Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL I Algemene beginselen (art. 1–57)

HOOFDSTUK III _ Vonnissen en arresten.

19–22

Art. 19

Het vonnis is een eindvonnis inzover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.

De rechter die zijn rechtsmacht over een geschilpunt heeft uitgeput, kan terzake niet meer worden geadieerd, behoudens de bij dit Wetboek bepaalde uitzonderingen.

(Alvorens recht te doen, kan de rechter, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen. De meest gerede partij kan hiertoe de zaak in elke stand van het geding voor de rechter brengen bij eenvoudig schriftelijk verzoek neergelegd ter of toegezonden aan de griffie in zoveel exemplaren als er partijen in het geding zijn, vermeerderd met één; de griffier roept de partijen en, in voorkomend geval, hun advocaat op bij gewone brief of, ingeval de partij verstek heeft laten gaan op de inleidingszitting en geen advocaat heeft, bij gerechtsbrief.) Bij deze oproeping wordt een exemplaar van het verzoek gevoegd.

Art. 20

Middelen van nietigheid kunnen niet worden aangewend tegen vonnissen. Deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen of, in voorkomend geval, verbeterd door de procedures bij de wet bepaald.

Art. 21

De gewone rechtsmiddelen zijn verzet en hoger beroep.

Bovendien zijn er, naar gelang van het geval, buitengewone rechtsmiddelen: voorziening in cassatie, derden-verzet, verzoek tot herroeping van gewijsde en verhaal op de rechter.

Art. 22

De beslissingen van de gerechtshoven worden arresten genoemd.