Wanneer er ernstige en bepaalde aanwijzingen bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.
DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK II _ GEDING. › TITEL III _ Tussengeschillen en bewijs. › Eerste Afdeling _ Voorafgaande bepalingen.
Afdeling II _ Overlegging van stukken.
877–882bis
Art. 878
Indien een derde het stuk onder zich heeft, verzoekt de rechter deze vooraf het origineel of een afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging te voegen op de wijze en binnen de termijn die hij bepaalt.
De derde kan zijn opmerkingen bij geschrifte of in raadkamer voordragen.
De partijen mogen er inzage van nemen en er op antwoorden.
Het verzoek van de rechter wordt door de griffier aan de derde gezonden bij gerechtsbrief.
Art. 879
Het vonnis waarbij de overlegging van het origineel of van een afschrift van een stuk wordt bevolen, vermeldt de identiteit van de partij of van de derde die het moet overleggen en bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn dit moet geschieden.
Indien het stuk in afschrift moet worden overgelegd, vermeldt het vonnis bovendien de overheid die de juistheid ervan moet bevestigen en, indien daartoe grond bestaat, het voorschot dat de eiser in het tussengeschil in handen van de griffier moet storten.
Art. 880
Het vonnis wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan partijen en in voorkomend geval aan de derde.
Het is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
Art. 881
De Koning stelt regels omtrent de inning en de eventuele teruggave van het in artikel 879 bedoelde voorschot, alsmede omtrent de betaling van de kosten van afschrift.
Art. 882
Partijen of derden die zonder wettige reden nalaten het stuk zelf of het afschrift over te leggen volgens de beslissing van de rechter, kunnen worden veroordeeld tot zodanige schadevergoeding als behoort.
Art. 882bis
<Opgeheven bij W 2015-12-18/40, art. 3, 142; Inwerkingtreding: 01-01-2016>