Alle wetboeken › WER

Boek XV - Rechtshandhaving › TITEL 1 - De uitoefening van toezicht en de opsporing en vaststelling van inbreuken

HOOFDSTUK 1 - Algemene bevoegdheden

XV.1–XV.10

Art. XV.1

Behoudens de in dit Wetboek vermelde andersluidende voorschriften zijn de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing op de opsporing, de vaststelling en het onderzoek naar de inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1.

Art. XV.2

§ 1.Onverminderd de bevoegdheden van de politieambtenaren van de lokale en federale politie, zijn de door de minister aangestelde ambtenaren bevoegd om de inbreuken op dit Wetboek op te sporen en vast te stellen. Deze ambtenaren kunnen de in deze titel bepaalde bevoegdheden uitsluitend uitoefenen ter opsporing en vaststelling van inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, van zijn uitvoeringsbesluiten, van de wetten en hun uitvoeringsbesluiten waarvoor dit boek in sancties voorziet en van de verordeningen van de Europese Unie waarvoor dit boek in sancties voorziet, met uitzondering van de bepalingen opgenomen in Boek IV en de uitvoeringsbesluiten ervan.

§ 2.De door deze ambtenaren opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.

Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen dertig dagen na vaststelling van de inbreuk aan de overtreder bij een aangetekende zending met ontvangstmelding betekend of hem overhandigd. Het proces-verbaal kan ook per fax of elektronische post worden meegedeeld. Indien geen reactie volgt op de mededeling per fax of elektronische post wordt deze via aangetekende zending met ontvangstmelding opgestuurd. Bij gebreke daarvan kan de vermoedelijke overtreder te allen tijde een afschrift verkrijgen bij de bevoegde administratie.

Wanneer de overtreder niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de inbreuk begint de termijn van dertig dagen te lopen op de dag waarop de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1 de vermoedelijke dader van de inbreuk met zekerheid konden identificeren.

Art. XV.3

Met het oog op het opsporen en vaststellen van de inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1, hebben de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren de volgende bevoegdheden:

1°zich tijdens de gewone openings- of werkuren, tijdens het productieproces of op het ogenblik dat de producten of diensten worden aangeboden of er aanwijzingen zijn dat het productieproces gaande is of de producten of diensten worden aangeboden, toegang verschaffen tot of zich toegang laten verschaffen tot alle plaatsen, en tot alle vervoersmiddelen, waarvan ze kunnen eisen dat de vervoerder ze tot stilstand brengt, waarvan zij op redelijke gronden van oordeel zijn dat de betreding ervan voor het vervullen van hun taak noodzakelijk is, tenzij het bewoonde lokalen betreft.

Voor wat betreft het opsporen en vaststellen van inbreuken op Boek IX en Boek XI kunnen de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren zich echter te allen tijde toegang verschaffen tot of zich toegang laten verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde plaatsen.

De bewoonde lokalen kunnen niettemin worden betreden na de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner.

Indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk kunnen zij, op gemotiveerd verzoek, in de bewoonde lokalen binnentreden tussen vijf en eenentwintig uur met voorafgaande, gemotiveerde, schriftelijke, ondertekende en gedagtekende machtiging van de onderzoeksrechter en door ten minste twee ambtenaren die gezamenlijk optreden.

In het geval van heterdaad zoals bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering mogen zij ook te allen tijde binnengaan in de bewoonde lokalen..., in welk geval zij er niet toe gehouden zijn de visitatie van de bewoonde lokalen met twee te doen;

2°alle nuttige vaststellingen doen, alle onderzoeken, controles en opsporingen uitvoeren en alle informatie verzamelen die zij noodzakelijk achten voor het verzekeren van een daadwerkelijke naleving van de bepalingen bedoeld in artikel XV.2, § 1;

3°elke persoon ondervragen over elk feit waarvan de kennis ervan nuttig is voor de opsporing of de vaststelling;

4°de pakken, kisten, tonnen en alle andere soorten verpakkingen openen waarvan zij veronderstellen dat zij goederen bevatten die het voorwerp of het bewijs van een inbreuk bedoeld in artikel XV.2, § 1, uitmaken, en er de inhoud van onderzoeken;

5°zich op eerste vordering, zonder verplaatsing of na zich naar de in de bepaling onder 1° bedoelde plaatsen of vervoersmiddelen te hebben begeven, alle inlichtingen, documenten, stukken, boeken, bescheiden, gegevensbestanden en geïnformatiseerde dragers van gegevens, ongeacht het gebruikte medium of de locatie van opslag, laten verstrekken die zij tot het volbrengen van hun taken nodig achten en hiervan gratis afschrift nemen, of ze gratis meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs.

Wanneer de geïnformatiseerde dragers toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, hebben zij het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm tegen afgifte van een ontvangstbewijs.

De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 kunnen desgevallend de termijn bepalen waarbinnen deze gegevens moeten worden verstrekt. De termijn moet redelijk zijn in verhouding tot de omvang van het verzoek;

5°/1. in afwijking van de artikelen 46bis en 46quater van het Wetboek van Strafvordering, zich op eerste vordering door elke persoon gratis alle inlichtingen laten verstrekken die de identificatie mogelijk maken van personen die het voorwerp uitmaken van een onderzoek en personen die betrokken zijn bij financiële en gegevensstromen die noodzakelijk zijn in het kader van het onderzoek.

Voor wat de identificatie betreft van natuurlijke of rechtspersonen aan de hand van het telefoonnummer van de betrokkene of het IP-adres, kunnen zij, op een met redenen omkleed verzoek en in overeenstemming met het artikel 127/1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, de verstrekking van de identificatiedocumenten en -gegevens vorderen van de operator bedoeld in artikel 2, 11°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.

De leidinggevende ambtenaar van de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 wijst de personen aan die gemachtigd zijn om de in het tweede lid bedoelde informatie op te vragen en te verwerken. Elk verzoek tot het opvragen van informatie wordt gevalideerd door de leidinggevende ambtenaar of diens vertegenwoordiger.

Het opvragen van de in het tweede lid bedoelde informatie gebeurt na een toetsing van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van het verzoek, door andere dan de in het derde lid bedoelde ambtenaren. Deze ambtenaren mogen in geen enkele andere hoedanigheid optreden in het dossier waarvoor de informatie wordt opgevraagd. De door deze ambtenaren uitgevoerde toetsing dient met redenen te worden omkleed en is dwingend.

Verkeersgegevens, locatiegegevens en IP-adressen, bedoeld in en overeenkomstig artikel 127/1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, kunnen slechts opgevraagd worden op een met redenen omkleed verzoek en met voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel of een onderzoeksrechter in de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die voor de toepassing van dit lid ook bevoegd is buiten zijn arrondissement. De verkeersgegevens, locatiegegevens en IP-adressen kunnen slechts opgevraagd worden voor het opsporen en vaststellen van inbreuken van niveau 5 of 6.

...

5°/2. in afwijking van artikel 46quater van het Wetboek van Strafvordering, financiële stromen opsporen. Meer bepaald kunnen ze kosteloos alle noodzakelijke informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele waarden, die betrekking hebben op een verdachte vorderen bij:

a)personen en instellingen als bedoeld in artikel 5, § 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;

b)personen en instellingen die binnen het Belgisch grondgebied diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;

5°/3. met het oog op het uitoefenen van de bevoegdheden bedoeld in de bepalingen onder 5° /1, eerste lid, en 5° /2, door middel van een met redenen omkleed verzoek, alle noodzakelijke informatie opvragen bij het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.

Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de algemene verordening gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde opvraging niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van vijf jaar:

1°na de definitieve vaststelling dat er geen inbreuken werden begaan door de betrokken persoon;

2°indien is vastgesteld dat de waarschuwing bedoeld in artikel XV.31 werd nageleefd, vanaf het ogenblik van de vaststelling van de regularisatie;

3°vanaf het ogenblik dat een toezegging werd verkregen of aanvaard, zoals bedoeld in artikel XV.31/2, en er geen verdere administratieve of strafrechtelijke vervolging is voorzien;

4°vanaf het ogenblik van de vaststelling van de betaling van de transactie bedoeld in artikel XV.61;

5°vanaf het ogenblik dat een definitieve administratieve beslissing is genomen, in het bijzonder deze bedoeld in artikel XV.60/2;

6°vanaf het ogenblik dat toepassing is gemaakt van de minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of de bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek of enige andere rechterlijke procedure;

7°vanaf het ogenblik van de definitieve rechterlijke beslissing.

...

6°een inventaris van producten opmaken of ze laten opmaken;

7°kosteloos de nodige monsters nemen, voor het bepalen van de aard en de samenstelling van de goederen evenals voor de verschaffing van het bewijs van een inbreuk, tegen afgifte van een ontvangstbewijs.

In voorkomend geval moeten de eigenaars, bezitters of houders van bedoelde zaken de recipiënten verschaffen die nodig zijn voor het vervoer en de bewaring van de monsters.

De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor het nemen, meenemen en ontleden van deze stalen en kan tevens de voorwaarden en de nadere regelen voor de erkenning van natuurlijke of rechtspersonen bevoegd om de ontledingen uit te voeren vastleggen;

8°goederen of diensten inspecteren, bestuderen, demonteren en testen of dit laten doen.

Indien er voldoende aanwijzingen zijn dat een goed of dienst:

a)niet voldoet aan de voorwaarden opgelegd door besluiten genomen in uitvoering van artikelen VI.9, § 1, en VI.10, of

b)het voorwerp is van een oneerlijke handelspraktijk, of

c)in strijd is met de intellectuele eigendomsrechten zoals strafbaar gesteld in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8,

en de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren niet over de mogelijkheid beschikken om zelf de nodige ontleding of controle uit te voeren of de resultaten onvoldoende betrouwbaar zijn, kan de betrokken onderneming bovendien gelast worden om het goed of de dienst binnen een bepaalde termijn en op kosten van de onderneming te onderwerpen aan ontleding of controle door een onafhankelijk laboratorium of onderzoeksinstelling.

De onderneming vraagt aan de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren een bevestiging van het gekozen laboratorium of de gekozen onderzoeksinstelling;

9°goederen en diensten als testaankoop kopen, indien nodig ook met gebruikmaking van een fictieve identiteit en ondernemingen benaderen door zich voor te doen als cliënten of potentiële cliënten, zonder dat zij hun hoedanigheid en de omstandigheid dat de bij deze gelegenheid gedane vaststellingen kunnen worden aangewend voor de uitoefening van het toezicht, moeten mededelen.

Wanneer een inbreuk wordt vastgesteld, kunnen de betaalde bedragen voor het uitvoeren van de testaankopen teruggevorderd worden van de overtreder.

Blijven vrij van straf, de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2, die in dat kader strikt noodzakelijke strafbare feiten plegen.

De betrokken persoon of personen waarbij vaststellingen worden gedaan mogen niet worden geprovoceerd in de zin van het artikel 30 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.

Alle andere bevoegdheden bedoeld in de bepalingen onder 1° tot en met 8° en in artikel XV.4, kunnen aangewend worden bij het uitoefenen van deze bevoegdheid.

Deze bevoegdheid kan enkel worden uitgeoefend indien het voor de uitoefening van het toezicht noodzakelijk is om de reële omstandigheden die gelden voor gewone cliënten of potentiële cliënten te kunnen vaststellen.

De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren stellen een verslag op waarin minstens volgende elementen worden opgenomen:

a)de datum en locatie van het onderzoek;

b)de identiteit van de betrokken ambtenaren, de hoedanigheid waarin zij optreden en de administratie waartoe zij behoren;

c)de aanleiding voor het voeren van het onderzoek;

d)de vaststellingen, met, in voorkomend geval, de eventuele vastgestelde inbreuken;

e)de gebeurtenissen tijdens het onderzoek, met inbegrip van de eventuele strikt noodzakelijke strafbare feiten die gepleegd zijn door de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2;

f)de identificatie van de betrokken persoon of personen waarbij het onderzoek is gevoerd;

g)in voorkomend geval, de fictieve identiteit waarvan gebruik werd gemaakt.

Art. XV.3/1

<Opgeheven bij W 2020-09-29/05, art. 6, 092; Inwerkingtreding: 30-11-2020>

Art. XV.4

§ 1.Met het oog op het opsporen en vaststellen van de inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1, hebben de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren tevens de bevoegdheid om vaststellingen te doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan, en geluidsmateriaal van openbare communicatie of telecommunicatie, of van communicatie waaraan de ambtenaar bedoeld in artikel XV.2 zelf deelneemt in de uitoefening van zijn functies.

§ 2.In bewoonde ruimten mogen de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 enkel vaststellingen doen door middel van het maken van geluids- en/of beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan, op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een machtiging uitgereikt door de onderzoeksrechter.

Het verzoek dat de ambtenaar bedoeld in artikel XV.2 aan de onderzoeksrechter richt, bevat minstens:

1°de identificatie van de personen die er het voorwerp van zijn, voor zover dit mogelijk is;

2°de toepasselijke wetgeving en de geviseerde inbreuken;

3°alle bescheiden en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is.

§ 3.De vaststellingen die de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte geluids- en/of beeldmateriaal, gelden tot bewijs van het tegendeel, voor zover voldaan is aan de hierna vermelde voorwaarden:

1°de vaststellingen moeten het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door middel van geluids- en/of beeldmateriaal, dat volgende gegevens moet bevatten:

a)de identiteit van de ambtenaar die het geluids- en/of beeldmateriaal heeft gemaakt;

b)de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het geluids- en/of beeldmateriaal is gemaakt;

c)de volledige identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee het geluids- en/of beeldmateriaal is gemaakt;

d)een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal is te zien of op dat geluidsmateriaal is te horen, alsmede het verband met de vastgestelde inbreuk;

e)wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;

f)een afdruk van het beeldmateriaal of, indien dit onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, alsmede een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dit beeldmateriaal te kunnen bekijken;

g)wanneer er meerdere afdrukken of meerdere dragers zijn, een nummering van deze afdrukken of deze dragers, die eveneens moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien of op het geluidsmateriaal is te horen;

2°de originele drager van het geluids- en/of beeldmateriaal moet worden bewaard door de administratie waartoe de ambtenaar behoort die het beeldmateriaal heeft gemaakt tot, al naar gelang het geval:

a)totdat een rechterlijke beslissing die een einde maakt aan de vervolging van de inbreuk in kracht van gewijsde is gegaan;

b)totdat werd ingegaan op het voorstel tot transactie bedoeld in artikel XV.61;

c)tot op het ogenblik dat de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 hebben vastgesteld dat gevolg werd gegeven aan de waarschuwing bedoeld in het artikel XV.31;

d)totdat de minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering volledig werd voldaan;

e)tot aan de volledige betaling van de administratieve geldboete zoals bedoeld in artikel XV.60/16.

Indien de overtreder niet ingaat op het voorstel tot transactie of indien hij de voorgestelde geldsom niet tijdig betaalt, in welk geval het proces-verbaal aan de procureur des Konings wordt bezorgd, wordt de originele drager van het geluids- en/of beeldmateriaal bewaard tot wanneer de strafvordering verjaard is of voordien, na een uitdrukkelijke beslissing van het openbaar ministerie.

§ 4.De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 kunnen eveneens geluids- en/of beeldmateriaal van derden gebruiken, voor zover deze personen dit materiaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.

Art. XV.5

§ 1.Wanneer de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2, overeenkomstig de hun toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen zij, tegen afgifte van een ontvangstbewijs, beslag leggen op:

1°de goederen die het voorwerp van de inbreuk uitmaken;

2°de productie-, verwerking- en vervoermiddelen of welke voorwerpen dan ook, die gediend hebben om de goederen die het voorwerp van de inbreuk uitmaken voort te brengen, ze te verwerken, ze te verdelen of ze te vervoeren;

3°alle andere voorwerpen die tot het plegen van de inbreuk hebben gediend;

4°de middelen die nodig zijn om diensten te verrichten die een inbreuk uitmaken;

5°de goederen van dezelfde soort en dezelfde bestemming als degene die het voorwerp van de inbreuk uitmaken.

De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 kunnen dit beslag ook leggen indien een derde er eigenaar van is.

Dit beslag moet door het openbaar ministerie bevestigd worden binnen een termijn van vijftien dagen. Bij ontstentenis van een bevestiging door het openbaar ministerie, is het beslag van rechtswege opgeheven. De persoon bij wie beslag op de goederen wordt gelegd kan als gerechtelijk bewaarder ervan aangesteld worden.

De inbeslagnemingen kunnen aanleiding geven tot het aanstellen van een bewaker ter plaatse of kunnen ten uitvoer gelegd worden in om het even welke andere plaats aangeduid door de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2.

§ 2.De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 kunnen lokalen verzegelen wanneer zulks noodzakelijk is voor het leveren van het bewijs van een inbreuk bedoeld in artikel XV.2, § 1, of het gevaar bestaat dat met de hierin aanwezige goederen inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd.

Deze verzegeling moet door het openbaar ministerie bevestigd worden binnen een termijn van vijftien dagen.

Bij ontstentenis van een bevestiging door het openbaar ministerie, is de verzegeling van rechtswege opgeheven. De persoon bij wie de verzegeling wordt gelegd kan als gerechtelijk bewaarder ervan aangesteld worden.

De verzegelingen kunnen aanleiding geven tot het aanstellen van een bewaker ter plaatse door de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2.

§ 3.De inbeslagnemingen en de verzegelingen verricht op basis van de paragrafen 1 en 2 moeten het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling. Dit geschrift moet minstens vermelden:

1°de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;

2°de datum en het uur van de kennisgeving;

3°de identiteit van de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren, de hoedanigheid waarin zij optreden en de administratie waartoe zij behoren;

4°de genomen maatregelen;

5°de feitelijke en juridische grondslag;

6°de plaats waar de maatregelen zijn genomen.

§ 4.Het openbaar ministerie kan het beslag of de verzegeling dat het bevolen of bevestigd heeft, te allen tijde opheffen en zo ook als de overtreder ervan afziet de goederen aan te bieden in de omstandigheden die tot het onderzoek aanleiding hebben gegeven; deze afstand houdt generlei erkenning van enige strafrechtelijke schuld in.

§ 5.Het beslag of de verzegeling wordt van rechtswege opgeheven door de rechtelijke beslissing die een einde maakt aan de vervolgingen, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan.... In het geval van een seponering van de zaak door het openbaar ministerie, wordt de administratieve vervolging bedoeld in artikel XV.60/1, § 1, 2° steeds opgestart.

§ 6.De inbeslagneming of de verzegeling wordt van rechtswege opgeheven wanneer de ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 beslist hebben:

1°tot een klassering zonder gevolg zoals bedoeld in artikel XV.60/2, eerste lid;

2°tot een schuldigverklaring zoals bedoeld in artikel XV.60/2, eerste lid, of tot het opleggen van een administratieve geldboete, voor zover geen toepassing is gemaakt van de procedure bedoeld in artikel XV.30/1, § 1/1, binnen een termijn van dertig dagen na verloop van de beroepstermijn bedoeld in artikel XV.60/15.

Art. XV.5/1

§ 1.Indien er geen andere doeltreffende middelen zijn om de inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1, te doen beëindigen of te verbieden, en om het gevaar van ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen te voorkomen, hebben de hiertoe door de minister aangeduide ambtenaren de bevoegdheid om:

1°degene die daartoe in staat is te gelasten inhoud te verwijderen van of de toegang te beperken tot een online interface, of opdracht te geven tot de duidelijke weergave van een waarschuwing aan consumenten wanneer die zich toegang tot de online interface verschaffen;

2°aanbieders van hostingdiensten te gelasten toegang tot een online interface te deactiveren, te blokkeren of te beperken;

3°operatoren van domeinregisters of registrerende instanties te gelasten een volledig gekwalificeerde domeinnaam te schrappen en de betrokken bevoegde autoriteit toe te laten deze te registreren;

4°aanbieders van onlineplatforms, onlinezoekmachines of onlinevergelijkers te gelasten om, door hen de elektronische adressen van de online interfaces waarvan de inhoud kennelijk illegaal is mee te delen, alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat ze er niet langer naar verwijzen.

Maatregelen die worden genomen op grond van het vorige lid, worden door het openbaar ministerie bevestigd binnen een termijn van achtenveertig uur. Bij ontstentenis van een bevestiging door het openbaar ministerie, is de verwijdering, de opdracht tot vermelding van een waarschuwingsboodschap, de deactivering, de blokkering, de beperking of de schrapping van rechtswege opgeheven.

Het openbaar ministerie kan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren ook bevelen de in deze paragraaf bedoelde maatregelen te nemen, onder dezelfde voorwaarden.

§ 2.Behalve in het geval van gemotiveerde hoogdringendheid, nemen de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren, vooraleer over te kunnen gaan tot het nemen van een maatregel bedoeld in paragraaf 1 en in de mate dat de contactgegevens bedoeld in artikel XII.6 voorhanden zijn, minstens vierentwintig uur voor het nemen van de maatregel contact op met de inbreukmakende onderneming verantwoordelijk voor de online interface. Hierbij verwijzen zij naar de door hen vastgestelde inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1, en... naar het gevaar van ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen dat is vastgesteld en naar de maatregelen die genomen kunnen worden op basis van onderhavige bepaling.

Slechts indien de onderneming niet reageert of indien de reactie niet tot gevolg heeft dat het gevaar van ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen wordt vermeden voor het einde van de termijn van vierentwintig uur, kan overgegaan worden tot het nemen van de bedoelde maatregel.

§ 3.De maatregelen die op basis van paragraaf 1 worden genomen, maken het voorwerp uit van een schriftelijke vaststelling. Dit geschrift vermeldt minstens:

1°de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;

2°de datum, het uur en de wijze van de in paragraaf 2 bedoelde contactname;

3°de identiteit van de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren, de hoedanigheid waarin zij optreden en de administratie waartoe zij behoren;

4°de genomen maatregelen;

5°de feitelijke en juridische grondslag.

§ 4.Het openbaar ministerie kan de maatregelen die het bevolen of bevestigd heeft, te allen tijde opheffen.

Zolang er geen bevestiging is van het openbaar ministerie, kunnen de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren de maatregelen opheffen.

Na de bevestiging van de maatregelen of na het bevel kan op gemotiveerde wijze beroep worden ingesteld tegen de genomen maatregelen bij het openbaar ministerie.

§ 5.De maatregelen bedoeld in paragraaf 1 worden van rechtswege opgeheven door de rechterlijke beslissing die een einde maakt aan de vervolgingen zodra die in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak door het openbaar ministerie, of door een beslissing van de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren.

Art. XV.5/2

De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren kunnen bevelen uitgeven aan aanbieders van tussenhandeldiensten bedoeld in artikel 3, g), i) of j), van de Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) om op te treden tegen illegale inhoudselementen zoals bedoeld in artikel 9 van dezelfde Verordening of om informatie te verstrekken zoals bedoeld in artikel 10 van dezelfde Verordening.

Art. XV.6

Bij de uitvoering van hun taak inzake opsporing en vaststelling van economische misdrijven, zijn de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 onderworpen aan het toezicht van, naargelang het geval, de bevoegde procureur-generaal of de federale procureur, onverminderd hun ondergeschiktheid aan de meerderen in de administratie.

Art. XV.6/1

§ 1.De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis hebben gekregen bij de uitoefening van hun taken, niet onthullen, aan welke persoon of autoriteit ook.

In afwijking van het eerste lid mogen deze ambtenaren vertrouwelijke informatie meedelen:

1°in beknopte of samengevoegde vorm, op voorwaarde dat individuele natuurlijke of rechtspersonen niet identificeerbaar zijn;

2°ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens dit Wetboek of andere wetten;

3°tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken;

4°voor de aangifte van andere misdaden en wanbedrijven dan deze bedoeld in dit Wetboek en haar uitvoeringsbesluiten, bij de gerechtelijke autoriteiten;

5°aan andere overheidsdiensten en -instellingen, indien dit noodzakelijk is voor het opsporen, vervolgen en sanctioneren van inbreuken op de wetgevingen die tot hun bevoegdheden behoort, of om andere taken van openbaar belang uit te voeren die onder hun bevoegdheid vallen, in het kader van bevoegdheden die overlappen of verband houden met die van de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2;

6°aan buitenlandse autoriteiten, desgevallend binnen de grenzen of met inachtneming van de Europese richtlijnen en verordeningen, indien dit noodzakelijk is voor het opsporen en vervolgen van inbreuken die vergelijkbaar zijn met deze waarvoor dit boek in sancties voorziet.

§ 2.De inbreuken op paragraaf 1 worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

§ 3.De in paragraaf 1 bedoelde informatie kan persoonsgegevens omvatten, namelijk de volgende gegevens:

1&#1040; identificatiegegevens en gegevens met betrekking tot persoonlijke kenmerken, met inbegrip van identificatiegegevens uitgegeven door overheidsdiensten, zoals het rijksregisternummer, elektronische identificatiegegevens, financi&#1099;le identificatiegegevens, foto's en handtekeningen;

2&#1040; contactgegevens;

3&#1040; verkeersgegevens, locatiegegevens en IP-adressen, zoals bedoeld in artikel 127/1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;

4&#1040; gegevens met betrekking tot communicatie;

5&#1040; gegevens met betrekking tot de fysieke beschrijving of fysieke kenmerken;

6&#1040; gegevens met betrekking tot de gezondheid;

7&#1040; gegevens over beroepsactiviteiten, ondernemingen, beroepsbekwaamheid, onderwijs en opleiding;

8&#1040; gegevens met betrekking tot leeftijd, geslacht, taal, nationaliteit, burgerlijke staat en verblijfstoestand;

9&#1040; gegevens met betrekking tot financi&#1099;le middelen, schulden, uitgaven, kredietwaardigheid, leningen, hypotheken, kredieten, financi&#1099;le steun, verzekeringen, pensioenen, financi&#1099;le transacties, clearing, overeenkomsten en akkoorden, vergunningen en boekhouding, en andere financi&#1099;le gegevens;

10&#1040; gegevens met betrekking tot de levensstijl, vrijetijdsbesteding en sociale context;

11&#1040; gegevens met betrekking tot de gezinssamenstelling;

12&#1040; gegevens met betrekking tot de levensomstandigheden en huisvestingskenmerken;

13&#1040; gegevens met betrekking tot goederen van de persoon;

14&#1040; gegevens met betrekking tot lidmaatschappen;

15&#1040; gegevens met betrekking tot beeld- en geluidsopnames;

16&#1040; gegevens met betrekking tot risicosituaties en risicogedrag;

17&#1040; gegevens verstrekt door een burger of zijn vertegenwoordiger ter ondersteuning van zijn melding of verzoek;

18&#1040; gegevens met betrekking tot overeenkomsten en commerci&#1099;le praktijken;

19&#1040; gegevens met betrekking tot strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming, alsmede over de middelen die werden gebruikt om die strafbare feiten te plegen;

20&#1040; gegevens met betrekking tot vaststellingen en maatregelen van de bevoegde autoriteiten in het kader van controles.

§ 4.De mededeling van informatie bedoeld in paragraaf 1 kan de verstrekking inhouden van persoonsgegevens van burgers die een melding of een verzoek hebben ingediend of van hun vertegenwoordigers, van personen die aan een controle werden onderworpen, van getuigen, van in dit boek bedoelde ambtenaren, of van derden die een link hebben met het dossier waarop de mededeling van informatie betrekking heeft.

Art. XV.6/2

Wanneer een onderzoeksmaatregel of maatregel tot vaststelling van een inbreuk ten aanzien van de beoefenaar van een vrij beroep wordt beslist en deze maatregel betrekking heeft op informatie of gegevens die gedekt zijn door een beroepsgeheim, gebeurt zulks uitsluitend in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de persoon die het tuchtrechtelijke gezag ten aanzien van die beoefenaar uitoefent of nadat die persoon behoorlijk werd opgeroepen, opdat deze zou oordelen of, en in voorkomend geval in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en documenten verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim.

Bovendien wordt die maatregel ten uitvoer gelegd met inachtneming van het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de cliënt van de beoefenaar van een vrij beroep.

De dossiers en andere documenten van de beoefenaar van het vrij beroep die gedekt zijn door een beroepsgeheim, kunnen niet in beslag worden genomen. Er kan een afschrift van worden gemaakt dat door de beoefenaar van een vrij beroep voor eensluidend kan worden verklaard, onder voorbehoud van het eerste en tweede lid en met inachtneming van het beroepsgeheim.

De vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid kan aan de overheden die deze maatregelen hebben uitgevaardigd al zijn opmerkingen betreffende het eerbiedigen van het beroepsgeheim richten. De akten van beslag en de processen-verbaal van visitatie vermelden op straffe van nietigheid de aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid of het feit dat zij op correcte wijze werd uitgenodigd, alsook de opmerkingen die de vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid maakte.

Art. XV.7

Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter, bedoeld in de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, beschikken de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2, bij de uitvoering van hun taak, over de mogelijkheid om inlichtingen en adviezen te verschaffen, met name met betrekking tot de meest doeltreffende middelen voor de naleving van de bepalingen van dit Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten en van de verordeningen van de Europese Unie waarvoor dit Wetboek in sancties voorziet en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan.

Art. XV.8

§ 1.De Koning wijst de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 aan die eveneens bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

De Koning bepaalt de voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze ambtenaren.

§ 2.De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de door de Koning aangewezen ambtenaren, kunnen slechts worden uitgeoefend met het oog op de opsporing, de vaststelling en het onderzoek betreffende de inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1, en in de artikelen 196, 197, 210bis, 299, 494 en Boek 2, Titel IX, Hoofdstuk II, afdeling III, van het Strafwetboek.

Art. XV.9

Om hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, te kunnen uitoefenen, leggen de ambtenaren bedoeld in artikel XV.8., in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de eed af in de volgende bewoordingen: "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen".

Zij kunnen hun bevoegdheden uitoefenen op het grondgebied van het hele Koninkrijk.

Art. XV.10

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren bijkomende specifieke bevoegdheden toekennen om inbreuken op te sporen en vast te stellen, naast de bevoegdheden waarover zij op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk en van hoofdstuk 2 beschikken.Dit koninklijk besluit moet binnen de 18 maanden na zijn inwerkingtreding worden bekrachtigd bij wet.