Alle wetboeken › WER

Boek XV - Rechtshandhaving › TITEL 2 - De bestuurlijke handhaving

Adeling 2 - Bestuurlijke sancties in het kader van boek VII

XV.66–XV.66/11

Art. XV.66

Onverminderd de maatregelen omschreven door dit boek, door boek VII, titel 4, hoofdstuk 4 of door andere wetten of reglementen, kan de FSMA, wanneer zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van boek VII, titel 4, hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel VII.183, § 5, 4°, of op de maatregelen genomen ter uitvoering daarvan, een kredietgever een administratieve geldboete opleggen die niet lager mag zijn dan 2 500 euro en niet hoger dan 50 000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten.

Zij kan een kredietbemiddelaar, onder dezelfde voorwaarden, een administratieve geldboete opleggen die niet lager mag zijn dan 500 euro en niet hoger dan 25.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten.

De procedure waarin de artikelen 70 en volgende van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten voorzien, is van toepassing.

De FSMA informeert de FOD Economie over de definitieve sancties die werden getroffen overeenkomstig het voorgaande lid.

De dwangsommen en geldboetes opgelegd met toepassing van dit artikel worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen.

Art. XV.66/1

§ 1.De minister kan de in artikel XI.273/17 bepaalde vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken wanneer de vennootschap niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning, alsook wanneer de vennootschap zware of herhaalde inbreuken op de bepalingen van boek XI, titel 5, van de uitvoeringsbesluiten ervan of op de bepalingen van haar statuten of reglementen begaat of heeft begaan of wanneer de collectieve beheerorganisatie bedoeld in artikel XI.246, § 1, tweede lid zware of herhaalde inbreuken op bepalingen bedoeld in artikel XI.279, § 2 begaat of heeft begaan.

Als de intrekking van de vergunning wordt beoogd, deelt de minister vooraf aan de betrokken beheersvennootschap of beheerorganisatie bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee. Hij deelt de beheervennootschap of organisatie mee dat zij vanaf deze kennisgeving over een termijn van twee maanden beschikt om het dossier dat werd opgemaakt, in te kijken, om te worden gehoord door de minister of de hiertoe aangewezen persoon en om haar middelen te doen gelden.

De minister bepaalt vanaf welke datum de intrekking in werking treedt. Elke intrekking wordt binnen dertig dagen na de intrekkingsbeslissing in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Tussen de datum van kennisgeving van de intrekkingsbeslissing aan de beheersvennootschap of organisatie en de datum van inwerkingtreding van de intrekking, neemt de beheersvennootschap of organisatie onverminderd paragraaf 4 de voorzichtige en zorgzame maatregelen om de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning is ingetrokken, stop te zetten. Met name verwittigt zij onmiddellijk, volgens de nadere regels bepaald door de minister, de houders van rechten die haar het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd van de beslissing tot intrekking en van de datum van inwerkingtreding ervan.

Op de datum van inwerkingtreding van de intrekking van de vergunning geldt deze als ontbinding van de overeenkomsten waarbij de houders van de rechten het beheer van hun rechten toevertrouwen aan de beheersvennootschap of aan de collectieve beheerorganisatie. In geval van gedeeltelijke intrekking, worden de overeenkomsten ontbonden in de mate dat zij betrekking hebben op de activiteit waarvoor de vergunning werd ingetrokken.

§ 2.Vanaf de bekendmaking van de beslissing tot intrekking van de vergunning in het Belgisch Staatsblad worden in de deposito- en consignatiekas gestort, op een rekening geopend op initiatief van de bijzondere commissaris(sen) bepaald in paragraaf 4, waarbij in de rubriek de naam wordt vermeld van de vennootschap of organisatie waarvan de vergunning werd ingetrokken:

1°de rechten die nog verschuldigd zijn voor de periodes vóór de inwerkingtreding van de intrek-kingsbeslissing;

2°de rechten die onderworpen zijn aan een verplicht collectief beheer die nog verschuldigd zijn voor de periodes na deze inwerkingtreding indien op de datum van inwerkingtreding van de beslissing tot intrekking van de vergunning geen andere beheersvennootschap of collectieve beheerorganisatie gemachtigd is om deze rechten voor dezelfde categorie van rechthebbenden te beheren.

Het beheer van de in het eerste lid bedoelde rekening berust uitsluitend bij de bijzondere commissaris(sen) bedoeld in paragraaf 4.

§ 3.De handelingen en beslissingen van de vennootschap of de organisatie waarvan de vergunning werd ingetrokken, verricht met inbreuk van de intrekkingsbeslissing, zijn nietig.

§ 4.Vanaf de beslissing tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de vergunning van een beheersvennootschap of van een collectieve beheerorganisatie, kan de minister één of meer bijzondere commissarissen aanstellen, voor de duur die hij bepaalt, die over de vereiste juridische, financiële en boekhoudkundige bekwaamheden beschikken, ter vervanging van de bevoegde organen met het oog op en binnen de beperkingen van de uitvoering van de stopzetting van de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning is ingetrokken. De bijzondere commissarissen kunnen zich voor de uitvoering van hun opdracht laten bijstaan door elke deskundige.

De bijzondere commissaris of commissarissen bepaald in het eerste lid hebben als opdracht over te gaan tot de verdeling van de rechten bedoeld in paragraaf 2, volgens de verdelingsregels van de beheersvennootschap of indien deze niet conform blijken te zijn met de wet of met de statuten van de beheersvennootschap of de collectieve beheerorganisatie volgens de verdelingsregels die zij vaststellen. Voor zij worden vastgesteld worden de ontwerpen van verdelingsregels voor advies meegedeeld aan de Controledienst. Deze geeft haar advies binnen een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van de ontwerpen. Met het oog op en binnen de beperkingen van de uitvoering van de stopzetting van de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning wordt ingetrokken, mag(mogen) de in het eerste lid bepaalde commissaris(sen) de overeenkomsten inzake inning en beheer van rechten verlengen.

De bezoldiging van de bijzondere commissaris(sen) wordt vastgesteld door de minister volgens een door de Koning vastgestelde loonschaal en is verschuldigd door de vennootschap van wie de vergunning werd ingetrokken. Zij wordt voorgeschoten door het organiek fonds opgericht overeenkomstig artikel XI.287 en wordt gerecupereerd door de FOD Economie ten laste van de vennootschap waarvan de vergunning werd ingetrokken.

De bijzondere commissaris(sen) brengen minimum driemaandelijks schriftelijk verslag uit over hun werkzaamheden aan de minister.

De taak van de bijzondere commissarissen eindigt bij beslissing van de minister.

Art. XV.66/2

§ 1.Onverminderd de andere maatregelen bepaald door de wet en indien op het einde van de in toepassing van artikel XV.31/1 vastgestelde termijn, de vastgestelde tekortkoming niet werd verholpen, kan de minister of de hiertoe specifiek door de minister aangestelde ambtenaar, voor zover de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid hun middelen hebben kunnen laten gelden overeenkomstig paragraaf 2:

1°bekendmaken dat niettegenstaande de termijn bepaald in toepassing van artikel XV.31/1, de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid, zich niet gedragen heeft in overeenstemming met de wettelijke bepalingen waarop de inbreuk werd vastgesteld;

2°voor de termijn die hij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van de beheersactiviteit in de zin van artikel I.16, § 1, 4° tot 6° geheel of gedeeltelijk schorsen of deze activiteit verbieden, indien zij werd uitgeoefend zonder vergunning of zonder verklaring;

3°een administratieve geldboete van een bedrag tussen 100 en 110 000 euro opleggen aan de beheersvennootschap, vermeerderd met de opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdécimes op de strafrechtelijke geldboeten, behalve in het geval beoogd in artikel XV.112.

§ 2.Wanneer een van de in paragraaf 1 bepaalde maatregelen beoogd wordt, deelt de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar vooraf aan de betrokken beheersvennootschap, aan de onafhankelijke beheerentiteit, aan de collectieve beheerorganisatie of aan de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee.

Via deze aangetekende zending brengt hij de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid op de hoogte van:

1°de feiten op grond waarvan de procedure werd ingesteld;

2°het feit dat de overtreder de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden, binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar, en dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen;

3°het feit dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman;

4°het feit dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier in te kijken;

5°een kopie van de waarschuwing, bedoeld in artikel XV.31/1.

§ 3.De persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder de krachtens artikel XI.273/17 vereiste vergunning of zonder de krachtens artikel XI.273/18 vereiste verklaring, die handelingen stelt of beslissingen neemt in strijd met de schorsing of met het verbod, is aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.

Wanneer de persoon bedoeld in het eerste lid een rechtspersoon is, zijn de leden van de bestuurs- en beheersorganen en de personen belast met het beheer die handelingen stellen of beslissingen nemen in strijd met de schorsing of het verbod, hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.

De beslissing tot schorsing of tot verbod wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De daarmee strijdige handelingen en beslissingen zijn nietig.

§ 4.De beslissingen van de minister bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, hebben ten aanzien van de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of van de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid gevolgen te rekenen vanaf hun betekening aan bedoelde vennootschap, entiteit, organisatie of persoon bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, en ten aanzien van derden, te rekenen vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 1.

§ 5.Bij het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 2, tweede lid, 2°, of, desgevallend, na het schriftelijke of mondelinge verweer door de overtreder of zijn raadsman, kan de specifiek hiertoe aangestelde ambtenaar aan de overtreder een administratieve geldboete opleggen op basis van paragraaf 1.

De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen, mag worden uitgevoerd bij het verstrijken van een maand, te rekenen vanaf de dag van kennisgeving bedoeld in paragraaf 6.

§ 6.De beslissing wordt via aangetekende zending ter kennis gebracht van de overtreder.

§ 7.De in paragraaf 5 bedoelde ambtenaar kan geen administratieve boete opleggen na een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop het feit werd begaan, de eventuele beroepsprocedures niet inbegrepen.

Art. XV.66/3

§ 1.Onverminderd de andere maatregelen bepaald door de wet en indien op het einde van de door de Koning vastgestelde termijn, de in toepassing van artikel XI.285 door de FOD Economie gevraagde informatie niet wordt verschaft door een natuurlijk persoon of rechtspersoon van publiek of privaat recht, kan de minister of de hiertoe door de minister aangestelde ambtenaar, deze een administratieve geldboete opleggen van een bedrag tussen de 100 en 110.000 euro.

§ 2.Wanneer de administratieve geldboete bedoeld in § 1 overwogen wordt, brengt de minister of de daartoe specifiek aangewezen ambtenaar de betrokken persoon op voorhand op de hoogte van zijn klachten, via aangetekende zending met ontvangbewijs.

Via die aangetekende zending brengt hij de betrokken persoon op de hoogte van het feit, dat hij de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de daartoe specifiek aangewezen ambtenaar, en dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen.

§ 3.Elk beroep tegen de in dit artikel bedoelde administratieve geldboete wordt uitsluitend ingesteld voor het Marktenhof.

De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen heeft uitvoerende kracht zodra de termijn van een maand na de dag van kennisgeving, bedoeld in § 2, is verstreken.

Het beroep is opschortend.

§ 4.De beslissing wordt via aangetekende zending ter kennis gebracht van de overtreder.

§ 5.De administratieve geldboete kan niet worden opgelegd nadat één jaar verstreken is te rekenen vanaf de dag waarop de gevraagde gegevens hadden moeten zijn meegedeeld aan de FOD Economie of aan de derde die hij aanwijst, de eventuele beroepsprocedures niet inbegrepen.

Art. XV.66/4

Zonder afbreuk te doen aan het recht de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde rechter, kan de invordering van de administratieve boetes bepaald in de artikelen XV.66/2 tot XV.66/3 gebeuren bij dwangmaatregel door toedoen van de administratie van de btw, de registratie en de domeinen.

Art. XV.66/5

Onverminderd artikel XV.2, § 1, gaan de ambtenaren van de FOD Economie op regelmatige basis na of de schuldinvorderaar nog steeds voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarden die hem werd toegekend.

In het kader van deze controle kunnen de in het eerste lid bedoelde ambtenaren op elk ogenblik bij de schuldinvorderaar bijkomende inlichtingen en stukken opvragen.

De schuldinvorderaar brengt de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 onmiddellijk op elektronische wijze op de hoogte van elke wijziging van de gegevens bedoeld in artikel XIX.6. § 4, gevoegd bij de aanvraag tot inschrijving.

Art. XV.66/6

§ 1.Onverminderd de toepassing van de procedures en vervolgingen bedoeld in artikel XV.60/1, § 1, kan de inschrijving bedoeld in artikel XIX.6 door de ambtenaren van de FOD Economie geschrapt worden wanneer de betrokken schuldinvorderaar niet meer voldoet aan één van de voorwaarden bepaald in boek XIX of de besluiten genomen in uitvoering ervan of wanneer hij één van de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 6, of titel 4, hoofdstuk 1, van boek VI of één van de bepalingen van boek XIX of de besluiten genomen in uitvoering ervan niet naleeft.

De inschrijving bedoeld in artikel XIX.6 kan eveneens worden geschrapt indien de betrokken schuldinvorderaar niet, binnen de termijn bepaald door de ambtenaren van de FOD Economie, de bijkomende inlichtingen of stukken nodig voor de controle bedoeld in artikel XV.66/5, overmaakt.

§ 2.De ambtenaren van de FOD Economie delen de grieven vooraf, langs elektronische weg, aan de betrokken schuldinvorderaar mee.

De betrokken schuldinvorderaar kan zijn dossier raadplegen en beschikt, vanaf de mededeling bedoeld in het eerste lid, over een termijn van dertig kalenderdagen om zijn verweer voor te dragen.

De beslissing van de ambtenaren van de FOD Economie wordt aan de betrokken schuldinvorderaar langs elektronische weg meegedeeld.

§ 3.Wanneer de ambtenaren van de FOD Economie van oordeel zijn dat er moet worden overgegaan tot de schrapping van de in artikel XIX.6 bedoelde inschrijving, kan deze schrapping in geen geval langer duren dan één jaar vanaf de kennisgeving van de beslissing.

De ambtenaren van de FOD Economie kunnen beslissen dat de betrokken schuldinvorderaar geen nieuwe aanvraag tot inschrijving mag indienen tijdens de duur van de schrapping.

Na afloop van de periode van schrapping kan een nieuwe aanvraag tot inschrijving worden ingediend, overeenkomstig artikel XIX.6, om opnieuw de activiteiten uit te oefenen bedoeld in boek XIX.

§ 4.De inschrijving kan niet meer worden toegekend aan de personen tegen wie tot tweemaal toe een maatregel van schrapping genomen is met een respectievelijke duur van minstens één maand.

De inschrijving kan niet worden toegekend aan een rechtspersoon waarin het ambt van bestuurder, zaakvoerder, directeur of gevolmachtigde bekleed wordt door een persoon tegen wie tot tweemaal toe een maatregel van schrapping met een respectievelijke duur van minstens één maand genomen is.

§ 5.De Koning kan de bijkomende voorwaarden en bijkomende nadere regels voor de schrapping van de inschrijving en voor de weigering van de inschrijving bepalen.

Art. XV.66/7

§ 1.Onverminderd de in dit boek vastgelegde maatregelen, stuurt het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme, wanneer het vaststelt dat een aanbieder van databemiddelingsdiensten of een organisatie voor data-altruïsme die gevestigd is in België of een wettelijke vertegenwoordiger in België heeft, niet voldoet aan de vereisten bedoeld in de artikelen 11, 12, 18 tot 21 en 31 van Verordening 2022/868, de aanbieder of de organisatie een waarschuwing waarin deze wordt aangemaand een einde te maken aan de inbreuk.

De waarschuwing wordt binnen dertig dagen vanaf de dag van de vaststelling van de feiten aan de overtreder betekend per aangetekende zending met ontvangstbevestiging of door afgifte van een afschrift van de waarschuwing. De waarschuwing kan ook per elektronische post worden verzonden. Als de waarschuwing per elektronische post na verzending niet wordt beantwoord, wordt de waarschuwing uiterlijk vijftien dagen na de elektronische verzending per aangetekende zending met ontvangstbevestiging verzonden.

Wanneer de overtreder niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de inbreuk, begint de in het tweede lid bedoelde termijn van dertig dagen te lopen op de dag waarop het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme de vermoedelijke overtreder aan wie de inbreuk kan worden toegeschreven heeft kunnen identificeren.

De waarschuwing vermeldt:

1°de ten laste gelegde feiten en de overtreden bepaling(en);

2°dat een einde moet worden gemaakt aan de voormelde inbreuken, hetzij binnen een redelijke termijn die door het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme wordt bepaald, hetzij onmiddellijk in geval van een ernstige inbreuk;

3°dat de overtreder zijn verweermiddelen mondeling of schriftelijk kan indienen binnen dertig dagen vanaf de ontvangst van de waarschuwing of, bij gebrek daaraan, vanaf de neerlegging van het bericht waarin hij in kennis wordt gesteld van de aangetekende zending, alsook de procedure die moet worden gevolgd voor het voeren van verweer;

4°het recht van de overtreder om zich te laten bijstaan door een raadsman;

5°het recht van de overtreder om een afschrift van het dossier te krijgen;

6°dat, indien geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing, een administratieve procedure als bedoeld in de artikelen XV.66/8, XV.68/1 en XV.68/2 kan worden ingeleid;

7°dat de overtreder zich ertoe kan verbinden een einde te maken aan de inbreuk en, indien dat relevant blijkt, zich er eveneens toe kan verbinden corrigerende maatregelen te nemen, dat een dergelijke verbintenis door het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme kan worden aanvaard en aanleiding kan geven tot de stopzetting van repressieve maatregelen, maar niet noodzakelijk andere administratieve toepassingen uitsluit en dat de verbintenis van de overtreder om een einde te maken aan de inbreuk of, indien dat relevant blijkt, corrigerende maatregelen te nemen, openbaar kan worden gemaakt op de wijze voorzien in artikel XV.31/2, § 4.

§ 2.Bij de uitoefening van het toezicht op de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde bepalingen beschikt het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme over de bevoegdheden bedoeld in titel 1, hoofdstuk 1.

§ 3.In het kader van zijn opdrachten, bedoeld in dit boek, zorgt het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme voor een nauwe samenwerking met in het bijzonder de gegevensbeschermingsautoriteit, de Belgische mededingingsautoriteit, het Centrum voor Cybersecurity België en de nationale autoriteiten van de andere lidstaten die zijn aangeduid als bevoegd voor de toepassing van Verordening 2022/868.

Art. XV.66/8

§ 1.Wanneer de aanbieder van databemiddelingsdiensten of de organisatie voor data-altruïsme zich niet binnen de door het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme vastgestelde termijn heeft geschikt naar de waarschuwing bedoeld in artikel XV.66/7, stelt het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme een proces-verbaal op tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten.

De door het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. Binnen dertig dagen na de vaststelling dat aan de waarschuwing geen gevolg is gegeven, wordt een afschrift van het proces-verbaal per aangetekende zending met ontvangstbevestiging aan de aanbieder van databemiddelingsdiensten of de organisatie voor data-altruïsme betekend of persoonlijk overhandigd, op een van de wijzen bepaald in artikel XV.2, § 2.

§ 2.Onverminderd andere bij wettelijke of reglementaire bepalingen voorgeschreven maatregelen, kunnen de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 een administratieve procedure opstarten indien geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing bedoeld in artikel XV.66/7.

Deze ambtenaren oefenen die bevoegdheid uit onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen. Zij mogen geen beslissing nemen in een dossier waarin ze reeds zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen die betrokken zijn in de procedure.

§ 3.Het proces-verbaal, met daarbij een afschrift van de in artikel XV.66/7 bedoelde waarschuwing en alle andere relevante informatie, wordt door het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme voorgelegd aan de in paragraaf 2 bedoelde bevoegde ambtenaren. Na beoordeling van de grondslag en de inhoud van de in artikel XV.66/7 bedoelde waarschuwing, van het in paragraaf 1 bedoelde proces-verbaal en, in voorkomend geval, van de door de aanbieder van databemiddelingsdiensten aangevoerde verweermiddelen, kunnen deze ambtenaren:

1°eisen dat de aanvang van de uitoefening van de activiteit van databemiddeling wordt uitgesteld dan wel dat de verlening ervan wordt geschorst voor een duur die zij bepalen;

2°in geval van ernstige of herhaalde inbreuken eisen dat de uitoefening van de activiteit van databemiddeling wordt stopgezet voor een duur die zij bepalen;

3°een administratieve geldboete opleggen van een bedrag tussen 250 en 100.000 euro, vermeerderd met de opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten, of ten belope van 6 % van de totale jaaromzet van het laatste boekjaar voorafgaand aan het opleggen van de geldboete waarvoor gegevens beschikbaar zijn aan de hand waarvan de jaaromzet kan worden vastgesteld, indien dit een hoger bedrag is.

De uiteindelijke begunstigden, zoals bedoeld in artikel 4, 27°, tweede lid, a) en c), van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, de zaakvoerders en de bestuurders van rechtspersonen in functie bij het opleggen van de geldboete en gedurende het voorafgaande jaar, kunnen hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuken bedoeld in paragraaf 1.

§ 4.Na beoordeling van de grondslag en de inhoud van de in artikel XV.66/7 bedoelde waarschuwing en, in voorkomend geval, van de door de organisatie voor data-altruïsme aangevoerde verweermiddelen, beslissen de bevoegde ambtenaren, bedoeld in paragraaf 2:

1°het gebruik van het label van "in de Unie erkende organisatie voor data-altruïsme" in alle schriftelijke en mondelinge communicatie te verbieden. Deze beslissing wordt door de bevoegde ambtenaren openbaar gemaakt op de in paragraaf 6 bepaalde wijze;

2°over te gaan tot schrapping uit het betrokken openbaar nationaal register van erkende organisaties voor data-altruïsme en uit het openbaar register van erkende organisaties voor data-altruïsme binnen de Europese Unie.

§ 5.De in paragraaf 2 bedoelde bevoegde ambtenaren kunnen beslissen om aan de administratieve geldboete, bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, 3°, een bevel te koppelen om de door het controleorgaan voor de databemiddelingsdiensten en de organisaties voor data-altruïsme vastgestelde inbreuk binnen een bepaalde termijn te staken op straffe van een dwangsom waarvan het totaalbedrag niet hoger mag zijn dan 800.000 euro.

De dwangsom wordt opgelegd en bepaald door de in paragraaf 2 bedoelde bevoegde ambtenaren. De dwangsom kan als eenmalig bedrag, dan wel als bedrag per tijdseenheid of per inbreuk worden vastgesteld. In de laatste twee gevallen kan ook een bedrag worden bepaald waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.

De dwangsom kan worden opgeheven, voor een bepaalde periode worden geschorst of het bedrag van de dwangsom kan worden verlaagd op verzoek van de aanbieder van databemiddelingsdiensten tegen wie een bevel is uitgevaardigd om de inbreuk binnen een bepaalde termijn op straffe van een dwangsom te staken, indien hij definitief of tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, niet in staat is aan het bevel te voldoen. Als het bevel om de inbreuk te staken wordt opgeheven, wordt de dwangsom automatisch opgeheven.

De dwangsom is van rechtswege verschuldigd na het verstrijken van de termijn opgenomen in het stakingsbevel.

De dwangsom verjaart door verloop van een jaar na de dag waarop zij verbeurd is.

§ 6.Onverminderd de andere maatregelen voorgeschreven in dit Wetboek, kan de beslissing genomen op grond van paragraaf 4, 1°, door de ambtenaren bedoeld in paragraaf 2 openbaar worden gemaakt om consumenten en ondernemingen te waarschuwen of te informeren over het verbod dat aan de organisatie voor data-altruïsme wordt opgelegd om in elke schriftelijke en mondelinge communicatie het label "in de Unie erkende organisatie voor data-altruïsme" te gebruiken. In dit kader mogen de in paragraaf 2 bedoelde ambtenaren ook gegevens publiceren ter identificatie van de overtreder en gegevens met betrekking tot de vastgestelde overtredingen, de onderliggende praktijken, de middelen die zijn gebruikt om deze overtredingen te begaan en het besluit betreffende de opgelegde administratieve sanctie. Adressen mogen enkel worden gepubliceerd indien de overtreder daar niet zijn woonplaats heeft.

De beslissing om tot publicatie over te gaan, is vervat in de beslissing genomen op grond van paragraaf 4, 1°, en kan het voorwerp uitmaken van het beroep bedoeld in artikel XV.66/10. Er zal pas tot publicatie worden overgegaan nadat de in hetzelfde artikel bedoelde beroepstermijn is verstreken of, in voorkomend geval, nadat de in artikel XV.60/15 bedoelde beroepstermijn is verstreken.

De publicatie vindt plaats op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die toegankelijk is voor elke burger. De publicatie wordt verwijderd zodra de onderneming het bewijs levert dat ze de inbreuk heeft gecorrigeerd en dat er een beslissing is genomen dat de onderneming opnieuw het label "in de Unie erkende organisatie voor data-altruïsme" mag gebruiken in alle schriftelijke en mondelinge communicatie.

Art. XV.66/9

§ 1.Vijf jaar na de feiten kan de administratieve sanctie die wordt opgelegd krachtens artikel XV.66/8, §§ 3 of 4, niet meer worden opgelegd.

De onderzoekshandelingen of daden van vervolging, met inbegrip van de uitnodiging tot het indienen van verweermiddelen aan de aanbieder van databemiddelingsdiensten of aan de organisatie voor data-altruïsme in de waarschuwing, gesteld binnen de in het eerste lid genoemde termijn, stuiten evenwel de loop ervan. Met die handelingen of daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.

§ 2.De beslissing tot oplegging van een administratieve sanctie, bedoeld in artikel XV.66/8, §§ 3 en 4, omvat de volgende elementen:

1°de bepalingen die de rechtsgrond uitmaken voor de beslissing tot oplegging van een administratieve sanctie;

2°de referenties van de waarschuwing en van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten ten aanzien waarvan de procedure tot oplegging van een administratieve sanctie werd ingeleid;

3°in voorkomend geval, de datum waarop de verweermiddelen werden ingediend, een overzicht van de ingediende verweermiddelen en de repliek op deze verweren of de redenen voor de sanctie bij gebrek aan verweermiddelen;

4°de maatregelen die de aanbieder van databemiddelingsdiensten of de organisatie voor data-altruïsme moet nemen om de vastgestelde inbreuken te verhelpen;

5°de termijn die aan de betrokken aanbieder van databemiddelingsdiensten of organisatie voor data-altruïsme wordt opgelegd om die maatregelen na te leven. Die termijn mag niet meer dan dertig dagen bedragen;

6°in voorkomend geval, het bedrag van de administratieve geldboete en desgevallend de dwangsom;

7°in voorkomend geval, de bepalingen van artikel XV.60/17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de betaling van de geldboete;

8°de bepalingen van artikel XV.66/10 betreffende het beroep tegen de beslissing bij de ambtenaren bedoeld in artikel XV.66/8, § 2, alsook de te volgen procedure om het beroep in te stellen.

§ 3.De beslissing tot oplegging van een administratieve sanctie, bedoeld in artikel XV.66/8, §§ 3 en 4, houdt rekening met de volgende niet-exhaustieve en indicatieve criteria, voor zover daarover relevante informatie beschikbaar is:

1°de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;

2°de door de onderneming genomen maatregelen om de door de betrokken personen geleden schade te beperken of te herstellen;

3°de eerdere inbreuken van de onderneming;

4°de door de onderneming als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen;

5°de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak.

§ 4.De in paragraaf 2 bedoelde beslissing wordt per aangetekende zending ter kennis gebracht van de aanbieder van databemiddelingsdiensten of van de organisatie voor data-altruïsme. De beslissing wordt uitvoerbaar na het verstrijken van de beroepstermijn bedoeld in artikel XV.66/10, eerste lid, of, indien van toepassing, na het verstrijken van de beroepstermijn bedoeld in artikel XV.60/15.

Art. XV.66/10

Elke aanbieder van databemiddelingsdiensten of organisatie voor data-altruïsme die veroordeeld is tot een administratieve sanctie als bedoeld in artikel XV.66/8, §§ 3 en/of 4, kan beroep aantekenen bij de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.66/8, § 2. Het beroep wordt op straffe van verval binnen dertig dagen na kennisgeving van de beslissing per aangetekende zending bij de betrokken ambtenaren ingesteld.

De bevoegde ambtenaren horen, op hun verzoek, de appellant of zijn raadsman.

De bevoegde ambtenaren bevestigen of herzien de in eerste aanleg genomen beslissing en betekenen de beslissing binnen twee maanden na de datum van verzending van het beroep. Deze termijn wordt met een maand verlengd te rekenen vanaf de datum waarop de partijen zijn gehoord, als de partijen verzoeken te worden gehoord.

Als de bevoegde ambtenaren een beslissing nemen, bevat deze de in artikel XV.66/9, § 2, opgesomde elementen, met uitzondering van 8°, dat vervangen wordt door de bepalingen van artikel XV.60/15 betreffende het beroep tegen de beslissing bij de Raad van State.

Bij gebrek aan een beslissing over het beroep binnen de in het derde lid voorgeschreven termijn, wordt de beslissing waartegen beroep werd aangetekend, geacht nooit te hebben bestaan.

Art. XV.66/11

De bepalingen van de artikelen XV.60/16 tot XV.60/19 en van titel 2, hoofdstuk 1/1, van boek XV zijn van toepassing op de administratieve geldboeten die worden opgelegd krachtens artikel XV.66/8, § 3, eerste lid, 3°.

De tarieven en de wijze van betaling en inning van de dwangsom bedoeld in artikel XV.66/8, § 5, worden bepaald door de Koning.