De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.
Als de zaak behoort tot de bevoegdheid van de familierechtbank, wordt deze enkel in geval van volstrekte noodzakelijkheid bij de voorzitter aanhangig gemaakt.
De voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de ondernemingsrechtbank kunnen bij voorraad uitspraak doen in gevallen die zij spoedeisend achten, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren.
De zaak wordt vóór de voorzitter aanhangig gemaakt in kort geding of, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, bij verzoekschrift.
De voorzitter kan onder meer:
1°sekwesters aanstellen;
2°om het even welke vaststellingen of deskundige onderzoekingen bevelen, zelfs met raming van de schade en opsporing van de oorzaken ervan;
3°alle nodige maatregelen bevelen tot vrijwaring van de rechten van hen die de nodige voorzieningen niet kunnen treffen, met inbegrip van de verkoop van roerende goederen die heerloos of verlaten zijn;
4°bevelen dat een of meer getuigen worden gehoord wanneer een partij van een kennelijk belang doet blijken, zelfs met het oog op een toekomstig geschil, indien vaststaat dat het bij enige vertraging van dat verhoor te vrezen is dat het getuigenis niet meer zal kunnen worden afgenomen.
(5° bevelen, in geval van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht bepaald bij artikel 1369bis /1, begaan op commerciële schaal, en op verzoek van de houder van het recht die omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, om ten bewarende titel beslag te laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. De voorzitter, die uitspraak doet over deze vordering, gaat na:
1) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is;
2) of de inbreuk op het betrokken intellectueel recht niet redelijkerwijze betwist kan worden;
3) of, na de betrokken belangen, waaronder het algemeen belang, te hebben afgewogen, de feiten en, in voorkomend geval, de stukken waarop de eiser zich baseert van dien aard zijn dat ze het beslag - dat tot de bescherming strekt van het ingeroepen recht - redelijkerwijze verantwoorden.
6°bevelen, in geval van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim als bedoeld in artikel XI.332/4 van het Wetboek van economisch recht, en op verzoek van de houder van het bedrijfsgeheim, om ten bewarende titel beslag te leggen op de inbreukmakende goederen, met inbegrip van ingevoerde goederen, of om ze af te geven, om te vermijden dat ze in de handel worden gebracht of zich in het handelsverkeer bevinden;
7°in geval van niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud bedoeld in artikelen 136, 137, 142, derde en vierde streepje, 143, derde en vierde streepje, 144, derde en vierde streepje, 145, tweede lid, derde en vierde streepje, 146, tweede lid, derde en vierde streepje, 147, eerste lid, derde en vierde streepje, 148, derde en vierde streepje, en 149, derde en vierde streepje, van het Strafwetboek, en op verzoek van de persoon die op de visuele of geluidsinhoud voorkomt of van zijn wettelijke vertegenwoordiger of van zijn rechtsopvolgers, bevelen dat de verspreider of elke als tussenpersoon optredende dienstverlener die een activiteit uitoefent als bedoeld in de artikelen 4 of 6 van Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG, alle passende middelen aanwendt om de beelden onmiddellijk weg te halen of ontoegankelijk te maken, uiterlijk binnen zes uur na de betekening van de beschikking.
8°herstelmaatregelen tegen de represailles treffen, met inbegrip van voorlopige maatregelen in afwachting van de beslechting van de gerechtelijke procedure, in het kader van de geschillen bedoeld in artikel 578, 25°, van dit wetboek.
Voor de vorderingen bedoeld in het vijfde lid, in de bepaling onder 7°, geldt een vermoeden van volstrekte noodzakelijkheid en wordt elke verspreiding geacht niet-consensueel te zijn tot het bewijs van het tegendeel is geleverd, onverminderd artikel 133 van het Strafwetboek. De voorzitter, die uitspraak doet over deze vorderingen, verzekert zich ervan dat zijn beschikking alle gegevens bevat, noodzakelijk voor de identificatie van deze visuele of geluidsinhoud. Deze gegevens worden, op straffe van nietigheid, opgenomen in de vordering. Indien de eiser echter in zijn vordering aantoont dat hij deze gegevens of een deel ervan niet kan verstrekken, gelast de voorzitter de overlegging ervan aan elke andere houder overeenkomstig de artikelen 871 en 877 tot 882. Hij kan in voorkomend geval een eerste beschikking geven op basis van de gegevens waarover hij beschikt.