Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling XVIII - Bijzondere voorwaarden inzake verkrijgen van het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid.

239–243

Art. 239

§ 1.Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid als bedoeld bij artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet te bereiken:

(nummering 1° afgeschaft) de gerechtigde wie het verboden is naar zijn werk te gaan gedurende de hierna vermelde periode omdat hij in contact is gekomen met iemand die aangetast is door één van de volgende besmettelijke ziekten:

Difterie (met mogelijke verlenging indien de betrokkene kiemdrager is)7 dagenEpidemische encephalitis17 dagenTyphus en paratyphus12 dagenMeningitis cerebrospinalis9 dagenMalleus12 dagenPoliomyelitis17 dagenRoodvonk10 dagenPokken18 dagen

Deze perioden gaan in op de dag dat de gerechtigde met de zieke in contact is gekomen en niet op de dag waarop de kennisgeving van arbeidsonderbreking werd verzonden of afgegeven.

2°(opgeheven)

§ 1/1....

§ 1/2...

§ 2....

Art. 240

(opgeheven)

Art. 241

De gerechtigde kan aanspraak maken op de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, wanneer hij recht heeft op één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet opgesomde verdelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt, op voorwaarde dat hij zijn verzekeringsinstelling inlicht over:

1°elk gegeven waardoor zijn recht kan worden uitgemaakt;

2°elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging van het voordeel.

Art. 242

§ 1.De gerechtigde die door meer dan één werkgever is tewerkgesteld en die, uit hoofde van één of meer, maar niet van alle tewerkstellingen, zich in één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde tijdvakken bevindt, kan slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van één tewerkstelling die geen aanleiding geeft tot het toekennen van een loon of een geldelijk voordeel, als bedoeld in hetzelfde artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet.

Voor de toepassing van deze paragraaf dient het in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, bedoelde tijdvak voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld.

§ 2.De vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de deeltijds werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 131bis van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, die zich uit hoofde van hun werkzaamheid bevinden in een tijdvak als bedoeld in artikel 103, § 1, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet, kunnen gedurende dat tijdvak slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in functie van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering die niet werd verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op hun arbeidsongeschiktheid.

De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen tijdens de tijdvakken van verlof, bedoeld in de artikelen 223bis, 223ter en 223quinquies, waarover zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden, enkel aanspraak maken op een uitkering berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit.

De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen aanspraak maken op een uitkering voor borstvoedingspauze enkel berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit voor de periode waarin zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden.

§ 3.De werkneemster die gebruikt maakt van de mogelijkheid om een deel van het tijdvak van moederschapsrust om te zetten in verlofdagen onder de voorwaarden bepaald in artikel 39, derde lid van de arbeidswet van 16 maart 1971, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering voor de verlofdagen van postnatale rust genomen onder de voormelde voorwaarden. Het bedrag van de uitkeringen mag evenwel het bedrag niet overschrijden dat zou zijn toegekend indien de werkneemster geen gebruik had gemaakt van deze mogelijkheid.

Art. 243

De gerechtigde die zijn arbeidsprestaties heeft gehalveerd en werkloosheidsuitkeringen geniet overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen, kan aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die berekend wordt in functie van zijn deeltijdse activiteit, gedurende de periode tijdens dewelke hij krachtens artikel 10, derde lid, van vorengenoemd koninklijk besluit van 30 juli 1994, het recht op werkloosheidsuitkeringen behoudt zonder dat hij het gewaarborgd loon geniet, als bedoeld in artikel 52, § 1 of § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.