§ 1.Het gerecht kan ambtshalve een of meerdere personen en, in voorkomend geval het openbaar ministerie uitnodigen op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen per videoconferentie, mits hun akkoord of in voorkomend geval dat van hun wettelijke vertegenwoordiger, elk voor wat hun verschijning of deelname betreft, wanneer het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1°het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
2°de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 763quater, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;
3°dit gebruik komt in voorkomend geval overeen met het hoger belang van het kind, of het belang van de beschermde of te beschermen persoon.
Voor de in het eerste lid, 1°, bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, het aantal procespartijen, de mogelijkheid tot interactie tussen de partijen, de fase van de procedure, de beroepsmogelijkheden, de fysieke of psychische toestand van de personen die moeten worden gehoord, en de staat van kwetsbaarheid van de te horen persoon.
De griffie van het gerecht stelt de betrokkene en alle partijen in de zaak en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie van deze uitnodiging in kennis, uiterlijk op de dag voor de zitting.
In afwijking van het derde lid kan de rechter op elk moment beslissen dat een persoon per videoconferentie op de zitting kan verschijnen of eraan kan deelnemen, mits akkoord van alle partijen en, in voorkomend geval, van het openbaar ministerie en mits aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid is voldaan.
Ten aanzien van de partij aan wie een uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, noch per videoconferentie, noch op de plaats waar het gerecht zetelt op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 2.Elke persoon of, in voorkomend geval, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn advocaat kan, reeds voor de eerste zitting, het gerecht verzoeken om toelating om per videoconferentie op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen. Dit verzoek wordt ten laatste op de vijfde dag voor de zitting op elektronische wijze meegedeeld aan de griffie van het gerecht waarvoor de persoon moet verschijnen of worden gehoord, en aan de partijen of, desgevallend, hun wettelijke vertegenwoordiger of hun advocaat. Dit verzoek bevat het elektronisch adres van de persoon die verzoekt om per videoconferentie op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen.
In afwijking van het eerste lid wordt dit verzoek, in rechtsplegingen in kort geding of zoals in kort geding, opgenomen in de door de eiser opgestelde dagvaarding. Het verzoek van de verweerder om per videoconferentie te verschijnen, wordt uiterlijk op de dag die volgt op de dag van de betekening van de dagvaarding ingediend.
Het gerecht kan dit verzoek inwilligen indien het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1°het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid;
2°de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 763quater, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;
3°dit gebruik komt in voorkomend geval overeen met het hoger belang van het kind, of het belang van de beschermde of te beschermen persoon.
De griffie van het gerecht stelt de betrokkene en alle partijen in het geding en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie in kennis van de beslissing die het recht toekent om per videoconferentie op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen, ten laatste op de derde dag voor de zitting, of in geval van rechtspleging in kort geding of zoals in kort geding, ten laatste op de dag vóór de zitting.
In afwijking van het eerste, het tweede en het vierde lid, kan de rechter op elk moment beslissen dat een persoon per videoconferentie op de zitting kan verschijnen of eraan kan deelnemen, mits akkoord van alle partijen en, in voorkomend geval het openbaar ministerie en mits aan de voorwaarden bedoeld in het derde lid is voldaan.
Ten aanzien van een partij die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, noch per videoconferentie, noch op de plaats waar het gerecht zetelt op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
In geval van weigering, mag de verzoeker geen verzoek met hetzelfde voorwerp toezenden aan de griffie vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, behoudens wanneer het eerder verzoek omwille van het gebrek aan technische middelen zou zijn geweigerd.
§ 3.Het gerecht kan ambtshalve, bij een met redenen omklede beslissing, een of meerdere personen verbieden fysiek te verschijnen of deel te nemen aan de zitting, wanneer het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1°het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid;
2°de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 763quater, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;
3°dit gebruik komt in voorkomend geval overeen met het hoger belang van het kind, of het belang van de beschermde of te beschermen persoon;
4°ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat:
a)een epidemische noodsituatie is afgekondigd overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt, of;
b)er objectiveerbare aanwijzingen zijn van een ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid dat verhindert dat de betrokkene aanwezig kan zijn op de zitting of dat, ingeval de betrokkene gedetineerd is, zijn transport naar de zittingszaal in veiligheid kan worden gegarandeerd.
De griffie geeft, ten laatste op de vijfde dag voor de zitting of, in rechtsplegingen in kort geding of zoals in kort geding, ten laatste op de dag voor de zitting, kennis van deze beslissing aan alle personen opgeroepen om per videoconferentie te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting. In geval van een gemotiveerde hoogdringendheid geeft de griffie uiterlijk de dag voor de dag van de zitting kennis van het verbod om fysiek te verschijnen.
Deze beslissing is vatbaar voor hoger beroep. Dit beroep moet bij dagvaarding worden aangetekend door de partij die in kennis werd gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen, zoals in kortgeding, ten minste vierentwintig uur voor de dag en het tijdstip die zijn vastgesteld voor de in het verbod om fysiek te verschijnen bedoelde zitting. Dit beroep heeft schorsende kracht. De appellant deelt het gerecht dat kennis heeft gegeven van het verbod om fysiek te verschijnen, mee dat tegen dat verbod hoger beroep werd ingesteld.
In afwijking van het derde lid wordt, in rechtsplegingen in kort geding of zoals in kort geding, of in geval van gemotiveerde hoogdringendheid als bedoeld in het tweede lid, het beroep tegen een verbod om fysiek te verschijnen aangetekend zoals in kort geding, en dit uiterlijk voor het begin van de in het verbod om fysiek te verschijnen bedoelde zitting.
Het beroep tegen een door het hof van beroep of het arbeidshof gewezen verbod om fysiek te verschijnen, wordt, zoals in kortgeding, ingesteld bij de eerste voorzitter van het hof dat het verbod heeft gewezen.
In afwijking van artikel 1068, eerste lid, maakt het hoger beroep tegen het verbod om fysiek te verschijnen de andere aspecten van het geschil zelf niet aanhangig bij het gerecht in hoger beroep.
Op het hoger beroep wordt uitspraak gedaan overeenkomstig artikel 1066.
Het gerecht in hoger beroep doet onverwijld uitspraak, na de appellant, evenals de andere partijen, te hebben gehoord. De voorziening in cassatie tegen de beslissing van het gerecht in hoger beroep kan slechts worden ingesteld samen met de voorziening in cassatie tegen de eindbeslissing over de grond van de zaak.
Ten aanzien van een partij die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen, dat, in voorkomend geval, werd bevestigd, en die niet op de zitting per videoconferentie verschijnt, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 4.Elke partij, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn advocaat of de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige of zijn advocaat, en, desgevallend, het openbaar ministerie kan voor de zitting aan het gerecht zijn schriftelijk standpunt geven over het passend karakter van het eventuele gebruik van de videoconferentie, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak. Dit standpunt wordt op elektronische wijze meegedeeld aan de griffie van het gerecht waarvoor de partij moet verschijnen, binnen de vermelde termijn en uiterlijk op de vijfde dag voor de zitting. De oproeping tot de zitting vermeldt deze mogelijkheid en de termijn waarbinnen de standpunten van de partijen aan de griffie van het gerecht moeten worden meegedeeld.
In afwijking van het eerste lid, vermeldt de dagvaarding, in rechtsplegingen in kort geding of zoals in kort geding, de mogelijkheid voor de partijen om hun standpunt over het passend karakter van het eventuele gebruik van videoconferentie kenbaar te maken. Dit standpunt wordt op elektronische wijze meegedeeld aan de griffie van het gerecht waarvoor de partijen moeten verschijnen, uiterlijk op de dag die volgt op de dag van de betekening van de dagvaarding.
Dit standpunt wordt de rechter ter beoordeling voorgelegd.
Het eerste, het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing in het geval bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, of in paragraaf 2, vijfde lid.
§ 5.De verschijning op of deelname aan de zitting van een persoon per videoconferentie vindt plaats, indien deze daarop werd uitgenodigd overeenkomstig paragraaf 1, mits het akkoord van deze persoon of van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Dit akkoord wordt ten laatste op de dag voor de zitting schriftelijk op elektronische wijze meegedeeld aan de griffie. In de gevallen waarin voor het houden van de zitting geen verplaatsing van het gerecht nodig is, geldt de connectie met het videoconferentiesysteem op de dag en het tijdstip die in de oproeping zijn vermeld, eveneens als akkoord.
In het geval bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, of in paragraaf 2, vijfde lid, is de termijn bedoeld in het eerste lid, tweede zin, niet van toepassing.
De persoon die overeenkomstig paragraaf 2 werd toegelaten om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen, wordt verondersteld akkoord te gaan met de verschijning per videoconferentie.
De persoon die om per videoconferentie op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen werd uitgenodigd of die daartoe toelating kreeg, heeft altijd het recht om voor het begin van de zitting te beslissen om op de plaats waar het gerecht zetelt op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen. In de gevallen waarin voor het houden van de zitting een verplaatsing van het gerecht nodig is, stelt zij de griffie daarvan uiterlijk op de dag voor de zitting op elektronische wijze in kennis.
Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
§ 6.In gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van videoconferentie, neemt het gerecht zitting in de zittingszaal, en oefent de griffier er zijn griffie- en bijstandstaken uit.
In afwijking van het eerste lid kan een rechter per videoconferentie op de zitting zetelen of kan een griffier per videoconferentie zijn griffie- en bijstandstaken uitoefenen op de zitting, wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1°het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid;
2°de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 763quater, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;
3°dit gebruik komt in voorkomend geval overeen met het hoger belang van het kind, of het belang van de beschermde of te beschermen persoon;
4°alle procespartijen of, in voorkomend geval, hun wettelijke vertegenwoordiger en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie, stemmen in met het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier;
5°de rechter heeft de toestemming van zijn korpschef om per videoconferentie op de zitting te zetelen, of de griffier heeft de toestemming van de rechter om zijn griffie- en bijstandstaken per videoconferentie op de zitting uit te oefenen, naargelang het geval.
In de gevallen bedoeld in het tweede lid en wanneer de voorwaarden bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 3° en 5° vervuld zijn, stelt de griffier de partijen bij de zaak en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie, ten laatste op de vijfde dag voor de zitting in kennis van de mogelijkheid dat de rechter per videoconferentie op de zitting zetelt of de griffier zijn griffie- en bijstandstaken per videoconferentie op de zitting uitoefent. De griffier vraagt de partijen en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie, of zij instemmen met het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier. Dit akkoord wordt de griffie ten laatste op de tweede dag voor de zitting schriftelijk op elektronische wijze meegedeeld. In afwezigheid van de mededeling van het akkoord door een partij of, in voorkomend geval, door het openbaar ministerie, voor het begin van de zitting, wordt deze partij of, in voorkomend geval, het openbaar ministerie verondersteld het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier te hebben geweigerd.
§ 7.Indien een getuige, opgeroepen in het kader van een getuigenverhoor als bedoeld in artikelen 915 en volgende, overeenkomstig de paragrafen 1 tot 3 is uitgenodigd of toelating kreeg om per videoconferentie te worden gehoord of aldus moet worden gehoord, wordt zijn verschijning per videoconferentie onderworpen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 763septies, §§ 1 tot 3.
Indien de getuige, in voorkomend geval zijn advocaat of de gerechtsdeurwaarder vaststelt dat niet meer is voldaan aan een van de in artikel 763septies, §§ 1 tot 3, bedoelde voorwaarden, licht deze het gerecht hier onmiddellijk over in.
Artikel 763septies, § 4, eerste lid, §§ 5 en 6, is van toepassing in het kader van deze paragraaf.
§ 8.Indien het gerecht in de loop van de zitting, ambtshalve of op aangeven van een van de personen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat niet langer is voldaan aan de in artikel 763quater, §§ 1 en 2, bedoelde waarborgen of, in voorkomend geval, de in artikel 763septies, §§ 1 tot 3 en, desgevallend, § 4, eerste lid, bedoelde voorwaarden, beveelt het:
1°de schorsing van de zitting totdat weer is voldaan aan deze voorwaarden;
2°en, in voorkomend geval, de voortzetting van het geding op een andere datum, hetzij per videoconferentie, hetzij in fysieke aanwezigheid van de personen die per videoconferentie verschenen, indien het vaststelt dat de voornoemde waarborgen en voorwaarden niet opnieuw vervuld kunnen worden binnen een redelijke termijn, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen. Het gerecht laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.
Indien het gerecht tijdens de zitting per videoconferentie, ambtshalve of op aangeven van een van de personen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat het gebruik van de videoconferentie niet of niet meer verenigbaar is met de bijzondere omstandigheden van de zaak, of, in voorkomend geval, dat het niet of niet meer overeenkomt met het belang van het kind of van de beschermde of te beschermen persoon, of dat, in voorkomend geval, de epidemische noodsituatie of het ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid heeft opgehouden te bestaan, beveelt het, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen, de voortzetting van de zitting in aanwezigheid van de personen die verschenen per videoconferentie. Het gerecht laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.
§ 9.De Koning kan, na advies van het College van de hoven en rechtbanken, de praktische en technische nadere regels betreffende de organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie vervolledigen. De Koning bepaalt de in paragraaf 2, eerste lid, paragraaf 4, eerste en tweede lid, paragraaf 5, eerste en vierde lid, en paragraaf 6, derde lid, bedoelde elektronische wijze.
§ 10.Onverminderd artikel 1249/4, § 1, gebeurt elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze afdeling op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een partij of een persoon betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die partij of persoon, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij of persoon heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokken persoon enkel fysiek verschijnen op de zitting waarop ze regelmatig werd opgeroepen te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.