Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt de vrederechter kennis:
1°van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak; van vorderingen tot betaling van vergoedingen voor bewoning van en tot uitzetting uit plaatsen zonder recht betrokken, onverschillig of die vorderingen al dan niet volgen uit een overeenkomst; van alle geschillen betreffende de uitoefening van het recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen;
2°van geschillen inzake gebruik, genot, onderhoud, behoud of beheer van het gemeenschappelijk goed in geval van medeeigendom;
2°bis van geschillen met betrekking tot de gedwongen mede-eigendom van gebouwen of groepen van gebouwen;
2°ter van geschillen inzake bovenmatige burenhinder, zoals bedoeld in de artikelen 3.101 en 3.102 van het Burgerlijk Wetboek;
3°van geschillen inzake erfdienstbaarheden en inzake de verplichtingen die de wet aan de eigenaars van aan elkaar grenzende erven oplegt;
4°van geschillen betreffende rechten van overgang;
5°van bezitsvorderingen;
6°van geschillen betreffende de vaststelling van de verplichtingen tot bevloeiing en drooglegging, de vaststelling van de loop der waterleiding en haar afmetingen en vorm, de bouw van de kunstwerken op te richten voor de waterwinning, het onderhoud van die werken, de veranderingen aan reeds bestaande werken, en de vergoedingen verschuldigd aan de eigenaar hetzij van het doorlopen erf, hetzij van het erf waar het water zal lopen, hetzij van datgene waarop de kunstwerken zullen worden opgericht;
7°geschillen als bedoeld in de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
8°van alle geschillen betreffende de uitoefening door de burgemeester van het opeisingsrecht inzake leegstaande gebouwen, bedoeld in artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet;
9°van alle geschillen betreffende militaire opvorderingen zowel wat het recht op de vergoeding als wat het bedrag ervan betreft;
10°van geschillen betreffende het herstel van mijnschade, en van de geschillen betreffende de vergoeding van de schade, veroorzaakt door het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen, door het opsporen of het winnen van aardwarmte of door de geologische opslag van koolstofdioxide en betreffende de vergoeding van het genotsverlies ten gevolge van het bezetten van gronden in het kader van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond;
11°van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen;
12°van geschillen betreffende erfdienstbaarheden van opruiming van struikgewas op gronden langs de spoorwegen;
13°van geschillen wegens schade, door mensen of dieren veroorzaakt aan velden, vruchten en veldvruchten;
14°de aan het leefloon gerelateerde verplichtingen tot levensonderhoud;
15°van de vorderingen tot koopvernietiging en de vorderingen tot nietigverklaring op grond van een gebrek van de zaak, bij verkoop of ruiling van dieren;
16°van geschillen betreffende toekenning van uitgesteld loon in land- en tuinbouw;
17°van de vorderingen inzake groefrecht;
18°van geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie;
18°van de betwistingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater;
19°van de vorderingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij artikel 14 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
20°betreffende het herstel van schade bedoeld door het dekreet van de Waalse Gewestraad betreffende het herstellen van schade veroorzaakt door grondwaterwinning en pomping; <DWG 1985-10-11/33, art. 6, 008>
21°van de betwistingen inzake kredietovereenkomsten evenals de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de betwistingen inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten, zoals geregeld bij wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;
22°van alle geschillen betreffende de uitoefening door de minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, van het opeisingsrecht inzake verlaten gebouwen, bedoeld in artikel 74 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen;
23°van geschillen betreffende de erfdienstbaarheden, als vermeld in artikel 4.1.23 en artikel 4/1.1.7 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
24°van de vorderingen betreffende de aangelegenheden, vermeld bij artikel 4.1.24, artikel 4.1.25, artikel 4/1.1.8 en artikel 4/1.1.9 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
25°van alle vorderingen tegen een natuurlijke persoon die geen onderneming is als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°, tot betaling van de levering van een nutsvoorziening verleend door een leverancier van elektriciteit, gas, warmte of water of door een persoon die een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een omroeptransmissie- of omroepdienst aanbiedt en tot betaling voor diensten of leveringen van geneeskundige of parageneeskundige zorgverstrekkers en onderwijsinstellingen;
26°van geschillen betreffende de erfdienstbaarheden, vermeld in artikel 21 en 41 van het decreet van 29 maart 2024 over het vervoer van koofstofdioxide via pijpleidingen in het Vlaamse Gewest;
27°van de vorderingen betreffende de aangelegenheden, vermeld in artikel 22, 23, 42 en 43 van het decreet van 29 maart 2024 over het vervoer van koofstofdioxide via pijpleidingen in het Vlaamse Gewest.
28°van geschillen over het sluiten van een overeenkomst over de renovatie van een gebouw tot de minimale energieprestatieniveaus als vermeld in artikel 7.8.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.