kredietinstelling daarvan in kennis en vereist hij dat zij binnen dertig dagen bepaalt welke wijzigingen zij in haar werkzaamheden kan aanbrengen om deze tekortkomingen of belemmeringen te verhelpen.

§ 2.Indien de toezichthouder oordeelt dat de wijzigingen voorgesteld door de kredietinstelling met toepassing van paragraaf 1, de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kan hij, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de kredietinstelling gelasten elke maatregel te treffen die hij noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen.

De toezichthouder kan de kredietinstelling inzonderheid gelasten om:

1°haar risicoprofiel, met inbegrip van het liquiditeitsrisico, te verminderen;

2°snelle herkapitalisatiemaatregelen mogelijk te maken;

3°haar strategie en haar structuur te herzien;

4°wijzigingen in haar financieringsstrategie aan te brengen om de robuustheid van haar kernactiviteiten en haar kritieke functies te vergroten;

5°wijzigingen in haar governancestructuur aan te brengen.

De beslissing van de toezichthouder wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de kredietinstelling.