Alle wetboeken › WER

Boek XVII - Bijzondere rechtsprocedures › TITEL 1 - Vordering tot staking

HOOFDSTUK 1 - Algemene bepalingen

XVII.1/4–XVII.6/2

Art. XVII.1/4

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank stelt het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dit Wetboek, van zijn uitvoeringsbesluiten en van de verordeningen van de Europese Unie waarvoor dit Wetboek in sancties voorziet, onverminderd de bijzondere bepalingen eigen aan boeken VI, XI en XII, bedoeld in hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze titel.

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank neemt eveneens kennis van binnenlandse vorderingen tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten of kmo's. Hij stelt het bestaan vast en beveelt de staking van elke handeling die strijdig is met de bepalingen bedoeld in artikel XVII.37.

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank van Brussel is bevoegd om kennis te nemen van grensoverschrijdende vorderingen tot staking ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten of kmo's. Hij stelt het bestaan vast en beveelt de staking van elke handeling die strijdig is met de bepalingen bedoeld in het tweede lid.

Art. XVII.2

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank stelt het bestaan vast en beveelt eveneens de staking van de hiernavolgende inbreuken:

1°de uitoefening van een activiteit met miskenning van de bepalingen van boek III van dit Wetboek;

2°de niet-naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake het bijhouden van de sociale documenten en de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;

3°de tewerkstelling van werknemers zonder te zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zonder de vereiste aangiften te hebben gedaan of zonder de bijdragen, de bijdrageverhogingen of moratoire interesten te betalen;

4°de tewerkstelling van werknemers en het gebruik van werknemers in overtreding van de reglementering op de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling van werknemers aan gebruikers;

5°de niet-naleving van algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten;

6°het beletten van het toezicht uitgeoefend krachtens de bepalingen van boek III van dit Wetboek, en krachtens de wetten betreffende het bijhouden van de sociale documenten;

7°de niet-naleving van de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen inzake reclame, met uitsluiting van deze die vervat zijn in boek VI van dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan;

8°de tewerkstelling van een persoon door een werkgever die zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 12, 1°, a, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;

9°het niet-naleven van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake milieukeurmerk;

10°de uitoefening van een beroepsactiviteit zonder te beschikken over het met toepassing van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap vereiste attest;

11°de niet-naleving van de bepalingen van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening;

12°de uitoefening van het beroep van ondernemer van vervoer van zaken of van personen over de weg zonder houder te zijn van de vereiste vervoervergunningen en -machtigingen;

13°de niet-naleving van de voorschriften betreffende de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen;

14°de niet-naleving van de bepalingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bescherming van de consumenten inzake omroeptransmissie- en omroepdistributiediensten;

15°de niet-naleving van de bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie die betrekking hebben op aangelegenheden bedoeld in boek VI;

16°de niet-naleving van de bepalingen van artikel 18, §§ 2/1 tot 2/3/1 en §§ 5 tot 5/2, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals ingevoegd bij de wet van 25 augustus 2012 en van artikel 15/5bis, §§ 11/1 tot 11/3, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zoals ingevoegd bij de wet van 25 augustus 2012;

17°elke handeling of omissie die in strijd is met de artikelen 1649bis tot 1649nonies en 1701/1 tot 1701/19 van het oud Burgerlijk Wetboek en die schade heeft veroorzaakt, veroorzaakt of mogelijk zal veroorzaken aan de collectieve belangen van consumenten;

18°de niet-naleving van de bepalingen van artikelen 3, 6/1 en 10/1, van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten;

19°de niet-naleving van de bepalingen van de wet van 11 juni 2004 betreffende de informatieverstrekking bij de verkoop van tweedehandsvoertuigen.

Art. XVII.3

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank kan aan de overtreder een termijn toestaan om aan de inbreuk een einde te maken, wanneer de aard van de inbreuk dit nodig maakt. Hij kan de opheffing van het stakingsbevel toestaan wanneer een einde werd gemaakt aan de inbreuk.

Art. XVII.4

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank kan toestaan dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de overtreder.

Hij kan ook, onder dezelfde voorwaarden, de publicatie van een rechtzetting bevelen.

Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts toegestaan worden indien zij er kunnen toe bijdragen dat de gewraakte daad of de uitwerking ervan ophouden.

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank stelt het bedrag vast dat de partij waaraan een publicatiemaatregel overeenkomstig het eerste lid werd toegekend en die de maatregel heeft uitgevoerd niettegenstaande tijdig beroep tegen het vonnis werd ingesteld, zal verschuldigd zijn aan de partij in wiens nadeel de publicatiemaatregel werd uitgesproken, indien deze in beroep ongedaan wordt gemaakt.

Art. XVII.5

De vordering bedoeld in de artikelen XVII.1/4 en XVII. 2 kan niet meer worden ingesteld één jaar nadat de feiten waarop men zich beroept een einde hebben genomen.

Art. XVII.6

§ 1.De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding.

Zij mag worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034ter tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.

Elke uitspraak ingevolge een op de artikelen XVII.1/4 en XVII. 2 gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de minister, tenzij de uitspraak is gewezen op zijn vordering.

Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over de voorziening tegen elke uitspraak die op grond van de artikelen XVII.1/4 en XVII. 2 is gewezen.

Wanneer de uitspraak betrekking heeft op een overtreder met een gereglementeerd beroep dat ressorteert onder een beroepsregulerende overheid, moet die uitspraak bovendien worden meegedeeld aan die overheid. Ook moet de griffier van het rechtscollege, waar beroep is aangetekend tegen deze uitspraak, zulks onmiddellijk melden aan de bevoegde beroepsregulerende overheid.

§ 2.Bij vorderingen bedoeld in artikel XVII.1/4, tweede of derde lid, wordt de verjaringstermijn van de individuele vorderingen van de bij die vordering tot staking betrokken consumenten of kmo's geschorst voor de duur van de tijd tussen het instellen van de vordering tot staking en de dag van de beslissing waarop uitspraak wordt gedaan over die vordering tot staking.

Wanneer hij uitspraak doet over een vordering bedoeld in artikel XVII.1/4, tweede of derde lid, kan de rechter, na een verzoek daartoe door de bevoegde instantie en op voorwaarde dat de betrokken consumenten of kmo's kunnen worden geïndividualiseerd, van de overtreder verlangen dat hij op zijn kosten de betrokken consumenten of kmo's informeert over de definitieve beslissing die voorziet in de stakingsmaatregel. De rechter wijst dergelijk verzoek af indien de betrokken consumenten of kmo's op een andere manier worden geïnformeerd over de beslissing.

Art. XVII.6/1

Wanneer de feiten het voorwerp zijn van een vordering tot staking kan er enkel beslist worden over de strafvordering nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen betreffende de vordering tot staking.

Art. XVII.6/2

Bij het instellen van een vordering gegrond op artikel XVII.1/4, tweede of derde lid, verstrekt de bevoegde instantie Consumenten of kmo's de rechtbank voldoende informatie over de consumenten of kmo's die bij de vordering tot staking betrokken zijn.