Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK II _ GEDING. › TITEL II _ Behandeling en berechting van de vordering. › Eerste afdeling _ Behandeling ter inleidende zitting.

Afdeling VIII _ Berechting van de zaak.

769–792

Art. 769

Na de pleidooien en in voorkomend geval na de wederantwoorden, beveelt de rechter de sluiting van de debatten.

De rechter kan de partijen of hun advocaten toestaan hun dossiers na de debatten en binnen de termijn die hij vaststelt, ter griffie neer te leggen tegen een gedagtekend ontvangstbewijs. In dat geval vindt de sluiting van de debatten van rechtswege plaats bij het einde van die termijn.

Wanneer artikel 755 is toegepast, geschiedt de sluiting van de debatten van rechtswege één maand na de neerlegging van de dossiers ter griffie of wordt ze door de rechter uitgesproken op de dag waarop de door hem gevraagde mondelinge opheldering is verschaft.

Tegen de beslissing tot sluiting van de debatten en tegen de beslissing bedoeld in het tweede lid, die op (het zittingsblad) worden aangetekend, staat geen verzet of hoger beroep open.

Art. 770

§ 1.Wanneer de rechter de zaak in beraad houdt om het vonnis uit te spreken, bepaalt hij de dag voor die uitspraak, die moet plaatsvinden binnen een maand na het sluiten van de debatten. Deze termijn wordt verlengd met één maand wanneer de debatten worden gesloten gedurende de maand voor de gerechtelijke vakantie bedoeld in artikel 334.

Indien de zaak aan het openbaar ministerie wordt meegedeeld, gaat de termijn voor de uitspraak in op de dag waarop zijn advies is gegeven of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de termijn waarover de partijen beschikken om hun conclusies over dat advies neer te leggen.

Indien de uitspraak niet binnen die termijn kan plaatsvinden, wordt de oorzaak van de vertraging op het zittingsblad vermeld.

De vermelding op het zittingsblad van de oorzaak van de vertraging moet objectief kunnen worden verantwoord tegenover de hiërarchische overheid die belast is met het toezicht op de naleving van de termijnen van beraad.

§ 2.De griffiers maken in tweevoud de lijst op van de zaken waarin de uitspraak met meer dan een maand werd uitgesteld. Deze lijst wordt ter ondertekening voorgelegd aan de betrokken magistraat of magistraten, die zo in de gelegenheid worden gesteld schriftelijke opmerkingen te maken.

De lijsten worden, op initiatief van de hoofdgriffier, elke maand opgemaakt en toegezonden aan de korpschef van het gerecht en aan de korpschef van het openbaar ministerie bij dat gerecht.

Derde lid opgeheven.

Een afschrift wordt op de griffie bewaard.

Met inachtneming van dezelfde regels worden die lijsten maandelijks bijgewerkt.

§ 3.Indien de rechter het beraad langer dan drie maanden aanhoudt, verwittigt hij de korpschef en de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, onverminderd de mogelijkheid voor een partij om daartoe het initiatief te nemen.

§ 4.In het in § 3 bedoelde geval wordt de betrokken magistraat of de betrokken magistraten onverwijld opgeroepen door de korpschef om te worden gehoord over de oorzaken van de vertraging.

In de in § 2 bedoelde gevallen is de oproeping verplicht wanneer het herhaalde tekortkomingen betreft.

De korpschef en de betrokken magistraat of magistraten werken in onderling overleg een oplossing uit om de vertraging te verhelpen.

Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.

§ 5.De in § 3 bedoelde inlichtingen en de desbetreffende processen-verbaal kunnen in aanmerking worden genomen in geval van tuchtvervolgingen, bij de periodieke evaluatie van de magistraat of in het kader van een op hem betrekking hebbende benoemings- of aanwijzingsprocedure.

Indien een tuchtsanctie verantwoord is, kan de opgelegde straf in geen geval lager zijn dan een inhouding van de wedde.

Art. 771

Onverminderd de toepassing van de artikelen 767 en 772 mogen geen stukken, nota's of conclusies worden neergelegd na het sluiten van de debatten. In voorkomend geval worden zij buiten het beraad gehouden.

Art. 772

Indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, kan zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen.

Art. 773

De aanvraag wordt in handen van de rechter gedaan door middel van een verzoekschrift, waarin het nieuwe stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting; zij wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij zijn ontstentenis, door deze laatste, ter griffie neergelegd en overgelegd overeenkomstig de regels van de artikelen 742 tot 744. Zij wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de andere partijen die verschenen zijn.

Deze kunnen binnen acht dagen na de aanzegging op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen.

De rechter doet uitspraak op stukken.

Art. 774

De rechter kan de heropening van de debatten ambtshalve bevelen.

Hij moet dit bevelen, alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen, op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen.

Art. 775

Indien de heropening van de debatten bevolen wordt, verzoekt de rechter de partijen om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten, hun conclusies over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan, uit te wisselen en hem deze te overhandigen. In voorkomend geval bepaalt hij dag en uur waarop de partijen over het door hem bepaalde onderwerp zullen worden gehoord.

De partijen worden bij gerechtsbrief verwittigd en, in voorkomend geval, hun advocaten bij gewone brief.

In ieder geval is de beslissing gewezen na de heropening van de debatten op tegenspraak gewezen indien de beslissing van heropening zelf op tegenspraak gewezen is.

Art. 776

Tegen de beslissing van de rechter over de aanvraag tot heropening van de debatten staat geen hoger beroep open.

Art. 777

De in beraad genomen of schriftelijk behandelde zaken worden door de voorzitter van de kamer verdeeld onder de rechters.

Art. 778

Na afloop van de bespreking doet de voorzitter hoofdelijke omvraag, te beginnen met de jongstbenoemde rechter en zo opklimmend, tot de oudstbenoemde. De voorzitter geeft het laatst zijn mening te kennen.

Zijn de meningen verdeeld, dan wordt er opnieuw gestemd.

Art. 779

Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid.

(lid 2 opgeheven)

Art. 780

Het vonnis bevat, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkende gedeelte:

1°de vermelding van de rechter of de rechtbank die het heeft gewezen; de namen van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld, van de magistraat van het openbaar ministerie die zijn advies heeft gegeven en van de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest;

2°de naam, de voornaam en de woonplaats van de partijen en, in voorkomend geval, hun rijksregisternummer, identificatienummer in het bisregister of ondernemingsnummer;

3°het onderwerp van de vordering en het antwoord op de overeenkomstig artikel 744, eerste lid, uiteengezette middelen van de partijen;

4°de vermelding van het advies van het openbaar ministerie;

5°de vermelding en de datum van de uitspraak in openbare zitting.

De griffier verifieert onmiddellijk voorafgaand aan de ondertekening van het vonnis of de vaststelling van de onmogelijkheid van ondertekening de juistheid van de vermeldingen bedoeld in het eerste lid, 2°, met uitzondering van het identificatienummer in het bisregister.

Het vonnis bevat in voorkomend geval aanduiding van de naam der advocaten.

Art. 780

toekomstig recht

Het vonnis bevat, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkende gedeelte:

1°de vermelding van de rechter of de rechtbank die het heeft gewezen; de namen van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld, van de magistraat van het openbaar ministerie die zijn advies heeft gegeven en van de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest;

2°de naam, de voornaam en de woonplaats van de partijen en, in voorkomend geval, hun rijksregisternummer, identificatienummer in het bisregister of ondernemingsnummer;

3°het onderwerp van de vordering en het antwoord op de overeenkomstig artikel 744, eerste lid, uiteengezette middelen van de partijen;

4°de vermelding van het advies van het openbaar ministerie;

5°de vermelding en de datum van de uitspraak in openbare zitting.

De griffier verifieert onmiddellijk voorafgaand aan de ondertekening van het vonnis of de vaststelling van de onmogelijkheid van ondertekening de juistheid van de vermeldingen bedoeld in het eerste lid, 2°....

Het vonnis bevat in voorkomend geval aanduiding van de naam der advocaten.

Art. 780/1

In de gevallen uitdrukkelijk bij wet bepaald, wordt in burgerlijke zaken bij het vonnis een informatieblad gevoegd waarin voor elke partij de volgende gegevens worden vermeld:

a)de rechtsmiddelen van hoger beroep, verzet of voorziening in cassatie die van toepassing zijn tegen het vonnis of de afwezigheid van deze rechtsmiddelen;

b)de benaming en het adres van het rechtscollege dat bevoegd is om kennis te nemen van deze rechtsmiddelen;

c)de wijze van indiening van deze rechtsmiddelen;

d)de termijn binnen welke deze rechtsmiddelen moeten worden ingesteld met vermelding van de wettelijke gronden tot verlenging van de termijn;

e)de rechtshandeling die de termijn doet lopen;

f)een uitdrukkelijke waarschuwing dat de partij die een rechtsmiddel aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden kan worden veroordeeld tot een geldboete, onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden en de betaling van de rechtsplegingsvergoeding.

In voorkomend geval vermeldt het informatieblad de mogelijkheid van derdenverzet met dezelfde gegevens.

De gegevens van het informatieblad kunnen ambtshalve of op verzoek van een van de partijen of de door haar gemandateerde gerechtsdeurwaarder, bij gewone brief of verklaring ter griffie, binnen de acht dagen vanaf het verzoek, verbeterd of aangevuld worden.

Het informatieblad maakt geen onderdeel uit van het vonnis. Het wordt gevoegd bij de in artikel 790 bedoelde uitgifte of, in voorkomend geval, het door de griffier eensluidend verklaard afschrift ervan.

De Koning kan het model van dit informatieblad bepalen.

Art. 780bis

De partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden kan worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2.500 euro, onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden. In het geval van misbruik van procesrecht gericht tegen het publiek debat bedoeld in artikel 1385/1, § 1, 3°, kan deze geldboete verhoogd worden tot een bedrag van 25.000 euro.

In dat geval, wordt in dezelfde beslissing daarover uitspraak gedaan voorzover schadevergoeding voor tergend en roekeloos geding wordt gevorderd en toegekend. Indien zulks niet het geval is, worden de partijen verzocht toelichting te geven overeenkomstig artikel 775. De rechter stelt termijnen vast, die afzonderlijk niet meer dan dertig dagen bedragen, voor de overhandiging van de conclusies en de eventuele bepaling van de rechtsdag, bedoeld in artikel 775.

De Koning kan het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De boete wordt geïnd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning van niet-fiscale schuldvorderingen, die overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949 tot die invordering overgaat met aanwending van alle middelen van recht.

De in dit artikel bedoelde voorzieningen kunnen worden uitgesproken niettegenstaande latere wijzigingen van de hoofdvordering of van de processtukken, met inbegrip van afstand.

Dit artikel is niet van toepassing in strafzaken noch in tuchtzaken.

Art. 781

Het beschikkende gedeelte van de vonnissen over de staat van personen,... vermeldt de volledige identiteit van de betrokkene en bepaalt nauwkeurig welke veranderingen in zijn rechtstoestand zijn aangebracht.

Tenzij de wet daaromtrent anders bepaalt, stuurt de griffier de gegevens nodig voor de opmaak of wijziging van de akten van de burgerlijke stand van de betrokkene en, in voorkomend geval, van zijn afstammelingen ten gevolge van de rechterlijke beslissing over de staat van de persoon via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.

De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk de akten van de burgerlijke stand op of wijzigt deze.

Art. 782

§ 1.Het vonnis wordt in gedematerialiseerde vorm opgemaakt. De Koning bepaalt de technische voorwaarden waaraan het in gedematerialiseerde vorm opgemaakte vonnis moet voldoen.

Indien het onmogelijk is het vonnis overeenkomstig het eerste lid in gedematerialiseerde vorm op te maken, kan het worden opgemaakt in niet-gedematerialiseerde vorm.

§ 2.Voor de uitspraak wordt het vonnis ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Het eerste lid is evenwel niet van toepassing indien de rechter of rechters oordelen dat het vonnis onmiddellijk na de debatten kan worden uitgesproken. In dat geval wordt het vonnis binnen de drie dagen ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.

Indien het vonnis in gedematerialiseerde vorm is opgemaakt, wordt het ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.

§ 3.Van zodra het vonnis is ondertekend overeenkomstig paragraaf 2, wordt het opgenomen in het Centraal register bedoeld in paragraaf 4.

§ 4.Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een "Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde" opgericht, hierna "Centraal register" genoemd.

Het Centraal register is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doelen:

1°het gecentraliseerd opnemen en bewaren van de vonnissen in gedematerialiseerde vorm teneinde de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde te vergemakkelijken;

2°te fungeren als authentieke bron, bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator, van de vonnissen waarvan de minuut of een door de griffier eensluidend verklaard gedematerialiseerd afschrift van de minuut erin is opgenomen;

3°de raadpleging via elektronische weg van de in het Centraal register opgenomen gegevens, bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 1° tot 3°, toe te laten door de personen en actoren die deze met toepassing van paragraaf 8, eerste lid, 2°, mogen raadplegen;

4°de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens, bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 1° tot 3°, voor het verbeteren van de kwaliteit van die gegevens;

5°de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens, bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 4°, voor het optimaliseren van de organisatie van de rechterlijke orde, om een efficiënter beheer, een betere beleidsondersteuning, een betere impactanalyse van wetswijzigingen en een betere toewijzing van de menselijke en logistieke middelen binnen de rechterlijke orde mogelijk te maken;

6°de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;

7°de verwerking van een geheel van of van individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor historische of wetenschappelijke doeleinden;

8°de verwerking van gespecifieerde individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 1° tot 3°, voor journalistieke doeleinden;

9°het ter beschikking stellen aan het publiek van de gepseudonimiseerde vonnissen als onderdeel van hun openbare bekendmaking in de zin van artikel 149 van de Grondwet, die onder meer de transparantie van en controle op de werking van de rechterlijke macht als doel heeft;

10°de verwerking voor statistische doeleinden, binnen de grenzen gesteld door titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, van de in het Centraal register opgenomen gegevens, bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 4°.

§ 5.In het Centraal register worden de volgende gegevens opgenomen:

1°de minuut van het vonnis opgemaakt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid;

2°een door de griffier eensluidend verklaard gedematerialiseerd afschrift van de minuut van het vonnis opgemaakt in niet-gedematerialiseerde vorm overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid;

3°de metagegevens noodzakelijk voor het bereiken van de doelen bedoeld in paragraaf 4, tweede lid, te weten:

a)de gegevens betreffende het gerecht dat het vonnis heeft gewezen;

b)de gegevens betreffende het vonnis;

c)de gegevens betreffende de zitting waarop het vonnis werd gewezen;

d)de noodzakelijke identificatiegegevens van de in het vonnis vermelde personen;

e)het unieke identificatienummer van het vonnis;

f)de gegevens waarvan de wet vereist dat deze met het vonnis worden verbonden na zijn opmaak;

4°de gepseudonimiseerde vonnissen bedoeld in de artikelen 782bis en 1109 en in de artikelen 163, 176, 190, 209, 337 et 346 van het Wetboek van strafvordering, en elk vonnis waarvan het gerecht dat het heeft gewezen beveelt dat het in gepseudonimiseerde vorm moet worden bekendgemaakt via het Centraal register.

De Koning bepaalt, na advies van de in paragraaf 6, eerste lid, bedoelde beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de exacte gegevens bedoeld in het eerste lid, 3°, opgenomen in het register.

Voorafgaand aan de opname van een vonnis in het Centraal register met het oog op de bewaring ervan als gegeven bedoeld in het eerste lid, 4°, worden de volgende gegevens gepseudonimiseerd in de zin van artikel 4, 5), van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG, dit in overeenstemming met de technische en praktische standaarden van kracht op het ogenblik van de pseudonimisering:

1°de identiteitsgegevens van de natuurlijke personen vermeld in het vonnis, met uitzondering van de identiteitsgegevens van de magistraten, de leden van de griffie en de advocaten;

2°elk element in het vonnis dat toelaat natuurlijke personen vermeld in het vonnis, met uitzondering van de magistraten, de leden van de griffie en de advocaten, rechtstreeks of onrechtstreeks te identificeren, binnen de limieten van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het vonnis;

3°in afwijking van de bepalingen onder 1° en 2°, op beslissing van de korpschef van het gerecht na advies van het openbaar ministerie 1 of, wanneer het de veiligheid van een advocaat of zijn entourage betreft, na advies van de bevoegde stafhouder 1, indien de verspreiding ervan de veiligheid van de magistraten, de leden van de griffie, de advocaten of hun entourage in het gedrang kan brengen, de identiteitsgegevens van deze personen vermeld in het vonnis evenals, binnen de limieten van zijn leesbaarheid en begrijpelijkheid, elk element in het vonnis dat toelaat deze personen rechtstreeks of onrechtstreeks te identificeren;

4°in afwijking van de bepalingen onder 1° en 2°, de identiteitsgegevens van de magistraten, de leden van de griffie en de advocaten vermeld in het vonnis dat betrekking heeft op strafzaken betreffende de misdrijven bedoeld in de artikelen 371 tot 388 en 406 tot 409 van het Strafwetboek, evenals, binnen de limieten van zijn leesbaarheid en begrijpelijkheid, elk element in het vonnis dat toelaat deze personen rechtstreeks of onrechtstreeks te identificeren.

Indien de in het derde lid bedoelde pseudonimisering op geautomatiseerde wijze plaatsvindt middels informaticatechnieken, wordt het resultaat van deze geautomatiseerde pseudonimisering onderworpen aan een menselijke controle. De Koning wijst de instantie aan die wordt belast met deze controle. Deze instantie hangt rechtstreeks af van de rechterlijke macht of staat onder haar controle.

Elke belanghebbende die meent dat bepaalde niet-gepseudonimiseerde gegevens vermeld in een gepseudonimiseerd vonnis moeten worden gepseudonimiseerd overeenkomstig het derde lid, kan hiertoe een schriftelijk verzoek indienen bij de door de Koning aangewezen instantie belast met de menselijke controle bedoeld in het vierde lid.

De identiteitsgegevens van magistraten, leden van de griffie en advocaten mogen niet het voorwerp uitmaken van een hergebruik met als doel of als gevolg het evalueren, analyseren, vergelijken of voorspellen van hun werkelijke of veronderstelde professionele praktijken. De overtreding van dit verbod wordt bestraft met een straf van niveau 1, waarbij in afwijking van de artikelen 36 en 38 van het Strafwetboek de geldboete ten hoogste 160.000 euro bedraagt.

De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels voor de pseudonimisering bedoeld in het derde lid en voor de menselijke controle bedoeld in het vierde lid.

De Koning bepaalt de technische voorwaarden waaraan het gedematerialiseerd afschrift bedoeld in het eerste lid, 2°, moet voldoen.

§ 6.Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een beheerscomité van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en van het videoconferentiesysteem van Justitie opgericht, hierna "de beheerder" genoemd.

De beheerder is samengesteld uit:

1°vier vertegenwoordigers gemandateerd door het College van de hoven en rechtbanken;

2°twee vertegenwoordigers gemandateerd door het Hof van Cassatie;

3°twee vertegenwoordigers gemandateerd door het College van het openbaar ministerie;

4°twee vertegenwoordigers gemandateerd door de Federale Overheidsdienst Justitie;

5°een vertegenwoordiger gemandateerd door de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie;

6°een vertegenwoordiger gemandateerd door de Ordre des Barreaux francophones et germanophone;

7°een vertegenwoordiger gemandateerd door de Orde van Vlaamse Balies;

8°een vertegenwoordiger gemandateerd door het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding, als waarnemer;

9°een vertegenwoordiger gemandateerd door de beleidscel van de minister van Justitie, als waarnemer.

De vertegenwoordigers bedoeld in het tweede lid, 4°, hebben stemrecht in de aangelegenheden die betrekking hebben op de inzet van de middelen, de technische aspecten en de voor het publiek toegankelijke onderdelen van het Centraal register, in zoverre deze laatsten geen invloed hebben op de inhoud of begrijpelijkheid van de gepseudonimiseerde vonnissen. Zij zetelen als waarnemer in aangelegenheden die louter betrekking hebben op de interne werking van de rechterlijke orde.

De vertegenwoordigers bedoeld in het tweede lid, 5° tot 7°, zetelen met raadgevende stem.

De beheerder wordt voorgezeten door een voorzitter, die wordt bijgestaan door een ondervoorzitter. Beiden zijn lid van de zittende magistratuur.

De voorzitter en de ondervoorzitter worden verkozen uit de leden bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, door de leden bedoeld in het tweede lid, 1° tot 4°, voor een hernieuwbaar mandaat van drie jaar.

Indien de verkozen voorzitter een lid is bedoeld in het tweede lid, 1°, wordt de ondervoorzitter verkozen onder de leden bedoeld in het tweede lid, 2°, en omgekeerd.

Bij gelijke stemming is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

De beheerder staat in voor de inrichting en het beheer van het Centraal register. Hij heeft in het bijzonder als opdracht:

1°het bewaken van het respecteren van de doelen van het Centraal register en van de maximale afwezigheid van ongemachtigd massief downloaden van vonnissen of gegevens;

2°het toezien op de werking van het Centraal register, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop;

3°het schriftelijk en onder voorwaarden machtigen van de derden bedoeld in paragraaf 8, eerste lid, 5°, voor de verwerkingen bedoeld in paragraaf 4, tweede lid, 6°, 7° of 8°;

4°het bewaken van de instroom van de beslissingen van de rechterlijke orde in het Centraal register;

5°het toezien op de technische infrastructuur van het Centraal register;

6°het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het Centraal register en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 5°.

Het verslag bedoeld in het negende lid, 6°, wordt jaarlijks neergelegd bij de minister van Justitie en bij de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in paragraaf 8, eerste lid, 2°, d). Het verslag is publiek.

De Koning bepaalt de nadere regels van de samenstelling en de werking van de beheerder.

§ 7.De in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten bedoeld in paragraaf 6, tweede lid, 1° tot 4°, treden met betrekking tot het Centraal register op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 26 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.

De in het eerste lid bedoelde entiteiten dragen geen verwerkingsverantwoordelijkheid in de aangelegenheden waarin zij zetelen als waarnemer.

§ 8.Hebben toegang tot het Centraal register:

1°voor het neerleggen, aanvullen en verbeteren van de in paragraaf 5, eerste lid, bedoelde gegevens, de personen opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, bedoelde elektronische lijst, van wie deze gegevens uitgaan, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten;

2°voor het raadplegen van de in paragraaf 5, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde gegevens:

a)de personen opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, bedoelde elektronische lijst van wie deze gegevens uitgaan, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten;

b)op een met redenen omklede aanvraag, de personen opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, bedoelde elektronische lijst met het oog op een noodzakelijke opzoeking van een of meerdere gespecifieerde vonnissen in het kader van een onderzoek dat door de aanvrager wordt gevoerd of in het kader van een zaak die voor de aanvrager aanhangig is of waarin de aanvrager beroepshalve optreedt, en waarin de debatten nog niet zijn gesloten;

c)de partijen bij een in het Centraal register opgenomen vonnis, evenals, in voorkomend geval, hun advocaat of vertegenwoordiger in rechte, waarbij de raadpleging beperkt blijft tot dat vonnis en de eraan verbonden gegevens;

d)de functionaris voor gegevensbescherming aangesteld door de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, binnen de grenzen van zijn wettelijke opdrachten;

e)de andere personen en actoren dan diegenen bedoeld in de bepalingen onder a) tot d) aan wie een in het Centraal register opgenomen vonnis overeenkomstig de wet ter kennis moet worden gebracht, of die op andere wijze overeenkomstig de wet toegang moeten hebben tot een dergelijk vonnis of een gedeelte ervan, waarbij de raadpleging beperkt blijft tot dat vonnis of vonnisdeel;

3°ten uitzonderlijken titel, wanneer de vereisten van hun opdracht deze toegang onontbeerlijk maken, en voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 4, tweede lid, 4°, de door de beheerder aangestelde personen belast met het technisch en operationeel beheer van het Centraal register, handelend binnen het kader van hun functie;

4°voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 4, tweede lid, 5°:

a)de gerechtelijke overheden belast met het beheer en de organisatie van de hoven en rechtbanken;

b)de diensten belast met statistische analyse bij de in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten bedoeld in § 6, tweede lid, 1° tot 4° en 8°;

5°voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 4, tweede lid, 6°, 7° of 8°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden;

6°voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 4, tweede lid, 10°, de publieke overheden;

7°de individuele gegevens bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 4°, zijn publiek.

Behoudens de krachtens het eerste lid voorziene uitzonderingen, zijn het massief downloaden en de verwerking van een geheel van in het Centraal register openomen gegevens, verboden. De overtreding van dit verbod wordt bestraft met een straf van niveau 1, waarbij in afwijking van de artikelen 36 en 38 van het Strafwetboek de geldboete ten hoogste 120.000 euro bedraagt.

In geval van een raadpleging als bedoeld in het eerste lid, 2°, b), die een resultaat opleverde, worden de partijen tijdig in kennis gesteld van de raadpleging en haar resultaat om hieromtrent hun recht op tegenspraak te kunnen uitoefenen tijdens de tegensprekelijke fase van de rechtspleging waarbinnen de aanvraag plaats vond of van de rechtspleging die volgt op het onderzoek waarbinnen de aanvraag plaats vond.

De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register, met inbegrip van de parameters voor het beoordelen van de motivering bedoeld in het eerste lid, 2°, b, en de wijze waarop de aanvraag bedoeld in diezelfde bepaling onder b) wordt gedaan.

Hij die in welke hoedanigheid dan ook deelneemt aan het verzamelen of aan de registratie van gegevens in het Centraal register of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens, of kennis heeft van die gegevens, moet, in voorkomend geval, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 352 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.

Wanneer de beheerder vaststelt dat ongerechtvaardigd gebruik wordt gemaakt van de toegang tot het Centraal register, brengt hij dit ter kennis van de overheid die krachtens de wet bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen ten aanzien van de betrokken gebruiker.

§ 9.De gegevens die zijn opgenomen in het Centraal register worden bewaard voor onbepaalde duur.

§ 10.De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere technische en materiële regels voor de inrichting en werking van het Centraal register, die echter geen invloed kunnen hebben op de inhoud of de begrijpelijkheid van de in het Centraal register opgenomen rechterlijke beslissingen.

Art. 782bis

Het vonnis wordt schriftelijk of mondeling uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie. In geval van mondelinge uitspraak, leest de voorzitter minstens het beschikkend gedeelte van het vonnis voor. Het zittingsblad vermeldt de uitspraak evenals de wijze van uitspreken.

Het gepseudonimiseerde vonnis wordt binnen een redelijke termijn bekendgemaakt via het Centraal register bedoeld in artikel 782, § 4.

Ingeval de bekendmaking bedoeld in het tweede lid onmogelijk is, spreekt de voorzitter het vonnis integraal mondeling uit, of stelt hij het vonnis ter beschikking van het publiek in de zittingszaal tot aan het einde van die zitting. De bekendmaking bedoeld in het tweede lid vindt plaats van zodra de onmogelijkheid ophoudt te bestaan.

Onverminderd het tweede lid kan de voorzitter van de kamer die het vonnis heeft gewezen, in alle gevallen, hetzij ambtshalve, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een van de partijen, beslissen de mondelinge uitspraak van het vonnis in openbare terechtzitting niet te beperken tot het beschikkend gedeelte.

In afwijking van het tweede lid en bij een met redenen omklede beslissing die in het vonnis wordt opgenomen, kan het gerecht dat het vonnis wijst, ambtshalve of op verzoek van een partij, en na de partijen gehoord te hebben, de bekendmaking van het gepseudonimiseerde vonnis verbieden of beslissen dat bepaalde onderdelen van de in het vonnis opgenomen motivering worden weggelaten uit het publiek raadpleegbare gepseudonimiseerde vonnis, wanneer de bekendmaking van dit gepseudonimiseerde vonnis of de betrokken onderdelen ervan onevenredig het recht van de partijen of andere personen betrokken in de zaak op de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer aantast, of hun andere fundamentele rechten en vrijheden, zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden. Indien het gerecht gebruik maakt van deze mogelijkheid, wordt het vonnis integraal uitgesproken of ter beschikking gesteld van het publiek in de zittingszaal tot aan het einde van de zitting. Tegen de beslissing van het gerecht over de omvang van de pseudonimisering of houdende verbod op bekendmaking van het gepseudonimiseerde vonnis, staat geen enkel rechtsmiddel open.

Indien evenwel een kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis overeenkomstig het eerste, derde of vierde lid uit te spreken waarvoor hij aan de beraadslaging heeft deelgenomen in de in artikel 778 bepaalde voorwaarden, kan de voorzitter van het gerecht een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen.

Na de uitspraak bedoeld in het eerste, derde of vierde lid, kunnen de partijen de integrale beslissing onmiddellijk raadplegen op de griffie.

In de gevallen bedoeld in artikel 782, § 2, tweede lid, is de beslissing raadpleegbaar vanaf de ondertekening ervan.

Art. 783

§ 1.Het zittingsblad bevat de volgende vermeldingen:

1°de dag en het uur waarop de zitting geopend en gesloten is;

2°de verrichte proceshandelingen;

3°elke behandelde zaak, met opgave van het nummer van inschrijving op de algemene rol en van de namen van de partijen en van hun advocaten;

4°de lijst van bijlages bij het zittingsblad.

§ 2.Het zittingsblad laat toe kennis te nemen van de minuut of, in voorkomend geval van het door de griffier eensluidend verklaard gedematerialiseerd afschrift van het tijdens de zitting gewezen vonnis.

§ 3.De bij de wet voorgeschreven meldingen op de kant van de minuut van het in gedematerialiseerde vorm opgemaakte en bewaarde vonnis worden opgemaakt door de griffier, die ze ondertekent met een gekwalificeerde elektronische handtekening, bedoeld in artikel 3, 12°, van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG. Zij worden verbonden met de vonnissen waarop ze betrekking hebben overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels.

§ 4.De rechter die de zitting heeft voorgezeten, ziet het zittingsblad na en ondertekent het samen met de griffier.

Art. 784

De zittingsbladen en hun bijlages zijn van een zelfde formaat en worden per jaar samengevoegd tot een register.

Het zittingsblad kan worden opgemaakt en bewaard in gedematerialiseerde vorm onder de voorwaarden vastgelegd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

De Koning kan de opmaak en bewaring bedoeld in het tweede lid opleggen aan de hoven of rechtbanken en hun griffies.

Art. 785

Indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, maakt de griffier daarvan melding onderaan op de akte en de beslissing is geldig met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.

Indien een akte niet kan worden ondertekend door de griffier die daaraan heeft medegewerkt, is het voldoende dat de voorzitter of de rechter die hem vervangt, de akte ondertekent en de onmogelijkheid vaststelt.

Art. 786

Indien alle rechters of een alleenrechtsprekend rechter in de onmogelijkheid verkeren om de uitgesproken beslissing te ondertekenen, vermeldt de griffier die onmogelijkheid onderaan op de akte en doet hij alles bevestigen door de voorzitter van de rechtbank of van het hof.

Deze formaliteit wordt eveneens in acht genomen, wanneer de vrederechter of rechter in de politierechtbank in de onmogelijkheid verkeert om het door hem gewezen vonnis te ondertekenen. In dat geval wordt het proces-verbaal van de griffier bevestigd door de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en in de arrondissementen Brussel en Eupen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

Wat de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, wordt het proces-verbaal bevestigd door de voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het diploma van licentiaat of master in de rechten waarvan hij houder is.

Verkeert de griffier in de onmogelijkheid om te tekenen, dan tekent de vrederechter of de rechter in de politierechtbank alleen, met vermelding van het voorval.

Art. 787

In de gevallen van de artikelen 785 en 786 zendt de griffier aan de procureur-generaal of aan de procureur des Konings bericht van die leemte binnen acht dagen na de uitspraak van het arrest of van het vonnis.

Art. 788

De procureur-generaal kan zich, ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende, de zittingsbladen of de processen-verbaal van de zittingen laten overleggen om na te gaan of aan de voorgaande bepalingen voldaan is. In geval van verzuim kan hij, naar gelang van het geval, dat verzuim doen herstellen, dan wel bericht ervan geven aan de eerste kamer van het hof, die op de schriftelijke conclusie van de procureur-generaal een van de rechters die deze zittingen hebben bijgewoond, kan machtigen om de akten of processen-verbaal te ondertekenen.

De procureur des Konings oefent hetzelfde toezicht uit als de procureur-generaal betreffende de zittingsbladen of de processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank van eerste aanleg, van de ondernemingsrechtbank en van de vredegerechten en politierechtbanken.

De arbeidsauditeur oefent dat toezicht uit bij de arbeidsrechtbank.

De procureur des Konings en de arbeidsauditeur brengen elk vastgesteld verzuim ter kennis van de procureur-generaal, die daarna handelt zoals hierboven is bepaald.

Art. 789

In het Hof van Cassatie wordt op gelijke wijze gehandeld voor de arresten en de zittingsbladen van dat hof.

Art. 790

Op straffe van nietigheid bevat de uitgifte een integraal afschrift van het vonnis, voorafgegaan door het opschrift en gevolgd door het formulier van tenuitvoerlegging.

Art. 791

De uitgifte wordt door de griffier afgegeven aan de partijen in het geding die erom verzoeken. Geen uitgifte mag worden afgegeven voordat het vonnis ondertekend is.art. 20, 021; Inwerkingtreding: 1993-03-01>

Art. 792

Binnen vijf dagen te rekenen van de uitspraak van de beslissing geeft de griffier, zowel in burgerlijke als in strafzaken, kennis dat de beslissing raadpleegbaar is via de portaalwebsite van Justitie aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. Die kennisgeving doet de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden niet lopen. Zij gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een partij betreft die niet door een advocaat wordt bijgestaan of vertegenwoordigd, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die partij, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, gebeurt de kennisgeving bij gewone brief. De partij die de kennisgeving bij gewone brief heeft ontvangen en de partij die niet door een advocaat wordt bijgestaan of vertegenwoordigd en die in de technische onmogelijkheid verkeert om verbinding te maken met de portaalwebsite van Justitie, kunnen aan de griffier vragen om een kosteloos niet-ondertekend afschrift van de beslissing te ontvangen, bij gewone brief of op elektronische wijze op een elektronisch adres van hun keuze.

(In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, (§ 2), (alsook inzake adoptie), en in alle andere gevallen waarin de kennisgeving de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel doet lopen, brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis en het in artikel 780/1 bedoelde informatieblad ter kennis van de partijen. In geval van verbetering of aanvulling van het informatieblad overeenkomstig artikel 780/1, derde lid, wordt het op dezelfde manier binnen een termijn van acht dagen ter kennis van de partijen gebracht.

Op straffe van nietigheid vermeldt iedere kennisgeving bedoeld in het tweede lid, uitdrukkelijk dat zij de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel, hernomen in het in artikel 780/1 bedoelde informatieblad, doet lopen en herneemt zij de tekst van artikel 47bis, tweede lid, en, naargelang het geval, van artikel 53bis, § 1, 1° of § 2.

(In de gevallen, bepaald in het tweede lid, zendt de griffier een niet-ondertekend afschrift van het vonnis, in voorkomend geval, aan de advocaten van de partijen of aan de afgevaardigden bedoeld in artikel 728, § 3.)