Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling VIquater - Fysieke contacten tijdens de arbeidsongeschiktheid, het "Terug Naar Werk-traject" en het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie.

215octies–215septiesdecies/1

Art. 215octies

§ 1.In deze afdeling wordt verstaan onder:

1°het "Terug Naar Werk-traject": het "Terug Naar Werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/1 van de gecoördineerde wet;

2°de "Terug Naar Werk-coördinator": de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds bedoeld in artikel 100, § 1/1 van de gecoördineerde wet;

3°het "Terug Naar Werk-dossier": het elektronische dossier van de gerechtigde in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet;

4°de "medewerker van het multidisciplinaire team": de medewerker van het multidisciplinaire team bedoeld in artikel 102 van de gecoördineerde wet.

§ 2.Om als "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds te kunnen fungeren, dienen de volgende voorwaarden te zijn vervuld:

1°de betrokkene beschikt minstens over een diploma op grond waarvan hij in aanmerking komt voor de toelating tot de federale overheidsdiensten wat het niveau B betreft overeenkomstig de bijlage van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;

2°de betrokkene heeft de door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering georganiseerde opleiding "Disability Management" gevolgd en heeft minstens de helft van de punten behaald op het in het kader van deze opleiding georganiseerde examen "Certified Return to Work Coordinator". Indien de betrokkene bij de opname van de functie als "Terug Naar Werk-coördinator" echter niet zou voldoen aan de voormelde voorwaarden, dienen zij te zijn vervuld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de opname van deze functie;

3°de betrokkene neemt na het opnemen van de functie per jaar deel aan twee door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ingerichte intervisiemomenten.

§ 3.Met respect voor het beroepsgeheim neemt de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds alle nuttige maatregelen in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" en contacteert hij, in samenspraak met de adviserend arts en met het akkoord van de gerechtigde, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die kan bijdragen tot de sociaalprofessionele re-integratie van deze gerechtigde, evenals ondersteunt hij de gerechtigde in de contacten met voornoemde natuurlijke personen of rechtspersonen. In het bijzonder verricht de "Terug Naar Werk-coördinator" de volgende opdrachten tijdens het "Terug Naar Werk-traject":

1°de organisatie van het eerste contactmoment met de gerechtigde, zowel op vraag van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team als op eigen initiatief van de gerechtigde, evenals van de volgende noodzakelijk geachte contactmomenten in het kader van de passende aanpassings- en/of begeleidingsacties;

2°de ondersteuning van de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming, bij de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-71/4 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject door de gerechtigde zelf bij de preventieadviseur-arbeidsarts bedoeld in artikel I.4-73, § 1, 1° van de codex over het welzijn op het werk;

3°de registratie in het "Terug Naar Werk-dossier" en de opvolging, zowel op algemeen vlak als per individueel dossier in voorkomend geval na een doorverwijzing bedoeld in artikel 215undecies, § 1, van de verschillende ondernomen acties, inclusief het behaalde resultaat van het "Terug Naar Werk-traject".

Art. 215novies

Het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in deze afdeling beoogt in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" de sociaalprofessionele re-integratie te bevorderen van de gerechtigde die niet meer tewerkgesteld is of niet meer tewerkgesteld kan worden door zijn werkgever, door hem te begeleiden naar een functie bij een andere werkgever of in een andere bedrijfstak.

Art. 215decies

Tien weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid stuurt de adviserend arts een vragenlijst op naar de gerechtigde op grond waarvan wordt nagegaan welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, naargelang het geval, een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld naar de adviserend arts terug te sturen. Indien de adviserend arts de vragenlijst echter niet binnen een termijn van twee weken heeft ontvangen, vraagt hij aan de "Terug Naar Werk-coördinator" dat contact wordt opgenomen met de gerechtigde en, in voorkomend geval, zal hem de nodige ondersteuning bij het invullen worden geboden.

In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts niet tot het verzenden van de vragenlijst over in de volgende situaties:

1°de ernst van de pathologie van de gerechtigde rechtvaardigt het niet verzenden van de vragenlijst;

2°de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;

3°de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;

4°na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.

5°de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:

a)tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;

b)na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.

Art. 215decies/1

Uiterlijk op de laatste dag van de vierde maand van de arbeidsongeschiktheid vindt een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats. Tijdens dit contact wordt de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde geëvalueerd en wordt informatie over de re-integratie verstrekt.

Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:

1°de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:

a)overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;

b)overeenkomstig artikel 239.

2°de adviserend arts oordeelt dat het fysieke contact gelet op de ernst van de pathologie van de gerechtigde niet noodzakelijk is. Deze beslissing wordt in het medisch dossier van de gerechtigde vermeld.

Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.

3°de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:

a)tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;

b)na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.

Art. 215decies/2

Uiterlijk op de laatste dag van de vierde maand van de arbeidsongeschiktheid maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", onder andere op basis van het medisch dossier van de gerechtigde en de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, een eerste inschatting van zijn arbeidspotentieel op. Indien het voor de gerechtigde, ondanks de geboden ondersteuning bedoeld in artikel 215decies, eerste lid, niet mogelijk is geweest om de verzonden vragenlijst in te vullen, nodigt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team hem in het kader van deze inschatting van het arbeidspotentieel voor een fysiek contact uit tenzij uit de ter beschikking gestelde medische informatie blijkt dat het invullen van de vragenlijst niet mogelijk is en een fysiek contact op dat moment niet aangewezen is.

Op grond van de verrichte inschatting van zijn arbeidspotentieel bedoeld in het eerste lid plaatst de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën:

1°categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de arbeidsongeschiktheid spontaan, naargelang het geval, het overeengekomen werk zal hervatten of een beroep op de reguliere arbeidsmarkt zal opnemen;

2°categorie 2: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;

3°categorie 3: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;

4°categorie 4: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt lijkt mogelijk te zijn na één of meerdere aanpassings- en/of begeleidingsacties.

Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team is geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van het arbeidspotentieel valideren. In geval van een niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.

In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de eerste inschatting van het arbeidspotentieel van de gerechtigde over in de volgende situaties:

1°de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;

2°de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;

3°een "Terug Naar Werk-traject" is opgestart na een doorverwijzing door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, of, na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, op vraag van de gerechtigde en dit traject is nog lopende.

3°/1de gerechtigde heeft zelf of na een doorverwijzing door de preventieadviseur-arbeidsarts overeenkomstig artikel I.4-76, § 3, van de codex over het welzijn op het werk rechtstreeks contact opgenomen met de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie met het oog op de opstart van een "Terug Naar Werk-traject" en dit traject is nog lopende.

4°de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:

a)tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;

b)na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.

Art. 215decies/3

In de loop van de zevende maand van de arbeidsongeschiktheid vindt met het oog op de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats in de volgende situaties:

1°de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 1 geplaatst;

2°de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 3 geplaatst;

3°de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 4 geplaatst en hij beslist om niet deel te nemen aan het "Terug Naar Werk-traject" overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling;

4°de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, vierde lid, 1° of 2°, niet in een categorie geplaatst.

Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:

1°de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:

a)overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;

b)overeenkomstig artikel 239.

2°de adviserend arts oordeelt dat het fysieke contact gelet op de ernst van de pathologie van de gerechtigde niet noodzakelijk is en deze beslissing wordt in het medisch dossier van de gerechtigde vermeld;

3°een "Terug Naar Werk-traject" is opgestart na een doorverwijzing door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, of, na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, op vraag van de gerechtigde en dit traject is nog lopende.

Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.

Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het derde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van zijn arbeidspotentieel op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.

Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van het arbeidspotentieel valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.

In afwijking van het vierde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van het arbeidspotentieel" van de gerechtigde over in de volgende situaties:

1°de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;

2°de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;

3°een "Terug Naar Werk-traject" is opgestart na een doorverwijzing door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, of, na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, op vraag van de gerechtigde en dit traject is nog lopende.

4°de gerechtigde heeft zelf of na een doorverwijzing door de preventieadviseur-arbeidsarts overeenkomstig artikel I.4-76, § 3, van de codex over het welzijn op het werk rechtstreeks contact opgenomen met de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie met het oog op de opstart van een "Terug Naar Werk-traject" en dit traject is nog lopende.

Art. 215decies/4

In de loop van de elfde maand van de arbeidsongeschiktheid vindt met het oog op de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid en in voorkomend geval de mededeling van het voorstel overeenkomstig artikel 177, § 1, 1°, een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats.

In afwijking van het eerste lid kan het fysieke contact in de loop van de elfde maand van de arbeidsongeschiktheid slechts met de medewerker van het multidisciplinaire team plaatsvinden op voorwaarde dat het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/3, eerste lid, met de adviserend arts heeft plaatsgevonden.

Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:

1°de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:

a)overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;

b)overeenkomstig artikel 239.

2°de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 1°, mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.

Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.

Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van zijn arbeidspotentieel op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.

Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van het arbeidspotentieel valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.

In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van het arbeidspotentieel van de gerechtigde over in de volgende situaties:

1°de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;

2°de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;

3°een "Terug Naar Werk-traject" is opgestart na een doorverwijzing door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, of, na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, op vraag van de gerechtigde en dit traject is nog lopende.

4°de gerechtigde heeft zelf of na een doorverwijzing door de preventieadviseur-arbeidsarts overeenkomstig artikel I.4-76, § 3, van de codex over het welzijn op het werk rechtstreeks contact opgenomen met de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie met het oog op de opstart van een "Terug Naar Werk-traject" en dit traject is nog lopende.

Art. 215decies/5

In de loop van de voorlaatste maand vóór het verstrijken van elk tijdvak waarvoor de Geneeskundige raad voor invaliditeit de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, vindt met het oog op de evaluatie van de staat van invaliditeit en in voorkomend geval de mededeling van het voorstel overeenkomstig artikel 177, § 1, 2°, een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats.

In afwijking van het eerste lid en als het gaat om het fysieke contact dat plaatsvindt tijdens de voorlaatste maand vóór het verstrijken van het eerste tijdvak waarvoor de Geneeskundige raad voor invaliditeit de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, kan het fysieke contact enkel met de adviserend arts plaatsvinden als het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/4, eerste lid, met de medewerker van het multidisciplinaire team heeft plaatsgevonden.

Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:

1°de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:

a)overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;

b)overeenkomstig artikel 239.

2°de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 2°, mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.

Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.

Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van zijn arbeidspotentieelop. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.

Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van het arbeidspotentieel valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.

In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van het arbeidspotentieel van de gerechtigde over in de volgende situaties:

1°de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;

2°de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;

3°een "Terug Naar Werk-traject" is opgestart na een doorverwijzing door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, of, na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, op vraag van de gerechtigde en dit traject is nog lopende.

4°de gerechtigde heeft zelf of na een doorverwijzing door de preventieadviseur-arbeidsarts overeenkomstig artikel I.4-76, § 3, van de codex over het welzijn op het werk rechtstreeks contact opgenomen met de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie met het oog op de opstart van een "Terug Naar Werk-traject" en dit traject is nog lopende.

Art. 215decies/6

Onverminderd de inschatting van het arbeidspotentieel overeenkomstig de artikelen 215decies/2 tot en met 215decies/5, kan de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team het arbeidspotentieel van de gerechtigde inschatten op elk ander moment tijdens de arbeidsongeschiktheid. Op grond van deze inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.

Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van het arbeidspotentieel valideren. In geval van niet-instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.

In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team echter niet tot de inschatting van het arbeidspotentieel van de gerechtigde over in de volgende situaties:

1°de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende.

2°de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet.

3°een "Terug Naar Werk-traject" is opgestart na een doorverwijzing door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, of, na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, op vraag van de gerechtigde en dit traject is nog lopende.";

4°de gerechtigde heeft zelf of na een doorverwijzing door de preventieadviseur-arbeidsarts overeenkomstig artikel I.4-76, § 3, van de codex over het welzijn op het werk rechtstreeks contact opgenomen met de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie met het oog op de opstart van een "Terug Naar Werk-traject" en dit traject is nog lopende.

5°de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:

a)tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;

b)na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.

Art. 215undecies

§ 1.Als de gerechtigde op een bepaald moment in de loop van de arbeidsongeschiktheid in de categorie 4 bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, 4°, is geplaatst, verwijst de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team in het kader van de opstart van een "Terug Naar Werk-traject", al naargelang van het geval, de gerechtigde door naar:

a)de "Terug Naar Werk-coördinator" met het oog op een eerste contactmoment;

b)de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-71/4 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI van de voormelde codex;

c)de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie als een eerste contactmoment met de "Terug Naar Werk-coördinator" en een verdere ondersteuning van de gerechtigde door de "Terug Naar Werk-coördinator" in het kader van de passende aanpassings- en/of begeleidingsacties niet nodig wordt geacht voor het verdere verloop van het "Terug Naar Werk-traject".

De doorverwijzing bedoeld in het eerste lid wordt in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde geregistreerd.

§ 2.In geval van een doorverwijzing bedoeld in paragraaf 1, a), vindt het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde plaats:

1°uiterlijk tijdens de zesde maand van arbeidsongeschiktheid in geval van een gerechtigde die overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 4 wordt geplaatst;

2°binnen één maand na de doorverwijzing, naargelang het geval, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team van de gerechtigde die overeenkomstig artikel 215decies/3, vierde en vijfde lid, artikel 215decies/4, vijfde en zesde lid, artikel 215decies/5, vijfde en zesde lid en artikel 215decies/6, eerste en tweede lid, in de categorie 4 wordt geplaatst.

Tijdens dit eerste contactmoment licht hij zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na. De "Terug Naar Werk-coördinator" verwijst de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming en met de nodige ondersteuning, tijdens het eerste contactmoment naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-71/4 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI van de voormelde codex.

Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het vorige lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet.

De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het eerste lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.

In afwijking van het eerste lid vindt er geen eerste contactmoment met de "Terug Naar Werk-coördinator" plaats als de gerechtigde een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet verricht.

§ 3.Zodra de adviserend arts een kopie krijgt van het re-integratieplan overeenkomstig artikel I.4-74, § 2, tweede lid, van de codex over het welzijn op het werk..., gaat hij na of het uitvoeren van het re-integratieplan een einde maakt aan de staat van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet.

Indien het re-integratieplan bestaat uit een toegelaten arbeid bij de desbetreffende werkgever zoals bepaald in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet, is de gerechtigde er niet toe gehouden om de toelating van de adviserend arts te vragen, maar gaat de adviserend arts zelf na of het re-integratieplan overeenstemt met de voorwaarden voor een toegelaten arbeid. In voorkomend geval attesteert de adviserend arts de modaliteiten van zijn toelating.

De adviserend arts deelt zo spoedig mogelijk zijn bevindingen met betrekking tot de staat van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet of zijn beslissing in verband met de toegelaten arbeid in de zin van artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet aan de preventieadviseur-arbeidsarts mee.

Als de adviserend arts geen reactie geeft binnen de drie weken na ontvangst van de kopie van het re-integratieplan, wordt er verondersteld dat het uitvoeren van het re-integratieplan geen einde zal maken aan de staat van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet en dat de beslissing van de adviserend arts in verband met de toegelaten arbeid in de zin van artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet positief is.

Art. 215duodecies

Onverminderd de toepassing van artikel 215decies/2, eerste lid kan de gerechtigde zelf de "Terug Naar Werk-coördinator" op elk ogenblik tijdens de arbeidsongeschiktheid vragen om een eerste contactmoment in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" te organiseren. De "Terug Naar Werk-coördinator" informeert de adviserend arts over dit verzoek.

Ter voorbereiding van dit eerste contactmoment wordt de gerechtigde uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen die nagaat welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, al naargelang het geval, een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld terug te sturen.

In afwijking van het vorige lid, wordt geen vragenlijst naar de gerechtigde opgestuurd indien deze gerechtigde tijdens de lopende arbeidsongeschiktheid al een vragenlijst heeft ingevuld en er wordt geoordeeld dat een actualisatie van de verstrekte antwoorden niet nodig is.

Binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, vindt het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" plaats. Tijdens dit eerste contactmoment licht hij zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na. De "Terug Naar Werk-coördinator" verwijst de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming en met de nodige ondersteuning, tijdens het eerste contactmoment naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-71/4 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI van de voormelde codex.

Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het vorige lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet.

De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het vierde lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.

Art. 215terdecies

§ 1.Na het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215duodecies informeert de "Terug Naar Werk-coördinator" de adviserend arts over de inhoud ervan en vraagt hem om toestemming om een "Terug Naar Werk-traject" op te starten.

§ 2.Indien de adviserend arts oordeelt dat het opstarten van een "Terug Naar Werk-traject" niet verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand, vindt een nieuw contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde binnen de maand na het vorige contactmoment plaats om de door de adviserend arts verrichte inschatting te bespreken.

De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het nieuwe contactmoment bedoeld in het vorige lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.

Art. 215quaterdecies

In de volgende gevallen start de "Terug Naar Werk-coördinator", in overleg met de adviserend arts en de gerechtigde, een re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie in de zin van artikel 215novies op...:

1°de niet door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde heeft tijdens... het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215duodecies en mits een goedkeuring van de adviserend arts of tijdens een nieuw contactmoment bedoeld in artikel 215terdecies, § 2, ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;

2°de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde die niet is doorverwezen naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-71/4 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI van de voormelde codex, heeft tijdens het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215undecies, § 2, het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215duodecies en mits een goedkeuring van de adviserend arts of tijdens een nieuw contactmoment bedoeld in artikel 215terdecies, § 2, ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;

3°de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde beslist om na het bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-71/4 van de codex over het welzijn op het werk niet aan de preventieadviseur-arbeidsarts te vragen een re-integratietraject zoals bedoeld in afdeling 2 van boek I, titel 4, hoofdstuk VI van de codex over het welzijn op het werk op te starten en deze gerechtigde heeft na een contact met de "Terug Naar Werk-coördinator" ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;

4°het re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de codex over het welzijn op het werk van de gerechtigde... is definitief beëindigd overeenkomstig artikel I.4-76, § 1, van de codex over het welzijn op het werk en de gerechtigde heeft na een contact met de "Terug Naar Werk-coördinator" ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn.

Indien het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie overeenkomstig het vorige lid, 2° of 3° wordt opgestart, licht de "Terug Naar Werk-coördinator" de preventieadviseur-arbeidsarts in.

Indien de preventieadviseur-arbeidsarts evenwel overeenkomstig artikel I.4-73, § 1, tweede lid van de codex over het welzijn op het werk aan de adviserend arts meedeelt dat hij een re-integratieverzoek van de werkgever heeft ontvangen, schort de "Terug Naar Werk-coördinator" de uitvoering van het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie in de zin van artikel 215novies op. Wanneer dat re-integratietraject van de gerechtigde... definitief is beëindigd overeenkomstig artikel I.4-76, § 1, van de codex over het welzijn op het werk, start de "Terug Naar Werk-coördinator" het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie opnieuw op.

Art. 215quinquiesdecies

In het kader van het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie in de zin van artikel 215novies wordt de gerechtigde uitgenodigd voor een opvolggesprek door de "Terug Naar Werk-coördinator" waarin concreet inhoud wordt gegeven aan het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie dat hem betreft.

Het eerste opvolggesprek vindt plaats binnen de maand nadat de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie hebben opgestart zoals bedoeld in artikel 215quaterdecies. Indien nodig kan een tweede opvolggesprek worden gepland.

De bevindingen van de opvolggesprekken worden in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde geregistreerd.

Art. 215sexiesdecies

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 215quinquiesdecies stelt de "Terug Naar Werk-coördinator" in samenspraak met de gerechtigde en de adviserend arts een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op. Dit plan bevat minstens de doelstellingen van het plan, het eindresultaat dat wordt nagestreefd, één concrete actie en één concrete afspraak voor een volgend opvolggesprek.

De "Terug Naar Werk-coördinator" en de adviserend arts kunnen in voorkomend geval en mits de toestemming van de gerechtigde overleggen met andere bij het traject betrokken partijen, meer bepaald de behandelend arts, de therapeutische begeleider, de werkgever, de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelnemen aan de socioprofessionele re-integratie of andere dienstverleners.

De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de doelstellingen, de acties en de afspraken in het kader van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.

De adviserend arts deelt, met de toestemming van de gerechtigde, de bevindingen van de opvolggesprekken bedoeld in artikel 215quinquiesdecies en de inhoud van het re-integratieplan mee aan de behandelend arts van deze gerechtigde.

Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op te maken, kan alleen worden afgeweken om gegronde medische redenen vastgesteld door de adviserend arts.

Art. 215septiesdecies

De "Terug Naar Werk-coördinator" volgt het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie via het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde elke drie maanden op, tenzij de elementen van het dossier een andere frequentie of timing rechtvaardigen. In voorkomend geval kan zowel de "Terug Naar Werk-coördinator" als de gerechtigde een nieuw opvolggesprek inplannen om de voortgang van het re-integratieplan te bespreken en de inhoud ervan bij te sturen.

De "Terug Naar Werk-coördinator" verricht deze opvolging in samenwerking met de gerechtigde en, in voorkomend geval, met andere bij het traject betrokken diensten en personen.

De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de verschillende opvolgingsacties, en eventuele aanpassingen aan de inhoud van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.

Art. 215septiesdecies/1

In de volgende gevallen registreert de "Terug Naar Werk-coördinator" in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde de opstart van een "Terug Naar Werk-traject", met in voorkomend geval een re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 215novies, bij de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie:

1°de gerechtigde heeft zelf op elk moment tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid contact opgenomen met de voormelde bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen. Indien de gerechtigde nog verbonden is door een arbeidsovereenkomst, is deze spontane contactname echter slechts mogelijk vanaf de eerste dag van de zevende maand van arbeidsongeschiktheid.

2°de preventieadviseur-arbeidsarts heeft overeenkomstig artikel I.4-76, § 3 van de codex over het welzijn op het werk de gerechtigde naar de voormelde bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen doorverwezen.

De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de doelstellingen, de voorziene acties en de afspraken in het kader van het traject bij de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.

De adviserend arts deelt, met de toestemming van de gerechtigde, de doelstellingen, met inbegrip van de voorziene acties, en het nagestreefde eindresultaat in het kader van het traject mee aan de behandelend arts van deze gerechtigde.

De "Terug Naar Werk-coördinator" volgt het traject bij de bevoegde dienst of instelling van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelneemt aan de socioprofessionele re-integratie via het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde elke drie maanden op, tenzij de elementen van het dossier een andere frequentie of timing rechtvaardigen. Hij registreert de verschillende opvolgingsacties en eventuele aanpassingen van het traject in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.