Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK IV _ BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN. › HOOFDSTUK X - Beschermde personen

Afdeling 1 - Procedure van toepassing op de rechterlijke bescherming

1238–1249/6

Art. 1238

§ 1.De beschermde of te beschermen persoon, elke belanghebbende of de procureur des Konings kan om een rechterlijke beschermingsmaatregel verzoeken op grond van de artikelen 488/1 tot 502 van het Burgerlijk Wetboek of de bepalingen van dit hoofdstuk.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1 kan de vrederechter ambtshalve een beschermingsmaatregel nemen:

1°als bij hem een verzoek als bedoeld in de artikelen 5, § 1, en 23 van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening is neergelegd en als hem een omstandig verslag als bedoeld in de artikelen 13, 14 en 25 van dezelfde wet wordt toegezonden;

2°als de internering van een persoon werd bevolen;

3°in de andere gevallen waarin uitdrukkelijk is voorzien in de wet, inzonderheid in de gevallen bedoeld in de artikelen 490/1, § 2, en 490/2, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek; of

4°als hij gevat is overeenkomstig paragraaf 1 en zulks nuttig acht, voor zover partijen geen verzoek in die zin hebben neergelegd.

In het in het eerste lid, 1°, bedoelde geval wordt de beschermingsmaatregel bij afzonderlijke beschikking bevolen.

Het openbaar ministerie deelt de bevoegde vrederechter onverwijld de beslissing tot internering mee.

Art. 1239

Elk verzoek op grond van de artikelen 488/1 tot 502 van het Burgerlijk Wetboek of de bepalingen van dit hoofdstuk wordt ingediend bij verzoekschrift gericht aan de bevoegde vrederechter.

De artikelen 1025 tot 1034sexies zijn niet van toepassing.

Art. 1240

§ 1.Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen:

1°de dag, de maand en het jaar;

2°de naam, de voornamen, de verblijf- of woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister;

3°de naam, de voornaam, de verblijf- of woonplaats van de beschermde of de te beschermen persoon en, in voorkomend geval, haar rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister;

4°in voorkomend geval, de naam, de voornamen, de verblijf- of woonplaats van zijn vader en zijn moeder, zijn meerderjarige kinderen, zijn echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, voor zover de beschermde of de te beschermen persoon met hen samenleeft, of van de persoon met wie de beschermde of de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, of, in voorkomend geval, de benaming en maatschappelijke zetel van de private stichting die zich uitsluitend inzet voor de beschermde persoon of een stichting van openbaar nut die voor de te beschermen persoon over een statutair ingesteld comité belast met het opnemen van bewindvoeringen beschikt;

5°de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die er bestaan tussen de verzoeker en de beschermde of de te beschermen persoon;

6°het voorwerp en in het kort de gronden van het verzoek;

7°de keuze van registratie van de verzoeker in het centraal register van bescherming van de personen en zo ja, zijn elektronisch adres;

8°de inventaris van de bij het verzoekschrift gevoegde genummerde stukken.

§ 2.Het verzoekschrift bevat bovendien en voor zover mogelijk de volgende vermeldingen:

1°de plaats en de datum van geboorte van de beschermde of de te beschermen persoon;

2°de aard en de samenstelling van de te beheren goederen;

3°de naam, de voornaam en de woonplaats van de meerderjarige familieleden in de dichtste graad, doch niet verder dan de tweede graad;

4°de naam, de voornaam en de woonplaats van de personen die zouden kunnen fungeren als vertrouwenspersoon;

5°de familiale, morele en materiële leefomstandigheden waarvan de kennis voor de vrederechter nuttig kan zijn bij de aanwijzing van een bewindvoerder;

6°in geval van een verzoek tot plaatsing onder bescherming bedoeld in de artikelen 488/1 en 488/2 van het Burgerlijk Wetboek, suggesties betreffende de keuze van de aan te stellen bewindvoerder, de aard en de omvang van diens bevoegdheden;

7°in voorkomend geval, de naam, de voornamen en de verblijf- of woonplaats van de bewindvoerder, de bewindvoerders en de vertrouwenspersoon of lasthebber;

8°het elektronisch adres en het telefoonnummer waarop de betrokken personen kunnen worden bereikt.

§ 3.Als het verzoek onvolledig is, stelt de rechter de verzoeker ervan in kennis dat hij het verzoek binnen acht dagen dient aan te vullen, tenzij die vermeldingen reeds zijn opgenomen in het register bedoeld in artikel 1253/2.

Art. 1241

§ 1.Wanneer het verzoek een mogelijke weerslag heeft op de bekwaamheid van de beschermde of de te beschermen persoon, in de zin van artikel 491, e) van het Burgerlijk Wetboek, wordt een omstandige geneeskundige verklaring, waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld, van ten hoogste vijftien dagen oud, afgeleverd door een erkende arts of een psychiater, bij het verzoekschrift gevoegd, tenzij het verzoek gegrond is op artikel 488/2 van het Burgerlijk Wetboek.

Die verklaring beschrijft de gezondheidstoestand van voornoemde persoon op grond van de actuele medische gegevens van het patiëntendossier bedoeld in artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt of een recent onderzoek van de persoon.

Het model bedoeld in het eerste lid vermeldt minstens:

1°of de beschermde of de te beschermen persoon zich kan verplaatsen en, zo ja, indien zulks gelet op zijn toestand aangewezen is;

2°de gezondheidstoestand van de beschermde of de te beschermen persoon;

3°de weerslag van deze gezondheidstoestand op het behoorlijk beheren van zijn belangen van vermogensrechtelijke of andere aard.

Wat betreft de belangen van vermogensrechtelijke aard bedoeld in het derde lid, 3°, wordt inzonderheid vermeld of de beschermde of de te beschermen persoon nog bij machte is kennis te nemen van de rekenschap van het beheer;

4°de zorgverlening die een dergelijke gezondheidstoestand normaal met zich meebrengt.

Deze geneeskundige verklaring mag niet worden opgesteld door een arts die een bloed- of aanverwant is van de beschermde of te beschermen persoon of van de verzoeker of die op enigerlei wijze verbonden is aan de instelling waar de beschermde of te beschermen persoon zich bevindt.

De Koning bepaalt de procedures en de voorwaarden voor de erkenning van de artsen bedoeld in het eerste lid.

§ 2.In geval van nood of absolute onmogelijkheid om de geneeskundige verklaring bij te voegen om redenen die de verzoeker toelicht en voor zover het verzoekschrift voldoende elementen bevat om een beschermingsmaatregel te rechtvaardigen, duidt de rechter een erkende arts of psychiater aan om een advies uit te brengen over de gezondheidstoestand van de beschermde of te beschermen persoon.

Art. 1242

De griffie van het vredegerecht gaat na of in één van de centrale registers hiertoe bijgehouden door de Koninklijke federatie van het Belgisch Notariaat, een lastgevingsovereenkomst als bedoeld in artikel 490 van het Burgerlijk Wetboek, een beslissing om deze overeenkomst te beëindigen of een verklaring houdende keuze van een bewindvoerder en van een vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 496 van het Burgerlijk Wetboek, werd geregistreerd. Hij vraagt, in voorkomend geval, de notaris of de griffier van het vredegerecht waar de lastgevingsovereenkomst werd neergelegd of de akte tot aanwijzing van een bewindvoerder en van een vertrouwenspersoon werd verleden, dit eensluidend verklaard afschrift mee te delen.

Art. 1243

In de gevallen waarin de wet de vrederechter toestaat ambtshalve de zaak aanhangig te maken, wordt een proces-verbaal opgesteld. Er wordt voorts gehandeld overeenkomstig dit hoofdstuk.

Art. 1244

§ 1.De rechter onderzoekt het verzoek.

§ 2.Hij roept ambtshalve de verzoeker op wanneer deze vraagt gehoord te worden.

Hij kan geen maatregel bevelen die raakt aan de bekwaamheid van de beschermde persoon of van de te beschermen persoon in de zin van artikel 491, e), van het Burgerlijk Wetboek zonder hem voorafgaandelijk te hebben opgeroepen, tenzij deze in de onmogelijkheid verkeert om zich te verplaatsen.

Hij kan bovendien de personen bedoeld in het eerste en tweede lid, de lasthebber, de bewindvoerder of bewindvoerders, de vertrouwenspersoon en de personen die zijn vermeld in artikel 1240, § 1, 4°, zelfs ingeval zij niet met de beschermde of de te beschermen persoon samenleven, oproepen telkens hij dit nuttig acht. Deze personen kunnen eveneens vrijwillig ter zitting verschijnen.

De oproepingen worden ter kennis gebracht door de griffier. Bij de oproepingen worden een afschrift van het verzoekschrift en desgevallend, een afschrift van de verklaring bedoeld in artikel 496 van het Burgerlijk Wetboek gevoegd.

De personen die worden opgeroepen en diegenen die overeenkomstig het derde lid vrijwillig zijn verschenen worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. Zij worden hiervan op de hoogte gebracht in de oproeping of, bij gebrek ervan, ter zitting.

Art. 1244/1

§ 1.Telkens wanneer de beschermde persoon of te beschermen persoon verschijnt zonder bijstand van een advocaat vraagt de rechter de persoon of hij wenst dat een advocaat wordt aangewezen, hetzij door er zelf een aan te wijzen, hetzij op vraag van de griffier. In dit laatste geval vraagt de griffier de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand om van ambtswege een advocaat aan te wijzen.

Wanneer hij zulks noodzakelijk acht, kan de rechter ambtshalve de aanwijzing bevelen.

Ingeval een advocaat moet worden aangewezen, wordt de zaak verdaagd naar een nabije datum.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1 kan de advocaat bekleed met het mandaat van bewindvoerder van de beschermde persoon niet zijn advocaat zijn.

Diezelfde onverenigbaarheid wordt uitgebreid tot de medewerkers van de advocaat-bewindvoerder en tot de advocaten die hun activiteiten uitoefenen vanuit dezelfde organisatie of dezelfde materiële structuur als die van de advocaat-bewindvoerder of tot de advocaten die een feitelijke vereniging of vennootschap hebben gevormd om, tegen kostendeling, diensten te organiseren die de uitoefening van hun beroep vergemakkelijken, met of zonder hun honorarium te delen.

Art. 1245

§ 1.De beschermde of de te beschermen persoon kan, tot op de dag van de zitting en, indien hij dit wenst, vergezeld van de vertrouwenspersoon, verzoeken om afzonderlijk door de vrederechter in raadkamer te worden gehoord, vóór de andere in het geding betrokken partijen.

De beschermde of de te beschermen persoon wordt op een geschikte plaats gehoord.

Indien de beschermde persoon of de te beschermen persoon wilsonbekwaam is en de vertrouwenspersoon uiterlijk op de dag van de zitting verzoekt om afzonderlijk in raadkamer te worden gehoord vóór de andere in het geding betrokken partijen willigt de vrederechter dat verzoek in, tenzij hij bij een met redenen omklede beschikking zijn weigering te kennen geeft.

§ 2.Van het verhoor wordt een proces-verbaal opgemaakt dat wordt neergelegd in het administratief dossier bedoeld in artikel 1253. Indien de rechter tijdens het gesprek met de beschermde of de te beschermen persoon van oordeel is dat voornoemde persoon wilsonbekwaam is, wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal, met verduidelijking van de redenen hiervoor.

Art. 1246

§ 1.De vrederechter wint alle nuttige inlichtingen in.

§ 2.Hij kan een erkende arts of een psychiater aanwijzen die advies uitbrengt over de gezondheidstoestand van de betrokken persoon.

De Koning bepaalt de procedures en de voorwaarden voor de erkenning van de artsen bedoeld in het eerste lid.

§ 3.Wanneer het verzoek een mogelijke weerslag heeft op de bekwaamheid van de beschermde of de te beschermen persoon, in de zin van artikel 491, e), van het Burgerlijk Wetboek, wint de vrederechter nuttige inlichtingen in over de familiale, morele en materiële toestand en over de leefomstandigheden van die persoon bij de omgeving van de beschermde of te beschermen persoon of bij enige andere persoon die hem inlichtingen kan verschaffen. De bloedverwanten tot de tweede graad van de beschermde of de te beschermen persoon alsook de personen die belast zijn met zijn dagelijkse zorg of die hem begeleiden, worden als leden uit zijn omgeving beschouwd. Vanaf de beschikking tot aanstelling van een bewindvoerder over de goederen en zolang de bewindvoering loopt, kan de vrederechter met eenvoudige verwijzing naar voormelde beschikking tot aanstelling, alle informatie over de beschermde persoon opvragen bij het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. De vrederechter kan de griffier gelasten om deze informatie bij het voormelde administratief dossier te voegen.

In de andere gevallen kan facultatief gebruik worden gemaakt van de onderzoeks- en opsporingsmaatregelen bedoeld in het eerste lid.

In elk geval kan de rechter de in het eerste lid bedoelde inlichtingen bij de procureur des Konings, via de bevoegde sociale dienst, inwinnen.

§ 4.Wanneer daartoe aanleiding bestaat of op verzoek van de beschermde of te beschermen persoon, mag de vrederechter zich begeven naar de verblijfplaats van de beschermde of de te beschermen persoon of naar de plaats waar hij zich bevindt, in voorkomend geval vergezeld door personen die hijzelf of de betrokken persoon aanwijst. Hij doet zulks ambtshalve wanneer het verzoek een mogelijke weerslag heeft op de bekwaamheid van de beschermde of de te beschermen persoon en indien laatstgenoemde zich niet kan verplaatsen. Hij stelt een proces-verbaal op van het bezoek.

Art. 1247

De rechter tracht het standpunt van de partijen dichter bij elkaar te brengen op verzoek van een van hen of zelfs ambtshalve, indien hij zulks mogelijk acht.

Art. 1247/1

De rechter wijst de bewindvoerder aan nadat hij zich verzekerd heeft van zijn aanvaarding.

Art. 1247/2

De griffiers brengen de familiale bewindvoerders bij de kennisgeving van de beschikking houdende hun aanwijzing, op de hoogte van de informatiesessies die in het gerechtelijk arrondissement worden georganiseerd. Ze bezorgen hun een praktische gids over de nadere regels van hun mandaat. Ze geven hun inlichtingen over de permanenties of initiatieven georganiseerd in het gerechtelijk arrondissement die hun kunnen helpen bij de uitoefening van hun opdrachten.

Art. 1248

De rechter stelt de regels vast inzake de kosten en uitgaven. De artikelen 1017 en volgende zijn niet van toepassing.

De rechter beslist in het licht van de omstandigheden van elke zaak of de kosten van de ambtshalve toegewezen advocaat in de gevallen bedoeld in artikel 1244/1 aan de verzoeker of de beschermde of te beschermen persoon in rekening worden gebracht, tenzij de verzoeker of de beschermde of te beschermen persoon voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 508/13 om te genieten van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de tweedelijns rechtsbijstand.

Art. 1249

De beschikking wordt in raadkamer gegeven.

Naast de vermeldingen opgesomd in artikel 780 vermeldt de beschikking het rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister van de beschermde persoon.

Art. 1249/1

§ 1.De beschikkingen zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande voorziening en zonder borgstelling, tenzij de rechter anders heeft beslist.

§ 2.In afwijking van artikel 1047, eerste lid, kan tegen de beschikking die een weerslag heeft op de bekwaamheid van de beschermde of de te beschermen persoon, in de zin van artikel 491, e), van het Burgerlijk Wetboek steeds verzet worden gedaan, maar enkel door de beschermde of de te beschermen persoon.

§ 3.Onverminderd artikel 1057 bevat de door de oorspronkelijke verzoekende partij ingestelde akte van hoger beroep de in artikel 1240 bedoelde vermeldingen.

De artikelen 1249/3 en 1249/4 zijn niet van toepassing in hoger beroep.

Art. 1249/2

§ 1.Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier kennis van de beschikkingen aan de partijen en, in voorkomend geval, de bewindvoerders.

Een niet ondertekend afschrift wordt, in voorkomend geval, binnen dezelfde termijn aan de beschermde persoon, de vertrouwenspersonen en de advocaten van de partijen meegedeeld.

§ 2.De termijn om de rechtsmiddelen aan te wenden voor de partijen begint te lopen vanaf deze kennisgeving. De griffier brengt de partijen hiervan op de hoogte op het ogenblik van de kennisgeving.

§ 3.Een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte kan worden meegedeeld aan enige andere persoon die een bijzonder belang verantwoordt in verband met de bescherming van de betrokken persoon.

§ 4.Een uittreksel van het beschikkend gedeelte van de beschikking tot plaatsing onder gerechtelijke bescherming van een professionele bewindvoerder wordt binnen drie dagen na de uitspraak ervan door de griffie van de vrederechter aan de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar meegedeeld.

Art. 1249/3

De verzoekschriften gegrond op artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek worden neergelegd via het in artikel 1253/2 bedoelde register, hierna "register" genoemd.

De als bijlage bijgevoegde stukken bij de verzoekschriften worden neergelegd ter griffie of neergelegd via het register.

Art. 1249/4

§ 1.Elke kennisgeving, elke mededeling of elke neerlegging ter griffie in het kader van het huidig hoofdstuk of van boek 1, titel XI, hoofdstukken II en II/1, van het Burgerlijk Wetboek gebeurt uitsluitend via het register tussen de volgende categorieën personen:

1°het vredegerecht, met inbegrip van de griffie;

2°het openbaar ministerie;

3°de andere openbare diensten;

4°de advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders;

5°de private stichtingen die zich uitsluitend inzetten voor de te beschermen persoon en de stichtingen van openbaar nut die voor de te beschermen personen over een statutair ingesteld comité belast met het opnemen van bewindvoeringen beschikken, gevestigd in België en die in het register zijn ingeschreven.

6°elk ander persoon, in zover hij ingeschreven is in het register voor de betrokken procedure.

De stichtingen bedoeld in het eerste lid, 5°, worden beschouwd als ingeschreven na ontvangst van de voorwaarden voor inschrijving in het register.

Ten aanzien van de personen bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, die in het register zijn ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere procedure, maar nog niet voor de betrokken procedure zijn ingeschreven, doet de griffie de eerste mededeling of kennisgeving door middel van het register, met de vraag om de inschrijving binnen drie werkdagen te bevestigen. De bevestiging die binnen die termijn wordt gegeven geldt als inschrijving in het register voor de betrokken procedure. Bij gebreke van bevestiging binnen de termijn, wordt de elektronische mededeling of kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat de griffie over tot de mededeling of kennisgeving in papieren vorm.

§ 1/1.Ten aanzien van de geadresseerde, worden de termijnen die vanaf een via het register gedane kennisgeving of mededeling beginnen te lopen, berekend:

1°vanaf de dag die volgt op de dag van het bericht van opening wanneer het gaat om de kennisgeving van een in artikel 1249/5, § 2, bedoelde oproeping, of van een in artikel 1249/5, § 3, bedoelde beslissing;

2°vanaf de dag die volgt op de dag van de verzending in de andere gevallen, tenzij de geadresseerde het tegendeel kan bewijzen.

In de in artikel 1, 1°, bedoelde gevallen wordt de kennisgeving bij gebreke van een bericht van opening binnen de twee werkdagen na de verzending van de kennisgeving, als ongedaan beschouwd en wordt overgegaan tot de kennisgeving in papieren vorm.

§ 2.Ingeval een handeling niet kon worden verricht binnen de, zelfs op straffe van nietigheid of van verval voorgeschreven, termijnen wegens het disfunctioneren van het register, dient deze verricht te worden ten laatste op de eerste werkdag na de laatste dag van de termijn, hetzij op papier, hetzij op elektronische wijze, ingeval het register opnieuw gebruikt kan worden.

§ 3.Elke kennisgeving, elke mededeling of elke neerlegging die heeft plaatsgegrepen met schending van de eerste en tweede paragraaf wordt beschouwd als onbestaande.

§ 4.De tekst van dit artikel wordt overgenomen in elke mededeling of kennisgeving uitgaande van de griffie. In geval deze is bestemd voor een partij die niet is ingeschreven, bevat ze tevens de nadere regels tot inschrijving in het register.

Art. 1249/5

§ 1.Wanneer de kennisgeving niet op elektronische wijze gebeurt en deze wijze niet is opgelegd overeenkomstig deze onderafdeling, geschiedt iedere kennisgeving of iedere neerlegging in het kader van dit hoofdstuk of in het kader van boek I, titel XI, hoofdstukken II en II/1, van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstig dit artikel.

§ 2.Alle oproepingen gericht aan de beschermde of de te beschermen persoon, de bewindvoerders of de vertrouwenspersoon worden bij gerechtsbrief ter kennis gebracht door de griffier.

§ 3.De volgende beslissingen worden bij gerechtsbrief ter kennis gebracht door de griffier:

1°de beslissingen met het oog op het mandaat, de uitvoering of de beëindiging ervan, op grond van de artikelen 490/1, §§ 2 en 3, en 490/2, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;

2°de beslissingen betreffende de aanwijzing van een bewindvoerder, zijn vervanging, het einde van zijn mandaat of de wijziging van zijn opdrachten, op grond van de artikelen 490/1, § 1, vierde lid, 496/2, 496/3, eerste lid, 496/4, 496/7, 497/4 en 499/15 van het Burgerlijk Wetboek;

3°de beslissingen betreffende de homologatie van de aanwijzing van een vertrouwenspersoon, zijn vervanging of het einde van zijn mandaat, op grond van de artikelen 501 en 501/1 van het Burgerlijk Wetboek; en

4°de beslissingen met het oog op de goedkeuring, de wijziging of de beëindiging van een rechterlijke beschermingsmaatregel op grond van de artikelen 490/1, § 2, derde lid, 490/2, § 2, eerste lid, 492/1, 492/4, 493, § 3, 499/4 en 498/1 van het Burgerlijk Wetboek.

§ 4.Alle andere kennisgevingen geschieden bij gewone brief.

§ 5.Elk verzoekschrift, vergezeld van de bijgevoegde documenten, wordt per aangetekende zending naar de griffier verstuurd of ter griffie neergelegd.

Art. 1249/6

§ 1.De griffier converteert in elektronische vorm, verklaart gelijkvormig en laadt in het register de documenten en stukken op die hem worden meegedeeld of die worden neergelegd langs een andere weg dan het register, in geval dit is toegelaten ingevolge deze onderafdeling. De Koning kan de vorm bepalen waarin de verklaring wordt gedaan.

In geval van tegenstrijdigheid tussen de papieren documenten en stukken en deze opgeladen in het register hebben de papieren documenten en stukken voorrang op deze laatsten.

De Koning bepaalt de voorwaarden voor de verbetering van de gegevens in het register.

§ 2.De documenten en stukken die op het ogenblik van inwerkingtreding van deze bepaling in papieren vorm ter griffie worden gehouden worden geacht deel uit te maken van het register. Zij hoeven niet te worden opgeladen in het register en zijn raadpleegbaar ter griffie.