Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK IV _ BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN.

HOOFDSTUK XXVII Bescherming van bij het publiek debat betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht

1385/1–1385/7

Art. 1385/1

§ 1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1°publiek debat: het doen van enige verklaring of activiteit door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, vrijheid van kunsten en wetenschappen, of vrijheid van verzameling en vereniging, alsmede enige daarmee rechtstreeks verband houdende voorbereidende, ondersteunende of bijstandsverlenende activiteiten en die betrekking hebben op een zaak van algemeen belang;

2°zaak van algemeen belang: alle zaken die het publiek zodanig raken dat het publiek er om legitieme redenen interesse voor kan hebben;

3°misbruik van procesrecht gericht tegen het publiek debat: een gerechtelijke procedure die niet wordt ingeleid om daadwerkelijk een recht te doen gelden of uit te oefenen, maar die als voornaamste doel het voorkomen, beperken of bestraffen van het publiek debat heeft, en waarbij volledig of gedeeltelijk ongegronde vorderingen worden ingesteld.

§ 2.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en bestuursrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de Staat voor handelingen of omissies in de uitoefening van het overheidsgezag.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op arbitrage of strafzaken en laat het Wetboek van strafvordering en het strafprocesrecht onverlet.

Art. 1385/2

§ 1.Een rechtspersoon waarvan het maatschappelijk doel gericht is op de bescherming van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, en die voldoet aan de voorwaarden van artikel 17, tweede lid, 1° en 2°, kan na toelating of op verzoek van de rechter voor wie de zaak aanhangig is schriftelijke opmerkingen indienen om nuttige informatie te verstrekken die de rechter kan helpen bij zijn beoordeling van het onrechtmatige karakter van de procedure of de kennelijke ongegrondheid van de vordering, in het kader van een geschil dat onder de toepassing van dit hoofdstuk valt.

Het verzoek van de rechtspersoon om schriftelijke opmerkingen in te dienen, wordt per gewone brief aan de griffie gericht. De rechtspersoon toont in haar verzoek aan dat zij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.

§ 2.De schriftelijke opmerkingen worden ingediend binnen de door de rechter vastgestelde termijn en in ieder geval uiterlijk voor de sluiting van de debatten.

De schriftelijke opmerkingen die na de door de rechter vastgestelde termijn of zonder zijn toelating zijn ingediend, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

§ 3.Wanneer het verzoek om schriftelijke opmerkingen door de rechter wordt gedaan, beslist de rechtspersoon autonoom of het al dan niet opportuun is om eventuele opmerkingen in te dienen.

§ 4.De rechter voor wie de zaak aanhangig is, brengt die schriftelijke opmerkingen ter kennis van de partijen. De partijen hebben de mogelijkheid om hierop te antwoorden zonder dat de rechtspersoon kan repliceren.

§ 5.De rechter voor wie de zaak aanhangig is, is niet gebonden door de schriftelijke opmerkingen van de rechtspersoon.

§ 6.Het indienen van schriftelijke opmerkingen door de rechtspersoon krachtens dit artikel is onverenigbaar met het instellen van een rechtsvordering of een tussenkomst door die rechtspersoon in het kader van het betreffende geschil, zelfs wanneer de rechter met deze schriftelijke opmerkingen geen rekening houdt of ze ambtshalve uit de debatten weert.

Art. 1385/3

§ 1.Wanneer tegen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een vordering wordt ingesteld vanwege zijn betrokkenheid bij het publiek debat kan de rechter, teneinde de eventuele schadeloosstelling van alle door de verweerder geleden schade te waarborgen, de eiser ambtshalve verplichten een zekerheid te stellen waarvan de rechter de aard bepaalt.

§ 2.De zekerheid kan ook door de verweerder worden gevorderd, in elke stand van de rechtspleging.

De rechter doet uitspraak over de zekerheid met een vonnis alvorens recht te doen overeenkomstig artikel 19, derde lid.

§ 3.De rechter bepaalt het bedrag ten belope waarvan de zekerheid wordt bevolen.

De aan de eiser opgelegde zekerheid mag niet tot gevolg hebben dat zijn recht op toegang tot de rechter wordt belemmerd.

Op verzoek van een partij, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze in de loop van het geding het bedrag van de som of de aard van de verstrekte zekerheid wijzigen.

Art. 1385/4

§ 1.Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon tegen wie een vordering wordt ingesteld vanwege zijn betrokkenheid bij het publiek debat, kan in elke stand van de rechtspleging verzoeken om de vroegtijdige afwijzing van deze vordering wegens kennelijke ongegrondheid.

Het verzoek tot vroegtijdige afwijzing kan mondeling worden gedaan op de zitting, of schriftelijk worden verstuurd naar de griffie en meegedeeld aan de tegenpartij. Het verzoek is met redenen omkleed.

De mogelijkheid van een vroegtijdige afwijzing van de vordering kan ambtshalve worden opgeworpen door de rechter, die de partijen verzoekt om zich uit te spreken over de eventuele kennelijk ongegronde aard van de vordering.

§ 2.De bewijslast dat de vordering tegen deelname aan het publiek debat niet kennelijk ongegrond is, rust op de eiser die de procedure heeft ingeleid, zodat de eiser in dat geval wordt verzocht zijn vordering te onderbouwen opdat de rechter kan beoordelen of ze al dan niet kennelijk ongegrond is. In dit kader toont de verwerende partij aan dat zij het voorwerp uitmaakt van een vordering wegens haar deelname aan het publiek debat.

§ 3.De vroegtijdige afwijzing van de vordering wordt met voorrang boven alle andere zaken behandeld.

De vroegtijdige afwijzing wordt behandeld overeenkomstig artikel 735 of, indien deze na de inleidende zitting wordt verzocht, tijdens een zitting die op een nabije datum wordt vastgesteld. De conclusietermijnen worden ambtshalve en op een nabije datum door de rechter vastgesteld.

§ 4.Over het hoger beroep tegen het vonnis waarbij de vroegtijdige afwijzing van de kennelijk ongegronde vordering wordt bevolen, wordt uitspraak gedaan overeenkomstig artikel 1066.

De beslissing waarbij de vroegtijdige afwijzing wordt geweigerd, is niet vatbaar voor een rechtsmiddel.

§ 5.De vroegtijdige afwijzing van een kennelijk ongegronde vordering belet de rechter niet om die vordering te kwalificeren als misbruik van procesrecht gericht tegen het publiek debat wanneer hij de aanwezigheid vaststelt van dergelijke procedure, overeenkomstig artikelen 1385/1, § 1, 3°, en 1385/5.

Art. 1385/5

Bij de beoordeling of de vordering die tegen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is ingesteld vanwege zijn betrokkenheid bij het publiek debat, misbruik van procesrecht gericht tegen het publiek debat vormt, kan de rechter onder meer de volgende elementen in aanmerking nemen:

1°de onevenredige, buitensporige of onredelijke aard van de rechtsvordering of een deel daarvan, met inbegrip van de buitensporige waarde van het geschil;

2°het bestaan van meerdere procedures die door de eiser of met de eiser gelieerde partijen aanhangig zijn gemaakt in verband met soortgelijke aangelegenheden;

3°intimidatie, pesterijen of bedreigingen door de eiser of diens vertegenwoordigers voor of tijdens de gerechtelijke procedure, alsmede gelijksoortige gedragingen door de eiser in gelijksoortige of gelijktijdige zaken;

4°misbruik van ongelijke machtsverhoudingen, zoals een financieel voordeel of politieke of sociale invloed, om druk uit te oefenen op de verweerder;

5°het te kwader trouw gebruiken van procedurele tactieken, zoals het vertragen van de procedure of het te kwader trouw afstand doen van een zaak in een later stadium van de procedure;

6°het feit dat de rechtszaak doelbewust gericht is tegen personen in plaats van tegen de organisaties die verantwoordelijk zijn voor de betwiste daad.

Art. 1385/6

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in België woont of gevestigd is en ten aanzien van wie misbruik van procesrecht gericht tegen het publiek debat werd gemaakt voor een gerecht van een Staat buiten de Europese Unie, kan bij het gerecht van zijn woonplaats, zetel of hoofdvestiging vergoeding vorderen van alle schade en kosten die in verband met de procedure zijn geleden.

Indien de gerechtelijke procedure tegen de betrokkenheid bij het publiek debat die in een Staat buiten de Europese Unie is ingeleid, aanhangig is, stelt de rechter zijn uitspraak over de bij hem ingestelde vordering tot vergoeding uit.

Art. 1385/7

Het College van de hoven en rechtbanken verstrekt de Europese Commissie, het Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de rechten van de mens en de minister van Justitie jaarlijks, indien beschikbaar, statistische gegevens over:

a)het aantal rechterlijke beslissingen inzake misbruik van procesrecht gericht tegen het publiek debat, zoals omschreven in artikel 1385/1, § 1, 3°, dat in het betrokken jaar is uitgesproken;

b)het aantal rechterlijke beslissingen inzake misbruik van procesrecht gericht tegen het publiek debat, zoals omschreven in artikel 1385/1, § 1, 3°, ingedeeld naar soort verweerder en eiser;

c)het aantal rechterlijke beslissingen inzake misbruik van procesrecht gericht tegen het publiek debat, zoals omschreven in artikel 1385/1, § 1, 3°, ingedeeld naar soort vordering.

Hierbij worden geen persoonsgegevens aan de Europese Commissie doorgegeven.