Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16)

Eerste afdeling - Hof van beroep.

101–113quater

Art. 101

§ 1 Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, waarvan een of meer kamers voor minnelijke schikking, kamers voor correctionele zaken, jeugdkamers en familiekamers, tot die laatste kamers behoren kamers voor minnelijke schikking-.

Ten minste één correctionele kamer neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen gewezen betreffende de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde aangelegenheden.

Ten minste één van de jeugdkamers wordt bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader van een misdrijf met uitzondering van misdrijven bedoeld in artikel 216novies van het Wetboek van strafvordering.

In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd.

De Koning kan, na advies van de eerste voorzitter, de procureur-generaal, de hoofdgriffier en de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, bepalen dat een of meer jeugdkamers of familiekamers zitting houden ter zetel van de rechtbank van eerste aanleg of een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg in een andere provincie van het rechtsgebied van het hof voor de behandeling van de hogere beroepen tegen de vonnissen van de familie- en jeugdrechtbanken van de betrokken provincie.

§ 2.Het hof van beroep bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in het hof van beroep.

De kamers van het hof van beroep houden zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof.

De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer is samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, en uit één raadsheer in het arbeidshof.

Opdat de in § 1, derde lid, bedoelde jeugdkamers rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten ten minste twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de voortgezette vorming van de magistraten, zoals bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de familie- en jeugdrechtbank.

Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een raadsheer in het hof die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd. Als de dienstbehoeften zulks verantwoorden, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, uitzonderlijk en nadat het advies van de procureur-generaal is ingewonnen, een werkend magistraat aanwijzen om de bovengenoemde functies voor een termijn van ten hoogste een jaar te vervullen, zelfs als die magistraat de gespecialiseerde opleiding niet heeft genoten.

Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie ten hoogste zes raadsheren kunnen worden benoemd met toepassing van artikel 207, § 3, 4°. Bij de benoeming wordt er rekening gehouden met het taalevenwicht.

De raadsheren die zetelen in de correctionele kamers, de familiekamers en de jeugdkamers, en de kamer van inbeschuldigingstelling volgen binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een grondige opleiding inzake seksueel- en intrafamiliaal geweld met in het bijzonder aandacht voor feminicides en gendergerelateerde dodingen, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.

§ 3.De kamer van inbeschuldigingstelling kan zitting hebben in de gevangenis voor de behandeling van zaken met toepassing van artikel 30 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de artikelen 14 en 17 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de artikelen 3 en 5 van de uitleveringswet van 15 maart 1874.

§ 4.In geval van veiligheidsrisico's, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, op schriftelijke of mondelinge vordering van de procureur-generaal of van de federale procureur of deze magistraten gehoord, in overleg met de voorzitter van de betrokken rechtbank van eerste aanleg of de eerste voorzitter van het betrokken hof van beroep gelasten dat een correctionele kamer in het hof van beroep, in een bepaalde zaak een of meerdere zittingen houdt in een zetel of afdeling van een rechtbank van eerste aanleg die al dan niet gelegen is in hetzelfde rechtsgebied, of van een ander hof van beroep, en zo daartoe grond bestaat, dat die zaak aldaar berecht wordt.

§ 5.In geval van veiligheidsrisico's, wanneer geen geschikte zittingsplaats kan worden gevonden met toepassing van paragraaf 4, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, in samenspraak met de minister bevoegd voor Justitie, op schriftelijke of mondelinge vordering van de procureur-generaal of van de federale procureur of deze magistraten gehoord, gelasten dat een correctionele kamer in het hof van beroep in een bepaalde zaak een of meerdere zittingen houdt in een zittingsplaats die hij daartoe aanwijst en, zo daartoe grond bestaat, dat die zaak aldaar berecht wordt.

Art. 102

§ 1.Er zijn plaatsvervangende raadsheren in het hof van beroep; zij worden benoemd ter vervanging van de verhinderde raadsheren.

De plaatsvervangende raadsheren kunnen geroepen worden zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de zetel overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen.

In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven.

(Zij kunnen echter geen zitting nemen in de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer deze uitspraak doet met toepassing van de artikelen 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering.)

Een plaatsvervangend raadsheer kan alleen zetelend zitting nemen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd.

§ 2.De plaatsvervangende raadsheren kunnen niet worden geroepen om zitting te nemen tijdens een terechtzitting in de loop waarvan zij rechtstreeks of via een tussenpersoon optreden als raadsman voor de partijen die betrokken zijn in een geschil.

Art. 103

Er is een arbeidshof in ieder rechtsgebied van een hof van beroep.

Het arbeidshof bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters, raadsheren in het arbeidshof en raadsheren in sociale zaken.

Er zijn plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken, benoemd om tijdelijk de verhinderde raadsheren in sociale zaken te vervangen.

Art. 104

Het arbeidshof bestaat uit kamers die zitting houden met een raadsheer in het arbeidshof en, naar gelang het geval, met twee of vier raadsheren in sociale zaken. Elk arbeidshof stelt een of meer kamers voor minnelijke schikking in. Wanneer het arbeidshof in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.

De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°, 3° en 7°, bestaan, buiten de voorzitter, uit een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider of als werknemer-bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer.

Die kamers bestaan evenwel uit twee raadsheren in sociale zaken benoemd als werkgever, en twee raadsheren in sociale zaken respectievelijk benoemd als arbeider en als bediende, wanneer het beroep gericht is tegen een vonnis uitgesproken door een kamer met vier rechters in sociale zaken.

(De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° en 12°, a), 579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de toepassing op werkgevers van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en werknemer.)

(De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 578, 12°, b), bestaan behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en zelfstandige.)

De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 582, (1° en 2°), bestaan, buiten de voorzitter uit twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als zelfstandige en de andere als werknemer.

(De Kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in de artikelen 578bis en 581 of betreffende de toepassing op zelfstandigen van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan buiten de voorzitter, uit twee raadsheren in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen.)

Heeft het geschil betrekking op een werknemer die mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid is, dan moet, in de mate van het mogelijke, de raadsheer in sociale zaken die als werknemer benoemd is, bovendien tot dezelfde kategorie behoren of behoord hebben als de betrokken werknemer.

De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels vast volgens welke de raadsheren in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van deze bepaling.

(In afwijking van het eerste lid bestaan de kamers die kennis nemen van het hoger beroep tegen een vonnis betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden uit een raadsheer bij het Arbeidshof.)

De kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzitter, raadsheer in het arbeidshof, en twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Een plaatsvervangend raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.

Art. 105

Er is in ieder hof van beroep en in ieder arbeidshof een bureau voor rechtsbijstand dat een of meer kamers omvat.

Iedere kamer bestaat uit een kamervoorzitter of een raadsheer in het hof.

De zaken worden onder de diverse afdelingen verdeeld volgens een reglement dat de eerste voorzitter van het hof vaststelt.

Art. 106

Het bijzonder reglement van het hof van beroep en dat van het arbeidshof worden door de eerste voorzitter vastgesteld, op advies van de procureur-generaal, van de hoofdgriffier en van de vergadering van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter van het hof van beroep. De stafhouders kunnen evenwel hun advies schriftelijk aan de eerste voorzitter van het hof van beroep toezenden. Het advies van de eerste voorzitter van het arbeidshof is eveneens vereist voor de in artikel 101, § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer.

Dit reglement bepaalt het aantal kamers van het hof, hun bevoegdheid en het aantal raadsheren en in voorkomend geval het aantal werkende of plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken daaraan verbonden. (Het bevat de aanduiding van de kamers die in het hof van beroep onderscheidenlijk met drie raadsheren in het hof of met één enkele zitting houden.)

Het reglement van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Brussel, bepaalt de kamers die kennis nemen van de zaken in het Nederlands, in het Frans of in een van beide.

(De reglementen van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Luik bepalen welke kamers kennis nemen van zaken in het Duits alsook hun samenstelling.)

Het reglement wordt ter griffie van het hof aangeplakt.

Art. 106bis

§ 1.Teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken zijn er aanvullende kamers tot 30 juni 2011.

Er wordt voor deze kamers, die uitsluitend in burgerlijke en fiscale zaken en in handelszaken zitting houden, een bijzonder reglement opgesteld overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 106, eerste lid.

Het reglement bepaalt het aantal aanvullende kamers van het hof van beroep.

§ 2.De aanvullende kamers zijn samengesteld uit ten minste twee plaatsvervangende raadsheren.

Zij mogen niet worden voorgezeten door een advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten.

Art. 106bis. (vanaf 01-07-2011)

<Opgeheven bij W 2010-12-29/02, art. 21, 169; Inwerkingtreding: 01-07-2011>

Art. 107

Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, naar gelang van het geval, hetzij ambtshalve, na het advies van de procureur-generaal en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, hetzij op verzoek van de procureur-generaal en na het advies van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de raadsheren en, in voorkomend geval, de raadsheren in sociale zaken die hij aanwijst.

Art. 108

Wanneer het hof van beroep geroepen wordt om zaken die na cassatie verwezen zijn, strafzaken uitgezonderd, met verenigde kamers te berechten, bestaat het uit twee kamers, aangewezen en voorgezeten door de eerste voorzitter, de kamervoorzitter of door de raadsheer die hem vervangt. (Deze kamers zijn uit drie raadsheren samengesteld.)

Indien de zaak in de bevoegdheid valt van het arbeidshof, wordt het hof voorgezeten door de eerste voorzitter, door de kamervoorzitter of door de raadsheer die hem vervangt en bestaat het daarenboven uit twee raadsheren in het arbeidshof en vier raadsheren in sociale zaken.

De eerste voorzitter wijst de kamer, de raadsheren en de raadsheren-assessoren aan.

Art. 109

De eerste voorzitter is belast met de algemene leiding en de organisatie van het hof.

Hij kan een of meer kamervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan.

Hij verdeelt de zaken overeenkomstig het bijzonder reglement van het hof. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, zoals de respectieve werklast van de kamers, de onbeschikbaarheid van een of meer raadsheren die daarin gewoonlijk zitting hebben, de bijzondere deskundigheid van sommigen van hen om een of meer zeer technische zaken te behandelen, de mate waarin het onderzoek van een zaak of van zaken die de eerste voorzitter, in afwijking van het voornoemde reglement, aan iemand anders wil toewijzen, gevorderd is en deze zaak of zaken klaar is of zijn voor behandeling, of andere daarmee vergelijkbare objectieve gronden, kan hij een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van het hof verdelen. Ingeval van moeilijkheden in verband met de verdeling van de zaken onder de kamers van eenzelfde hof van beroep is artikel 88, § 2, van toepassing.

Art. 109bis

§ 1.Tenzij het uitsluitend op burgerlijke vorderingen betrekking heeft of enkel nog op dergelijke vorderingen betrekking heeft, wordt het hoger beroep tegen beslissingen in strafzaken toegewezen aan een kamer met drie raadsheren, in voorkomend geval aan de kamer bedoeld in artikel 101, § 1, derde lid.

§ 2.Het Marktenhof neemt steeds zitting met drie raadsheren.

§ 3.De andere zaken worden toegewezen aan kamers met één raadsheer in het hof. Wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de eerste voorzitter zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie raadsheren toewijzen.

§ 4.Wanneer er van verscheidene samenhangende zaken ten minste één bij een kamer met drie raadsheren in het hof moet worden aanhangig gemaakt, verwijst de eerste voorzitter al die zaken naar zulk een kamer. Te dien einde kan hij ook hun vroegere verdeling wijzigen.

Art. 109quater

<Opgeheven bij W 2010-12-29/02, art. 23, 169; Inwerkingtreding: 01-07-2011>

Art. 112

(Eerste lid opgeheven)

Behoudens andersluidende bepalingen zit de eerste voorzitter de verenigde kamers en de plechtige zittingen voor. Hij houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in de gewone kamers in welk geval hij deze voorzit.

Art. 113

De strafzaken bedoeld in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering worden toegewezen aan de kamer voor burgerlijke zaken, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de voorzitter of de raadsheer in het hof die hem vervangt.

Art. 113bis

§ 1.Een raadsheer in een hof van beroep kan, met zijn instemming, opdracht krijgen om zijn ambt uit te oefenen in een ander hof van beroep. Een raadsheer in een arbeidshof kan, met zijn instemming, opdracht krijgen om zijn ambt uit te oefenen in een ander arbeidshof.

Een raadsheer in een hof van beroep kan, met zijn instemming, opdracht krijgen om een ambt uit te oefenen in een rechtbank van eerste aanleg of in een ondernemingsrechtbank. Een raadsheer in een arbeidshof kan, met zijn instemming, opdracht krijgen om een ambt uit te oefenen in een arbeidsrechtbank.

§ 2.De opdrachten kunnen al dan niet bijkomend worden uitgeoefend.

§ 3.Opdrachten kunnen enkel gegeven worden wanneer de behoeften van de dienst dit rechtvaardigen en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Consensus is vereist tussen de beide korpschefs. Wanneer de opdracht wordt uitgeoefend in een rechtbank van eerste aanleg, een ondernemingsrechtbank of arbeidsrechtbank van een ander rechtsgebied wordt het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof van dat rechtsgebied gevraagd. Bij gebrek aan advies binnen de termijn van veertien dagen wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs beslist het College van de hoven en rechtbanken na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs.

Naar gelang het geval wordt de opdrachtbeschikking opgesteld door de korpschef van de met de opdracht belaste magistraat of door de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.

De opdrachtbeschikking bepaalt de nadere regels van de opdracht, bevat de redenen van de opdracht, vermeldt in het geval bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, waarom beroep moet worden gedaan op een raadsheer en vermeldt in voorkomend geval waarom beroep moet worden gedaan op een raadsheer van een ander rechtsgebied.

De opdracht is ten hoogste een jaar geldig en kan in dezelfde omstandigheden en onder dezelfde voorwaarden worden hernieuwd. Voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn en waarin de aangewezen magistraat zitting heeft, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het eindvonnis of eindarrest.

Voor de duur van zijn opdracht blijft de aldus met de opdracht belaste magistraat geldig kennis nemen van de zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn en waarin hij zitting had voordat de opdracht werd gegeven.

Art. 113ter

§ 1.Een raadsheer in het arbeidshof krijgt, met zijn instemming, opdracht om aanvullend zitting te nemen in een in artikel 101, § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer.

§ 2.De opdrachten in een hof van beroep van een ander rechtsgebied kunnen enkel gegeven worden wanneer de behoeften van de dienst dit rechtvaardigen en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Consensus is vereist tussen de beide korpschefs.

Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs beslist het College van de hoven en rechtbanken na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs.

Naar gelang het geval wordt de beschikking opgesteld door de korpschef van de met de opdracht belaste magistraat of door de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.

Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 113bis, § 3, vijfde tot zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Art. 113quater

Indien de behoeften van de dienst of gevallen van overmacht het rechtvaardigen, kan de Koning, op voorstel of na advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep of het arbeidshof en van de procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, alsmede van de hoofdgriffier en van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de zetel van een afdeling tijdelijk verplaatsen naar een andere gemeente van het rechtsgebied. In de hoven die slechts één zetel tellen, kan die zetel onder dezelfde voorwaarden worden verplaatst naar een andere gemeente van het rechtsgebied.