Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK II _ GEDING. › TITEL II _ Behandeling en berechting van de vordering. › Eerste afdeling _ Behandeling ter inleidende zitting.

Afdeling VIbis Zitting per videoconferentie

763bis–763octies

Art. 763bis

§ 1.Voor de toepassing van deze afdeling wordt begrepen onder:

1°videoconferentie: elke rechtstreekse audiovisuele verbinding, in reële tijd, met als doel het verzekeren van een multidirectionele en gelijktijdige communicatie van beeld en geluid en een visuele, auditieve en verbale interactie tussen meerdere geografisch van elkaar verwijderde personen of groepen van personen;

2°videoconferentiesysteem: het informaticasysteem, opgericht bij de door de Koning aangewezen dienst, dat toelaat:

a)een videoconferentie te houden overeenkomstig de voorwaarden en vereisten van deze afdeling;

b)een openbare terechtzitting op te nemen overeenkomstig artikel 759/2 of, in voorkomend geval, artikel 763quater, § 5;

c)de taken van de griffier, bedoeld in artikel 749, eerste lid, te vergemakkelijken.

§ 2.De bepalingen van deze afdeling doen geen afbreuk aan de algemene regel dat zittingen van de rechtbanken fysiek doorgaan in een gerechtsgebouw. In afwijking van deze regel kunnen zittingen enkel worden georganiseerd via videoconferentie overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

Art. 763ter

§ 1.Het gebruik van de videoconferentie in gerechtszaken heeft als doel om een of meerdere personen of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers, of de leden van het gerecht toe te laten om vanop afstand op een zitting te verschijnen, eraan deel te nemen of er te zetelen onder de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden.

§ 2.Het videoconferentiesysteem wordt beheerd door het beheerscomité van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en van het videoconferentiesysteem van Justitie bedoeld in artikel 782, § 6, hierna "de beheerder" genoemd.

De vertegenwoordigers bedoeld in artikel 782, § 6, tweede lid, 4°, hebben stemrecht in de aangelegenheden die betrekking hebben op de inzet van de middelen, de technische aspecten en de voor het publiek toegankelijke onderdelen van het videoconferentiesysteem, in zoverre deze laatsten geen invloed hebben op de inhoud van de zitting. Zij zetelen als waarnemer in aangelegenheden die louter betrekking hebben op de interne werking van de rechterlijke orde.

De beheerder staat in voor de inrichting, het beheer en de controle van het videoconferentiesysteem. Hij heeft in het bijzonder als opdracht:

1°het bewaken van het respecteren van de doelen van het videoconferentiesysteem;

2°het toezien op de werking van het videoconferentiesysteem, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop;

3°het toezien op de technische infrastructuur van het videoconferentiesysteem;

4°het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het videoconferentiesysteem en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 3°;

5°het verlenen van schriftelijke en voorwaardelijke toestemming voor de in artikel 759/2, zesde lid, bedoelde toegang.

Het verslag bedoeld in het derde lid, 4°, wordt jaarlijks neergelegd bij de minister van Justitie en bij de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in paragraaf 3, tweede lid. Het verslag is openbaar.

§ 3.De in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten bedoeld in artikel 782, § 6, tweede lid, 1° tot 4°, treden met betrekking tot het videoconferentiesysteem op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 4, 7) en overeenkomstig artikel 26 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) of, in voorkomend geval, in de zin van artikel 26, 8° en overeenkomstig artikel 52 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.

De gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken stellen in overleg een functionaris voor de gegevensbescherming aan.

De in het eerste lid bedoelde entiteiten dragen geen verwerkingsverantwoordelijkheid in de aangelegenheden waarin zij zetelen als waarnemer.

Hij die, in welke hoedanigheid ook, deelneemt aan de verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, of wegens zijn functie kennis heeft van zo'n gegevens, is gehouden om hun vertrouwelijk karakter te respecteren. De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

§ 4.Het gebruik van het videoconferentiesysteem vereist de verwerking van de volgende categorieën van gegevens:

1°Voor elke natuurlijke persoon:

a)de naam en voorna(a)m(en);

b)de hoedanigheid waarin wordt deelgenomen aan de zitting;

c)in voorkomend geval, de geboortedatum en -plaats;

d)in voorkomend geval, de woonplaats of voor de leden van de rechterlijke orde, het dienstadres of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen;

e)in voorkomend geval, het rijksregister- of bisregisternummer;

f)in voorkomend geval, het ondernemingsnummer van de onderneming die hij vertegenwoordigt;

g)in voorkomend geval, het adres van de zetel van de onderneming die hij vertegenwoordigt;

h)in voorkomend geval, de unieke referentie van de advocaat;

2°voor elke gebruiker, de metagegevens gegenereerd door de connectie met het videoconferentiesysteem;

3°de afbeelding en de stem van de personen die deelnemen aan de zitting;

4°de gegevens, met inbegrip van de persoonsgegevens, meegedeeld in de loop van de zitting;

5°de gegevens betreffende de zitting waaraan wordt deelgenomen en het uniek identificatienummer van het dossier dat ter zitting wordt behandeld.

Het eerste lid, 1°, c) en e) tot h), is niet van toepassing op leden van de rechterlijke orde.

De Koning verduidelijkt, na advies van de beheerders, de gegevens binnen de bovenvermelde categorieën, verwerkt in het kader van het gebruik van het videoconferentiesysteem.

§ 5.Behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen worden de gegevens bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 1° en 2°, voor doeleinden van latere controle en bewijs van daadwerkelijke deelname van een persoon aan de zitting bewaard door de beheerder tot uitputting van alle gewone rechtsmiddelen en van de voorziening in cassatie. De gegevens bedoeld in paragraaf 4 worden eveneens voor een termijn van vijf jaar bewaard voor statistische doeleinden met het oog op het evalueren van het videoconferentiesysteem en het gebruik ervan.

Toegang tot de metagegevens bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, is alleen toegestaan aan:

1°de beheerder, voor de uitvoering van de in paragraaf 2, derde lid, bedoelde opdrachten;

2°de per videoconferentie verschijnende partijen, elk voor wat hen aanbelangt.

Art. 763quater

§ 1.De organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie en het videoconferentiesysteem worden op zo'n wijze ontworpen dat verzekerd wordt dat, in de gevallen waarin een of meer personen per videoconferentie verschijnen of deelnemen en voor zover deze afdeling daar niet van afwijkt, de per videoconferentie op de zitting verschijnende of eraan deelnemende personen en de personen die op de zitting verschijnen of eraan deelnemen in de zittingszaal, dezelfde rechten en verplichtingen hebben als diegene die hen zijn toegekend in het kader van een zitting waarbij niemand verschijnt per videoconferentie.

§ 2.De organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie en het videoconferentiesysteem waarborgen dat:

1°de op de zitting verschijnende, eraan deelnemende en er zetelende personen in staat zijn om op effectieve wijze deel te nemen aan de rechtspleging en de debatten effectief en integraal te volgen;

2°de op de zitting verschijnende, eraan deelnemende of er zetelende personen zich kunnen uitdrukken en kunnen gezien en gehoord worden zonder technische belemmeringen;

3°indien een advocaat of een andere wettelijke vertegenwoordiger optreedt voor de verschijnende persoon, of indien die persoon krachtens de wet bijstand van een andere persoon nodig heeft, de verschijnende persoon tijdens de videoconferentie daadwerkelijk en vertrouwelijk kan communiceren met zijn advocaat, zijn wettelijke vertegenwoordiger of die andere persoon;

4°indien er verschillende partijen in het geding zijn of verschillende te horen personen, zij elkaar gelijktijdig kunnen zien en horen, voor zover de wet het toelaat;

5°behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen, het opnemen, het bewaren, en elke andere vorm van verwerking van de videoconferentie niet is toegelaten.

§ 3.Toegang tot het videoconferentiesysteem wordt verkregen door middel van de federaal ondersteunde authentificatieprotocollen of een authentificatiemiddel dat gelijkwaardige garanties biedt. De Koning kan de authentificatiemiddelen bepalen.

§ 4.De Koning duidt het videoconferentiesysteem bedoeld in artikel 763bis, § 1, 2°, aan en bepaalt de nadere regels voor de inrichting en werking van het videoconferentiesysteem, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder.

De Koning kan bepalen op welke wijze de gebruikers of potentiële gebruikers van het videoconferentiesysteem worden geïnformeerd over de werking, het gebruik en de voor- en nadelen van de videoconferentie.

De Koning kan ook de minimale regels bepalen waaraan de informatica-apparatuur van de personen die verschijnen of deelnemen aan de videoconferentie moet voldoen.

§ 5.De zitting per videoconferentie kan door het gerecht worden opgenomen om de in artikel 763quinquies, eerste lid, bedoelde openbaarheid te waarborgen. Deze opname wordt niet langer dan de duur van de zitting bewaard.

Art. 763quinquies

De openbaarheid van de zittingen per videoconferentie wordt verzekerd via het videoconferentiesysteem of een ander door de Koning aangewezen informaticasysteem of via de toegang tot de zittingszaal waar het gerecht zetelt. De openbaarheid van de zittingen kan ook verzekerd worden door een combinatie van de voornoemde middelen.

De afwezigheid van openbaarheid van de zitting per videoconferentie die in raadkamer of achter gesloten deuren plaatsvindt, wordt gewaarborgd door het videoconferentiesysteem en door de toegang te weigeren tot de zittingszaal waar het gerecht zetelt.

De Koning stelt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder, de nadere regels vast met betrekking tot de openbaarheid van de zittingen via het videoconferentiesysteem, evenals, in voorkomend geval, de nadere regels voor de inrichting en werking van het in het eerste lid bedoelde informaticasysteem.

Art. 763sexies

§ 1.Het gerecht kan ambtshalve een of meerdere personen en, in voorkomend geval het openbaar ministerie uitnodigen op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen per videoconferentie, mits hun akkoord of in voorkomend geval dat van hun wettelijke vertegenwoordiger, elk voor wat hun verschijning of deelname betreft, wanneer het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:

1°het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;

2°de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 763quater, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;

3°dit gebruik komt in voorkomend geval overeen met het hoger belang van het kind, of het belang van de beschermde of te beschermen persoon.

Voor de in het eerste lid, 1°, bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, het aantal procespartijen, de mogelijkheid tot interactie tussen de partijen, de fase van de procedure, de beroepsmogelijkheden, de fysieke of psychische toestand van de personen die moeten worden gehoord, en de staat van kwetsbaarheid van de te horen persoon.

De griffie van het gerecht stelt de betrokkene en alle partijen in de zaak en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie van deze uitnodiging in kennis, uiterlijk op de dag voor de zitting.

In afwijking van het derde lid kan de rechter op elk moment beslissen dat een persoon per videoconferentie op de zitting kan verschijnen of eraan kan deelnemen, mits akkoord van alle partijen en, in voorkomend geval, van het openbaar ministerie en mits aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid is voldaan.

Ten aanzien van de partij aan wie een uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, noch per videoconferentie, noch op de plaats waar het gerecht zetelt op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.

§ 2.Elke persoon of, in voorkomend geval, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn advocaat kan, reeds voor de eerste zitting, het gerecht verzoeken om toelating om per videoconferentie op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen. Dit verzoek wordt ten laatste op de vijfde dag voor de zitting op elektronische wijze meegedeeld aan de griffie van het gerecht waarvoor de persoon moet verschijnen of worden gehoord, en aan de partijen of, desgevallend, hun wettelijke vertegenwoordiger of hun advocaat. Dit verzoek bevat het elektronisch adres van de persoon die verzoekt om per videoconferentie op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen.

In afwijking van het eerste lid wordt dit verzoek, in rechtsplegingen in kort geding of zoals in kort geding, opgenomen in de door de eiser opgestelde dagvaarding. Het verzoek van de verweerder om per videoconferentie te verschijnen, wordt uiterlijk op de dag die volgt op de dag van de betekening van de dagvaarding ingediend.

Het gerecht kan dit verzoek inwilligen indien het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:

1°het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid;

2°de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 763quater, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;

3°dit gebruik komt in voorkomend geval overeen met het hoger belang van het kind, of het belang van de beschermde of te beschermen persoon.

De griffie van het gerecht stelt de betrokkene en alle partijen in het geding en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie in kennis van de beslissing die het recht toekent om per videoconferentie op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen, ten laatste op de derde dag voor de zitting, of in geval van rechtspleging in kort geding of zoals in kort geding, ten laatste op de dag vóór de zitting.

In afwijking van het eerste, het tweede en het vierde lid, kan de rechter op elk moment beslissen dat een persoon per videoconferentie op de zitting kan verschijnen of eraan kan deelnemen, mits akkoord van alle partijen en, in voorkomend geval het openbaar ministerie en mits aan de voorwaarden bedoeld in het derde lid is voldaan.

Ten aanzien van een partij die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, noch per videoconferentie, noch op de plaats waar het gerecht zetelt op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.

In geval van weigering, mag de verzoeker geen verzoek met hetzelfde voorwerp toezenden aan de griffie vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, behoudens wanneer het eerder verzoek omwille van het gebrek aan technische middelen zou zijn geweigerd.

§ 3.Het gerecht kan ambtshalve, bij een met redenen omklede beslissing, een of meerdere personen verbieden fysiek te verschijnen of deel te nemen aan de zitting, wanneer het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:

1°het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid;

2°de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 763quater, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;

3°dit gebruik komt in voorkomend geval overeen met het hoger belang van het kind, of het belang van de beschermde of te beschermen persoon;

4°ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat:

a)een epidemische noodsituatie is afgekondigd overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt, of;

b)er objectiveerbare aanwijzingen zijn van een ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid dat verhindert dat de betrokkene aanwezig kan zijn op de zitting of dat, ingeval de betrokkene gedetineerd is, zijn transport naar de zittingszaal in veiligheid kan worden gegarandeerd.

De griffie geeft, ten laatste op de vijfde dag voor de zitting of, in rechtsplegingen in kort geding of zoals in kort geding, ten laatste op de dag voor de zitting, kennis van deze beslissing aan alle personen opgeroepen om per videoconferentie te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting. In geval van een gemotiveerde hoogdringendheid geeft de griffie uiterlijk de dag voor de dag van de zitting kennis van het verbod om fysiek te verschijnen.

Deze beslissing is vatbaar voor hoger beroep. Dit beroep moet bij dagvaarding worden aangetekend door de partij die in kennis werd gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen, zoals in kortgeding, ten minste vierentwintig uur voor de dag en het tijdstip die zijn vastgesteld voor de in het verbod om fysiek te verschijnen bedoelde zitting. Dit beroep heeft schorsende kracht. De appellant deelt het gerecht dat kennis heeft gegeven van het verbod om fysiek te verschijnen, mee dat tegen dat verbod hoger beroep werd ingesteld.

In afwijking van het derde lid wordt, in rechtsplegingen in kort geding of zoals in kort geding, of in geval van gemotiveerde hoogdringendheid als bedoeld in het tweede lid, het beroep tegen een verbod om fysiek te verschijnen aangetekend zoals in kort geding, en dit uiterlijk voor het begin van de in het verbod om fysiek te verschijnen bedoelde zitting.

Het beroep tegen een door het hof van beroep of het arbeidshof gewezen verbod om fysiek te verschijnen, wordt, zoals in kortgeding, ingesteld bij de eerste voorzitter van het hof dat het verbod heeft gewezen.

In afwijking van artikel 1068, eerste lid, maakt het hoger beroep tegen het verbod om fysiek te verschijnen de andere aspecten van het geschil zelf niet aanhangig bij het gerecht in hoger beroep.

Op het hoger beroep wordt uitspraak gedaan overeenkomstig artikel 1066.

Het gerecht in hoger beroep doet onverwijld uitspraak, na de appellant, evenals de andere partijen, te hebben gehoord. De voorziening in cassatie tegen de beslissing van het gerecht in hoger beroep kan slechts worden ingesteld samen met de voorziening in cassatie tegen de eindbeslissing over de grond van de zaak.

Ten aanzien van een partij die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen, dat, in voorkomend geval, werd bevestigd, en die niet op de zitting per videoconferentie verschijnt, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.

§ 4.Elke partij, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn advocaat of de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige of zijn advocaat, en, desgevallend, het openbaar ministerie kan voor de zitting aan het gerecht zijn schriftelijk standpunt geven over het passend karakter van het eventuele gebruik van de videoconferentie, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak. Dit standpunt wordt op elektronische wijze meegedeeld aan de griffie van het gerecht waarvoor de partij moet verschijnen, binnen de vermelde termijn en uiterlijk op de vijfde dag voor de zitting. De oproeping tot de zitting vermeldt deze mogelijkheid en de termijn waarbinnen de standpunten van de partijen aan de griffie van het gerecht moeten worden meegedeeld.

In afwijking van het eerste lid, vermeldt de dagvaarding, in rechtsplegingen in kort geding of zoals in kort geding, de mogelijkheid voor de partijen om hun standpunt over het passend karakter van het eventuele gebruik van videoconferentie kenbaar te maken. Dit standpunt wordt op elektronische wijze meegedeeld aan de griffie van het gerecht waarvoor de partijen moeten verschijnen, uiterlijk op de dag die volgt op de dag van de betekening van de dagvaarding.

Dit standpunt wordt de rechter ter beoordeling voorgelegd.

Het eerste, het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing in het geval bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, of in paragraaf 2, vijfde lid.

§ 5.De verschijning op of deelname aan de zitting van een persoon per videoconferentie vindt plaats, indien deze daarop werd uitgenodigd overeenkomstig paragraaf 1, mits het akkoord van deze persoon of van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Dit akkoord wordt ten laatste op de dag voor de zitting schriftelijk op elektronische wijze meegedeeld aan de griffie. In de gevallen waarin voor het houden van de zitting geen verplaatsing van het gerecht nodig is, geldt de connectie met het videoconferentiesysteem op de dag en het tijdstip die in de oproeping zijn vermeld, eveneens als akkoord.

In het geval bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, of in paragraaf 2, vijfde lid, is de termijn bedoeld in het eerste lid, tweede zin, niet van toepassing.

De persoon die overeenkomstig paragraaf 2 werd toegelaten om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen, wordt verondersteld akkoord te gaan met de verschijning per videoconferentie.

De persoon die om per videoconferentie op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen werd uitgenodigd of die daartoe toelating kreeg, heeft altijd het recht om voor het begin van de zitting te beslissen om op de plaats waar het gerecht zetelt op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen. In de gevallen waarin voor het houden van de zitting een verplaatsing van het gerecht nodig is, stelt zij de griffie daarvan uiterlijk op de dag voor de zitting op elektronische wijze in kennis.

Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.

§ 6.In gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van videoconferentie, neemt het gerecht zitting in de zittingszaal, en oefent de griffier er zijn griffie- en bijstandstaken uit.

In afwijking van het eerste lid kan een rechter per videoconferentie op de zitting zetelen of kan een griffier per videoconferentie zijn griffie- en bijstandstaken uitoefenen op de zitting, wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:

1°het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid;

2°de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 763quater, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;

3°dit gebruik komt in voorkomend geval overeen met het hoger belang van het kind, of het belang van de beschermde of te beschermen persoon;

4°alle procespartijen of, in voorkomend geval, hun wettelijke vertegenwoordiger en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie, stemmen in met het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier;

5°de rechter heeft de toestemming van zijn korpschef om per videoconferentie op de zitting te zetelen, of de griffier heeft de toestemming van de rechter om zijn griffie- en bijstandstaken per videoconferentie op de zitting uit te oefenen, naargelang het geval.

In de gevallen bedoeld in het tweede lid en wanneer de voorwaarden bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 3° en 5° vervuld zijn, stelt de griffier de partijen bij de zaak en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie, ten laatste op de vijfde dag voor de zitting in kennis van de mogelijkheid dat de rechter per videoconferentie op de zitting zetelt of de griffier zijn griffie- en bijstandstaken per videoconferentie op de zitting uitoefent. De griffier vraagt de partijen en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie, of zij instemmen met het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier. Dit akkoord wordt de griffie ten laatste op de tweede dag voor de zitting schriftelijk op elektronische wijze meegedeeld. In afwezigheid van de mededeling van het akkoord door een partij of, in voorkomend geval, door het openbaar ministerie, voor het begin van de zitting, wordt deze partij of, in voorkomend geval, het openbaar ministerie verondersteld het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier te hebben geweigerd.

§ 7.Indien een getuige, opgeroepen in het kader van een getuigenverhoor als bedoeld in artikelen 915 en volgende, overeenkomstig de paragrafen 1 tot 3 is uitgenodigd of toelating kreeg om per videoconferentie te worden gehoord of aldus moet worden gehoord, wordt zijn verschijning per videoconferentie onderworpen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 763septies, §§ 1 tot 3.

Indien de getuige, in voorkomend geval zijn advocaat of de gerechtsdeurwaarder vaststelt dat niet meer is voldaan aan een van de in artikel 763septies, §§ 1 tot 3, bedoelde voorwaarden, licht deze het gerecht hier onmiddellijk over in.

Artikel 763septies, § 4, eerste lid, §§ 5 en 6, is van toepassing in het kader van deze paragraaf.

§ 8.Indien het gerecht in de loop van de zitting, ambtshalve of op aangeven van een van de personen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat niet langer is voldaan aan de in artikel 763quater, §§ 1 en 2, bedoelde waarborgen of, in voorkomend geval, de in artikel 763septies, §§ 1 tot 3 en, desgevallend, § 4, eerste lid, bedoelde voorwaarden, beveelt het:

1°de schorsing van de zitting totdat weer is voldaan aan deze voorwaarden;

2°en, in voorkomend geval, de voortzetting van het geding op een andere datum, hetzij per videoconferentie, hetzij in fysieke aanwezigheid van de personen die per videoconferentie verschenen, indien het vaststelt dat de voornoemde waarborgen en voorwaarden niet opnieuw vervuld kunnen worden binnen een redelijke termijn, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen. Het gerecht laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.

Indien het gerecht tijdens de zitting per videoconferentie, ambtshalve of op aangeven van een van de personen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat het gebruik van de videoconferentie niet of niet meer verenigbaar is met de bijzondere omstandigheden van de zaak, of, in voorkomend geval, dat het niet of niet meer overeenkomt met het belang van het kind of van de beschermde of te beschermen persoon, of dat, in voorkomend geval, de epidemische noodsituatie of het ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid heeft opgehouden te bestaan, beveelt het, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen, de voortzetting van de zitting in aanwezigheid van de personen die verschenen per videoconferentie. Het gerecht laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.

§ 9.De Koning kan, na advies van het College van de hoven en rechtbanken, de praktische en technische nadere regels betreffende de organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie vervolledigen. De Koning bepaalt de in paragraaf 2, eerste lid, paragraaf 4, eerste en tweede lid, paragraaf 5, eerste en vierde lid, en paragraaf 6, derde lid, bedoelde elektronische wijze.

§ 10.Onverminderd artikel 1249/4, § 1, gebeurt elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze afdeling op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een partij of een persoon betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die partij of persoon, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij of persoon heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokken persoon enkel fysiek verschijnen op de zitting waarop ze regelmatig werd opgeroepen te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.

Art. 763septies

§ 1.Wanneer de rechtspleging in raadkamer of achter gesloten deuren dient te verlopen, is de verschijning per videoconferentie slechts mogelijk overeenkomstig artikel 763sexies, §§ 1, 2 of 3, en op voorwaarde dat:

1°de verschijnende persoon of, in voorkomend geval, zijn advocaat bevestigt aan het gerecht dat niemand anders dan zijzelf en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de verschijnende persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of

2°als het gerecht van oordeel is dat de aanwezigheid van de advocaat of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bij de verschijnende persoon vereist is, de advocaat of, bij gebreke ervan, de gerechtsdeurwaarder, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan hijzelf, de verschijnende persoon en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de verschijnende persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1, wanneer een minderjarige wordt gehoord krachtens artikel 1004/1, is de verschijning per videoconferentie in raadkamer slechts mogelijk overeenkomstig artikel 763sexies, §§ 1, 2 of 3, en op voorwaarde dat:

1°in voorkomend geval, de persoon aangewezen krachtens artikel 1004/1, § 5, bevestigt dat niemand anders dan hijzelf, de minderjarige en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de minderjarige zich bevindt op het moment van het verhoor, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of

2°de advocaat van de gehoorde minderjarige of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bevestigt dat niemand anders dan de gehoorde minderjarige en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig zal zijn op de plaats waar de minderjarige zich bevindt op het moment van het verhoor, noch op andere wijze zal kunnen volgen wat er wordt gezegd.

§ 3.In afwijking van paragraaf 1, wanneer een beschermde of te beschermen persoon wordt gehoord krachtens artikel 1245, is de verschijning per videoconferentie in raadkamer slechts mogelijk overeenkomstig artikel 763sexies, §§ 1, 2 of 3, en op voorwaarde dat:

1°de vertrouwenspersoon bedoeld in artikel 1245, § 1, eerste lid, bevestigt dat niemand anders dan hijzelf, de beschermde of te beschermen persoon en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de beschermde of te beschermen persoon zich bevindt op het moment van het verhoor, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of

2°de advocaat van de beschermde of te beschermen persoon of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bevestigt dat niemand anders dan de beschermde of te beschermen persoon en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de beschermde of te beschermen persoon zich bevindt op het moment van het verhoor, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.

§ 4.De afwezigheid van een andere persoon dan de verschijnende persoon en, in voorkomend geval, zijn advocaat, de gerechtsdeurwaarder, de in artikel 1245, § 1, eerste lid, bedoelde vertrouwenspersoon, de krachtens artikel 1004/1, § 5, aangewezen persoon, of, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, kan ook door het gerecht met technische of organisatorische middelen worden gecontroleerd.

Indien de verschijnende persoon, in voorkomend geval, de advocaat, de gerechtsdeurwaarder, de vertrouwenspersoon bedoeld in artikel 1245, § 1, eerste lid, de persoon aangewezen krachtens artikel 1004/1, § 5, of, in voorkomend geval, een met name genoemde persoon die door de rechter is gemachtigd om aanwezig te zijn, vaststelt dat een of meerdere van de in paragrafen 1 tot 3 bedoelde voorwaarden niet meer zijn vervuld, licht deze het gerecht hier onmiddellijk over in.

§ 5.De kosten van het optreden, op bevel van de rechter, van een gerechtsdeurwaarder bij de persoon die krachtens dit artikel per videoconferentie verschijnt en die niet over een advocaat beschikt, komen ten laste van de Staat.

§ 6.De Koning kan de in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde technische en organisatorische middelen bepalen.

Art. 763octies

Indien een proces-verbaal, een verslag of elk ander document tijdens de zitting door een per videoconferentie op de zitting verschijnende persoon moet worden ondertekend, wordt dit document in gedematerialiseerde vorm opgemaakt en, onverminderd artikel 863, op de zitting per videoconferentie ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening bedoeld in artikel 3, 12., van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.

Onverminderd de artikelen 32ter en 1249/4, § 1, wordt het proces-verbaal, het verslag of het document bedoeld in het eerste lid tussen het gerecht en de ondertekenaar meegedeeld via het videoconferentiesysteem of op de door de Koning, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder, bepaalde elektronische wijze.