(10)Bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid is er een Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het Instituut is een openbare instelling en heeft rechtspersoonlijkheid. Onverminderd artikel 213, § 1, is het Instituut onderworpen aan de regelen welke de wet van 16 maart 1954 op de controle van sommige instellingen van openbaar nut vaststelt voor de in artikel 1, D, van die wet bedoelde instellingen.
TITEL II - Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
10–13/5
Art. 11
(11)Het in artikel 12 omschreven beheer van het Instituut wordt waargenomen door een Algemeen beheerscomité dat samengesteld is uit een gelijk aantal:
a)vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisatie en vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zelfstandigen;
b)vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;
c)vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen.
De Koning stelt het aantal werkende en plaatsvervangende leden vast en benoemt ze. Hij benoemt de voorzitter en de ondervoorzitters. Hij bepaalt de werkingsregelen van het Algemeen comité.
Twee regeringscommissarissen, die de Koning benoemt op voordracht van respectievelijk de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft, (en een afgevaardigde van de minister die het sociaal statuut van de zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft) wonen de vergaderingen van het Algemeen comité bij. (De afgevaardigde van de minister die het sociaal statuut van de zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft, heeft dezelfde bevoegdheden als de regeringscommissarissen.)
Art. 12
(12)Het Algemeen comité:
1°waakt over de eenvormige toepassing van het statuut op alle personeelsleden;
2°(stelt de Minister de wijzigingen voor in de personeelsformatie);
3°(doet onder de in het statuut gestelde voorwaarden uitspraak over de aanwerving, de benoeming, de dienstaanwijzing, de bevordering, het ontslag en de afzetting van het personeel, alsmede over de tuchtstraffen die het moeten worden opgelegd, onverminderd artikel 185, § 2;)
(3°bis. wijst de bevoegde hiërarchische meerderen aan die de voorlopige voorstellen inzake tuchtstraffen formuleren.)
4°verenigt in één document de begroting van de Algemene diensten en van de Bijzondere diensten van het Instituut en zendt het over aan de Minister;
5°maakt een gemeenschappelijke rekening op van de Algemene diensten en van de Bijzondere diensten van het Instituut en zendt deze over aan de Minister;
6°stelt de rekening vast en maakt de begroting op van de administratiekosten van het Instituut;
(7° wijst de (in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bis a), 6° tot 9° en 12° tot 20° en 23°) bedoelde inkomsten onder de in of krachtens deze gecoördineerde wet gestelde voorwaarden toe aan de tak geneeskundige verzorging en aan de tak uitkeringen (en aan de tak invaliditeitspensioenen (als bedoeld in artikel 2, § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers);)
8°stelt de richtlijnen vast met het oog op de organisatie van de administratieve controle;
9°beslist over de adviezen en de voorstellen van de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle en maakt deze in voorkomend geval over aan de minister;
10°...
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de Administrateur-generaal beslissen over de rechtsvordering. Die vordering wordt ter goedkeuring aan het Algemeen comité voorgelegd (...). Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingestelde vordering afstand te worden gedaan;
11°stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het de Koning ter goedkeuring voor.
Art. 13
(13)Het dagelijks beheer van het Instituut wordt onder het gezag van het Algemeen comité en de beheersorganen van de bijzondere diensten uitgeoefend door de administrateur-generaal bijgestaan door de adjunct administrateur-generaal. Zij worden terzijde gestaan door de ambtenaren bedoeld in artikel 177, tweede lid, voor de leiding van de in de titels III, IV, VIbis en VII voorziene bijzondere diensten, in een Directiecomité dat vergadert onder hun gezag.
Art. 13/1
§ 1.In het Instituut wordt een bijzondere commissie ingesteld, genoemd Anti Fraude Commissie, met een adviserende en coördinerende rol. Deze commissie wordt voorgezeten door de Administrateur-generaal van het Instituut, of de door hem aangewezen ambtenaar.
Deze commissie is paritair samengesteld enerzijds uit leden van, de Dienst voor geneeskundige verzorging, de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle en de Dienst voor administratieve controle, en anderzijds uit vertegenwoordigers de verzekering instellingen. De leden van de Diensten van het Instituut worden aangewezen door de Leidend ambtenaren van deze Diensten; de leden die de verzekering instellingen vertegenwoordigen, worden aangewezen binnen het Nationaal Intermutualistisch College.
§ 2.Binnen het domein van de strijd tegen de fraude in de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, is deze commissie er onder meer mee belast:
1°het uitvoeren van studieopdrachten met het oog op de vereenvoudiging en coördinatie van de werkzaamheden van het Instituut en het Nationaal Intermutualistisch College op het gebied van de uitvoering van de wettelijke opdrachten van de diensten van het Instituut en van de advi adviserend-artsen;
2°het afstemmen en coördineren van de informatiestromen tussen het Instituut en het Nationaal Intermutualistisch College met het oog op gemeenschappelijke acties of het vermijden van acties verschillend in de tijd ten opzichte van dezelfde doelgroep of individu, met respect voor het geheim van het onderzoek waartoe de controlediensten van het Instituut gehouden zijn;
3°het afstemmen van de acties van het Nationaal Intermutualistisch College en de Diensten van het Instituut inzake het opsporen en vervolgen van fraude, met respect voor en zonder inmenging in de wettelijke bevoegdheden van de Diensten van het Instituut en de adviserend artsen;
4°het voorstellen en uitwerken van werkmethodes binnen de bestaande wettelijke context om te komen tot een eenvormigheid van het optreden;
5°het gemeenschappelijk voorstellen van aanbevelingen tot aanpassing van de regelgeving, wanneer die noodzaak zich aandient na analyse van de acties van het Nationaal Intermutualistisch College of de Diensten van het Instituut.
6°het aflijnen van de richtlijnen uit te werken die de contouren van het begrip "ernstige, nauwkeurige en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen", zoals bedoeld in artikel 77sexies.
De commissie rapporteert semestrieel aan het Algemeen Beheerscomité over de vooruitgang in de samenwerking tussen de Diensten van het Instituut en het Nationaal Intermutualistisch College op het gebied van de strijd tegen de fraude in de gezondheidszorg.
§ 3.De Koning kan aanvullende regels vaststellen met betrekking tot de samenstelling en de werking van de Anti Fraude Commissie.
Art. 13/2
Binnen het Instituut wordt een patiënten forum opgericht dat als missie heeft om de behoeften van de patiënten in rekening te brengen zoals uitgedrukt door de patiëntenorganisaties, in de ontwikkeling van beleid dat verband houdt met de bevoegdheden van het Instituut.
Het heeft eveneens als missie om aan de Minister de vertegenwoordigers van patiëntenverenigingen binnen de in artikel 29bis bedoelde Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen voor te stellen en om aan deze Commissie in functie van de behandelde onderwerpen de externe deskundigen voor de patiëntenverenigingen voor te stellen, om aan de Minister de vertegenwoordigers van patiëntenverenigingen binnen de in artikel 31ter bedoelde Commissie voor advies in geval van tijdelijke tegemoetkoming voor het gebruik van een geneesmiddel voor te stellen en om aanvragen te coördineren van deze Commissies richting patiëntenverenigingen en van patiëntenverenigingen richting deze Commissies.
De Koning bepaalt de samenstelling van dit forum en waakt daarbij over een evenwichtige vertegenwoordiging van de patiëntenorganisaties. Hij bepaalt op dezelfde wijze de werkingsregels van dit forum.
Art. 13/3
. § 1. Binnen het Instituut wordt een GAOCIT-databank opgericht die de in de paragraaf 2 omschreven gegevens bevat van de door de behandelend artsen aan de verzekeringsinstelling en, in voorkomend geval, aan de werkgever verzonden elektronische getuigschriften van arbeidsongeschiktheid van de rechthebbenden op uitkeringen bedoeld in artikel 86, § 1, en in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten.
§ 2.De volgende categorieën van gegevens worden voor elk elektronisch getuigschrift in de GAOCIT-databank geregistreerd waarbij voor de rechthebbende op uitkeringen het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid steeds wordt gepseudonimiseerd:
1°de identiteitsgegevens van de volgende natuurlijke personen:
a)voor de rechthebbende op uitkeringen, het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de voormelde wet van 15 januari 1990;
b)voor de behandelend arts, het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de voormelde wet van 15 januari 1990 of het RIZIV-nummer;
2°de begindatum en de einddatum van de periode van arbeidsongeschiktheid;
3°een diagnose of een pathologie, beide op uniforme wijze gecodeerd;
4°indien beschikbaar, de vermelding dat het de eerste aangifte van de arbeidsongeschiktheid of de verlenging van de arbeidsongeschiktheid betreft;
5°de datum waarop het elektronisch getuigschrift is opgesteld.
§ 3.De verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 2 beoogt de volgende doeleinden:
1°het verzamelen van kennis over het voorschrijfgedrag van de behandelend arts op basis van het aantal door deze arts opgestelde getuigschriften en dit rekening houdend met de grootte en de patiëntenpopulatie van zijn artsenpraktijk, evenals over de duur van de arbeidsongeschiktheid, in voorkomend geval, gekoppeld aan de diagnose of pathologie bij de betrokken rechthebbende op uitkeringen.
Deze kennisverzameling moet enerzijds de behandelende artsen in staat stellen:
a)te kunnen beschikken over zelfbeheertools en richtlijnen om hen te ondersteunen in hun voorschrijfgedrag in het kader van de arbeidsongeschiktheid en hen toe te laten hun voorschrijfgedrag, in voorkomend geval, te evalueren of aan te passen aan wetenschappelijk onderbouwde "normen" en het voorschrijfgedrag van hun collega's in eenzelfde regio;
b)het vermijden of remediëren van een oneigenlijk voorschrijfgedrag dat, naargelang het geval, bestaat uit het voorschrijven van een abnormaal lange arbeidsongeschiktheid, rekening houdend met de betrokken diagnose of pathologie en de toepasselijke richtlijnen in de betrokken situatie.
Deze kennisverzameling moet anderzijds het Instituut in staat stellen in het kader van de uitoefening van zijn opdrachten inzake de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid:
a)de betrokken behandelende artsen een rapport te bezorgen waarin zij geïnformeerd worden over hun voorschrijfgedrag;
b)het besluitvormingsproces inzake de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid te optimaliseren.
In het kader van deze kennisverzameling kan het identificatienummer, bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de rechthebbende op uitkeringen in de betrokken dossiers, in voorkomend geval, worden gedepseudonimiseerd.
2°het verzamelen van kennis over de therapeutische relatie die de betrokken rechthebbende op uitkeringen in geval van een voorschrijven van een periode van arbeidsongeschiktheid met één of meerdere behandelende artsen heeft en dit rekening houdend met de frequentie van raadpleging van deze behandelend artsen om oneigenlijk gebruik van deze therapeutische relatie, hetgeen leidt tot het herhaald voorschrijven van al dan niet opeenvolgende ongerechtvaardigde arbeidsongeschiktheden, al naargelang het geval, te vermijden of te remediëren. In dit kader kan het identificatienummer, bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de rechthebbende op uitkeringen, in voorkomend geval, worden gedepseudonimiseerd.
De behandelend arts ontvangt een rapport opgesteld op basis van de gegevensverwerking bedoeld in het eerste lid dat hem informeert over zijn voorschrijfgedrag. De Koning bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn op het opstellen en verzenden van dit rapport.
§ 4.De personeelsleden van de Dienst voor uitkeringen, de Dienst voor geneeskundige verzorging en de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Instituut belast met de uitvoering van opdrachten waarvoor de gegevens van de GAOCIT-databank nodig zijn, hebben toegang tot alle in dit kader verwerkte gegevens, bedoeld in paragraaf 2.
De volgende personeelsleden kunnen echter voor de uitoefening van hun respectievelijke controleopdrachten in het kader van de behandeling van individuele dossiers, geval per geval, vragen aan het eHealth-platform om toegang te hebben tot het gedepseudonimiseerde identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de voormelde wet van 15 januari 1990 van de personen die vermeld zijn in de dossiers waarvoor er klaarblijkelijke aanwijzingen zijn die wijzen op een oneigenlijk voorschrijfgedrag door de behandelend arts of op een oneigenlijk gebruik van de therapeutische relatie door de rechthebbende op uitkeringen:
1°de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, voor de opdrachten die hen krachtens artikel 82, tweede lid, zijn toebedeeld;
2°de sociaal inspecteurs van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, voor de opdrachten die hen krachtens artikel 139, vierde lid, zijn toebedeeld.
De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de uitvoering van de toegang tot het gedepseudonimiseerde identificatienummer bedoeld in het tweede lid.
§ 5.Het Instituut is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, bedoeld in paragraaf 2.
§ 6.De gegevens in de GAOCIT-databank worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstelling van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het desbetreffende elektronische getuigschrift is opgesteld.
Art. 13/4
De beheersorganen of andere organen van het Instituut en zijn bijzondere diensten zoals voorzien door of krachtens deze wet kunnen in ieder geval:
1°vergaderingen op afstand houden;
2°de documenten met betrekking tot al hun vergaderingen elektronisch beschikbaar stellen;
3°een elektronisch stemsysteem gebruiken.
Art. 13/5
De leden van de beheersorganen of andere organen van het Instituut en zijn bijzondere diensten zoals voorzien in deze wet, kunnen niet benoemd worden wanneer zij in de vijf jaar voorafgaand aan hun benoeming door de organen van artikel 143 en artikel 144 veroordeeld werden voor een inbreuk zoals bedoeld in artikel 73bis of door de rechterlijke macht voor valsheid, gebruik van valse stukken, onjuiste of onvolledige verklaringen of oplichting zoals bedoeld in het Sociaal Strafwetboek in verband met de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Deze leden kunnen ook niet benoemd worden wanneer zij nog een schuld ten aanzien van het Instituut moeten voldoen.
De Koning beëindigt vroegtijdig het mandaat van een lid wanneer hij niet meer voldoet aan de benoemingsvoorwaarden.