Onverminderd de artikelen VI.92 tot VI.103 is de minnelijke invordering van schulden door een onderneming bij een persoon die niet de schuldenaar is, verboden.
Boek XIX - Schulden van de consument
TITEL 2 - Minnelijke invordering van schulden van de consument
XIX.5–XIX.15
Art. XIX.6
§ 1.Geen enkele activiteit van minnelijke invordering van schulden kan worden uitgeoefend zonder voorafgaande inschrijving bij de FOD Economie.
Advocaten, ministeriële ambtenaren of gerechtelijke mandatarissen in de uitoefening van hun beroep of ambt zijn vrijgesteld van deze voorafgaande inschrijving.
§ 2.De FOD Economie, als verwerkingsverantwoordelijke, zorgt ervoor dat de voorafgaande inschrijving gebeurt op een manier die de vertrouwelijkheid, de integriteit en de beschikbaarheid van de verrichte verwerkingen garanderen.
In het kader van de aanvraag tot voorafgaande inschrijving, behandelt de FOD Economie de volgende categorieën van persoonsgegevens:
1°de identificatiegegevens van natuurlijke personen, in voorkomend geval;
2°het voor beroepsdoeleinden gebruikte telefoonnummer en e-mailadres van natuurlijke personen, in voorkomend geval;
3°een uittreksel uit het strafregister, verstrekt overeenkomstig artikel 596, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, van alle bestuurders, zaakvoerders, directeurs of gevolmachtigden van de onderneming, waarmee kan worden nagegaan of alle bestuurders, zaakvoerders, directeurs of gevolmachtigden van de onderneming bekwaam zijn om een activiteit van minnelijke invordering van schulden uit te oefenen, wat betekent:
a)niet ontzet zijn of zijn geweest van de burgerlijke en politieke rechten;
b)niet in staat van faillissement zijn of verklaard zijn geweest zonder eerherstel te hebben gekregen;
c)niet veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf, zelfs voorwaardelijk, van ten minste drie maanden op grond van de volgende Belgische regelgeving of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben:
i. een inbreuk op het Wetboek van economisch recht en zijn uitvoeringsbesluiten;
ii. een inbreuk op de fiscale wetgeving;
d)niet veroordeeld zijn tot een criminele straf;
e)niet veroordeeld zijn voor een inbreuk op artikel 140, 140septies, 141 of 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, van het Strafwetboek of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben;
f)niet veroordeeld zijn tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben.
De persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen mogen enkel verwerkt worden onder toezicht van de overheid en met inachtneming van passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen. Bovendien kunnen de persoonsgegevens enkel het voorwerp uitmaken van een verwerking in het kader van de voorafgaande inschrijving met het oog op de uitvoering van een activiteit van minnelijke invordering van schulden, en de schrapping van deze inschrijving. Deze gegevens worden niet aan derden overgemaakt.
De gegevens worden door de FOD Economie verwerkt met het oog op de uitvoering van een wettelijke verplichting waarvan de doeleinden de volgende zijn:
1°het identificeren van de natuurlijke personen en rechtspersonen die een activiteit van minnelijke invordering van schulden wensen uit te oefenen;
2°het nagaan of die natuurlijke personen en rechtspersonen beschikken over de nodige bekwaamheden om een activiteit van minnelijke invordering van schulden te kunnen uitoefenen;
3°het behandelen van de aanvraag tot voorafgaande inschrijving en de schrapping van die inschrijving.
§ 3.De persoonsgegevens behandeld door de FOD Economie worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doeleinden door of krachtens dit boek te behalen en maximaal gedurende drie jaar te rekenen vanaf de schrapping van de inschrijving.
In afwijking van het eerste lid worden de persoonsgegevens op het uittreksel uit het strafregister van de bestuurders, zaakvoerders, directeurs of gevolmachtigden van de onderneming bewaard gedurende maximaal drie jaar vanaf de inzameling van die gegevens. Als de FOD Economie dat nodig acht, kan er elke drie jaar worden gevraagd om een nieuw uittreksel uit het strafregister van de bestuurders, zaakvoerders, directeurs of gevolmachtigden van de onderneming waarvan de inschrijving wordt behouden in het kader van de minnelijke invordering van schulden.
§ 4.De onderneming die een activiteit van minnelijke schuldinvordering wenst uit te oefenen dient langs elektronische weg bij de FOD Economie, volgens de door de Koning bepaalde voorwaarden en nadere regels, een aanvraag tot inschrijving in en voegt bij haar aanvraag een dossier dat ten minste de volgende gegevens en documenten bevat:
1°haar identificatiegegevens en haar ondernemings-nummer;
2°haar voor beroepsdoeleinden gebruikte telefoonnummer alsook een voor beroepsdoeleinden gebruikt e-mailadres waarnaar de agenten van de FOD Economie al hun mededelingen kunnen versturen;
3°het bewijs dat de onderneming is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of, indien ze gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een vergelijkbaar register dat toelaat de schuldinvorderaar en de natuurlijke personen en rechtspersonen die voor haar kunnen optreden te identificeren;
4°op vraag van de bevoegde ambtenaren van de FOD Economie, een uittreksel uit het strafregister, verstrekt overeenkomstig artikel 596, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, van alle bestuurders, zaakvoerders, directeurs of gevolmachtigden van de onderneming, bestemd voor een openbaar bestuur, of een in het buitenland afgeleverd gelijkwaardig document, dat niet ouder is dan drie maanden;
5°een attest, afgegeven door een verzekeringsonderneming, dat aantoont dat de onderneming, of een derde die beantwoordt aan de door de Koning bepaalde voorwaarden, een verzekeringsovereenkomst heeft afgesloten die haar beroepsaansprakelijkheid dekt overeenkomstig de voorwaarden bepaald door de Koning. Dit attest, dat in één van de landstalen van België of in het Engels is opgesteld, vermeldt met name het ondernemingsnummer en de naam van de verzekeringsonderneming, het nummer van de verzekeringsovereenkomst alsook de begin- en einddatum van de verzekeringsdekking.
De FOD Economie stelt de lijst op van de ingeschreven ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in dit artikel, en maakt deze lijst bekend op haar website.
De Koning bepaalt de bijkomende voorwaarden en bijkomende nadere regels van de voorafgaande inschrijving bij de FOD Economie.
De Koning kan eveneens de bijkomende voorwaarden en bijkomende nadere regels van de voorafgaande inschrijving van ondernemingen gevestigd in een derde land bepalen.
Art. XIX.7
§ 1.Iedere activiteit van minnelijke invordering begint met de controle door de schuldinvorderaar, van het naleven van artikel XIX.4 met betrekking tot de bedragen die van de consument worden geëist.
Er mag geen ingebrekestelling worden gestuurd naar de consument indien de schuldinvorderaar vaststelt dat artikel XIX.4 niet nageleefd is.
§ 2.Onverminderd de artikelen XIX.8 en XIX.9 mag geen maatregel of handeling van minnelijke invordering worden verwezenlijkt vóór de ingebrekestelling van de consument.
De aan de consument op duurzame drager gerichte ingebrekestelling, die duidelijk en bevattelijk is opgesteld, bevat minstens de volgende vermeldingen:
1°de identiteit, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoonnummer, de hoedanigheid en het eventuele e-mailadres van de oorspronkelijke schuldeiser. In geval van overdracht van de schuldvordering worden eveneens de gegevens van de nieuwe schuldeiser vermeld;
2°de naam of de benaming, het adres, het ondernemingsnummer en de contactgegevens van de onderneming die tot minnelijke invordering overgaat, evenals de gegevens van het bevoegd toezichthoudend bestuur bij de FOD Economie;
3°een precieze beschrijving van het product dat de schuld heeft doen ontstaan, alsook diens vervaldatum;
4°een precieze en gedetailleerde beschrijving van de bedragen die van de schuldenaar geëist worden overeenkomstig de artikelen XIX.4 en XIX.8;
5°de volgende tekst, in een afzonderlijke alinea, in het vet gedrukt en in een ander lettertype, ingeval de invordering gebeurt door een advocaat, een ministerieel ambtenaar of een gerechtelijke mandataris:
"Deze brief betreft GEEN dagvaarding voor de rechtbank of beslag. Het gaat niet om een procedure van gerechtelijke invordering.";
6°de vermelding dat de consument, op zijn eigen verzoek, alle stukken ter verantwoording van de schuld kan verkrijgen;
7°de vermelding van de te volgen procedure indien de schuld wordt betwist door de consument;
8°de vermelding dat de consument kan verzoeken om betalingsfaciliteiten, indien hij niet in staat is het verschuldigde bedrag in één keer te betalen;
9°de vermelding dat er, bij gebrek aan een reactie binnen de termijn bepaald in artikel XIX.9, § 1, kan worden overgegaan tot andere maatregelen of handelingen van minnelijke invordering.
Art. XIX.8
In geval geen herinnering werd gedaan overeenkomstig artikel XIX.2, kunnen de in artikel XIX.4 bedoelde bedragen slechts van de consument worden gevorderd na een termijn van ten minste veertien kalenderdagen, die ingaat op de derde werkdag na de dag waarop de herinnering aan de consument is verzonden.
Wanneer de herinnering langs elektronische weg wordt verzonden, vangt de termijn van veertien kalenderdagen aan op de kalenderdag die volgt op de dag waarop de herinnering werd verzonden aan de consument.
Bij niet-betaling binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, stuurt de schuldinvorderaar de ingebrekestelling bedoeld in artikel XIX.7, § 2.
Art. XIX.9
§ 1.Er mag worden overgegaan tot geen andere maatregel of handeling van minnelijke invordering voor het verstrijken van een termijn van veertien kalenderdagen die ingaat op de derde werkdag na de datum van het versturen van de ingebrekestelling, bedoeld in artikel XIX.7, § 2, aan de consument.
§ 2.Wanneer de consument een afbetalingsplan heeft aangevraagd binnen de in de eerste paragraaf bedoelde termijn, mag tot geen andere maatregel of handeling van minnelijke invordering worden overgegaan vooraleer er een beslissing is genomen over deze aanvraag.
Als de beslissing bedoeld in het eerste lid niet wordt genomen binnen een termijn van dertig kalenderdagen die aanvangt op de eerste werkdag die volgt op de aanvraag van een afbetalingsplan, stoppen de verwijlinteresten vastgelegd in het schadebeding met lopen tot wanneer de beslissing wordt genomen.
§ 3.Wanneer de consument een verzoek tot schuldbemiddeling heeft opgestart bij een minnelijke schuldbemiddelaar of wanneer hij een aanvraag indient voor een procedure van collectieve schuldenregeling binnen de in de eerste paragraaf bedoelde termijn, mag tot geen enkel andere maatregel of handeling van minnelijke invordering worden overgegaan vooraleer een beslissing omtrent zijn aanvraag werd genomen of dat vijfenveertig kalenderdagen zijn verstreken sinds de aanvraag.
De termijn bedoeld in het eerste lid vangt aan op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de aanvraag werd ingediend bij een minnelijke schuldbemiddelaar of de dag van neerlegging van een verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4 van het Gerechtelijk Wetboek.
De consument brengt de schuldinvorderaar onmiddellijk op de hoogte van de datum van zijn verzoek tot minnelijke schuldbemiddeling of van zijn verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4 van het Gerechtelijk Wetboek, de contactgegevens van de bemiddelaar en de beslissing die werd genomen, om de maatregelen en handelingen van minnelijke invordering overeenkomstig het eerste lid te laten opschorten.
§ 4.Wanneer de consument zijn schuld op met redenen omklede wijze betwist in overeenstemming met artikel XIX.7, § 2, tweede lid, 7°, mag tot geen andere maatregel of gedraging van minnelijke invordering worden overgegaan vooraleer een beslissing omtrent deze betwisting werd genomen.
Als de beslissing bedoeld in het eerste lid niet wordt genomen binnen een termijn van dertig kalenderdagen die aanvangt op de eerste werkdag die volgt op de betwisting, stoppen de verwijlinteresten vastgelegd in het schadebeding met lopen tot wanneer de beslissing wordt genomen.
§ 5.Wanneer er meerdere redenen zijn voor de opschorting van de maatregelen en handelingen van minnelijke invordering bedoeld in de paragrafen 1 tot 4, mag de opschorting in totaal een termijn van vijfenveertig kalenderdagen niet overschrijden, die aanvangt op het einde van de in paragraaf 1 bepaalde termijn.
§ 6.De Koning kan de nadere regels vastleggen wat betreft de mededeling van de gegevens en de beslissingen bedoeld in de paragrafen 1 tot 4.
Art. XIX.10
§ 1.Bij de aanvang van elk huisbezoek bij een consument in het kader van een activiteit van minnelijke invordering van schulden:
1°identificeert de persoon die een bezoek verricht zich en zegt hij welke schuldinvorderaar hij vertegenwoordigt en voor welke schuldeiser hij optreedt;
2°geeft de in de bepaling onder 1° bedoelde persoon een document af dat de gegevens bevat bedoeld in artikel XIX.7, § 2, tweede lid, 1° tot 9°;
3°wanneer de consument aangeeft dat hij betalingsmoeilijkheden heeft, zet de in de bepaling onder 1° bedoelde persoon uiteen welke mogelijkheden er zijn om een beroep te doen op betalingsfaciliteiten en/of schuldbemiddeling.
Het document bedoeld in het eerste lid, 2°, vermeldt op duidelijke wijze dat het om een minnelijke en geen gerechtelijke invordering gaat alsook dat de consument niet verplicht is het huisbezoek te ondergaan en er op elk ogenblik een einde aan kan stellen. Daartoe staat de tekst aan het begin van het document, los van de overige tekst, in een afzonderlijk kader, in vetgedrukte letters en minstens in een groter lettertype.
§ 2.Bij iedere volledige of gedeeltelijke betaling van een schuld tijdens een huisbezoek wordt een ontvangstbewijs afgegeven, met vermelding van het ontvangen bedrag en de schuld in kwestie.
§ 3.Er mag geen huisbezoek bij de consument worden uitgevoerd tussen tweeëntwintig uur en acht uur.
Art. XIX.11
De schuldinvorderaar bevestigt onverwijld op een duurzame gegevensdrager alle betalingsmodaliteiten die ze met de consument heeft gemaakt.
Er mag geen telefonische oproep aan de consument worden verricht tussen tweeëntwintig uur en acht uur.
Art. XIX.12
Wanneer de invordering betrekking heeft op een schuld waarvoor een afbetalingsplan werd opgemaakt, stuurt de schuldinvorderaar ten minste eenmaal per jaar een overzicht van de reeds betaalde bedragen en het nog verschuldigde saldo op een duurzame drager aan de consument.
Wanneer de schuld is uitgedoofd, brengt hij daar de consument onmiddellijk van op de hoogte.
Art. XIX.13
Het is de schuldinvorderaar verboden om van de consument enige vergoeding, bezoldiging of kosten te eisen voor zijn tussenkomst.
Art. XIX.14
De rechter kan, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, bevelen dat elke betaling verkregen in strijd met de bepalingen van de artikelen XIX.2, XIX.4 tot XIX.8 en XIX.10 wordt beschouwd als een geldige betaling door de consument aan de schuldeiser, en moet worden terugbetaald aan de consument door degene die de betaling heeft ontvangen.
Indien de minnelijke invordering van een schuld een volledig of gedeeltelijk onverschuldigd bedrag betreft, in het bijzonder door toepassing van artikel XIX.13, kan de rechter, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, bevelen dat diegene die de betaling heeft ontvangen verplicht is om ze terug te betalen aan de consument, vermeerderd met de verwijlinteresten vanaf de datum van betaling.
Art. XIX.15
In geval van niet-naleving door de onderneming van de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen XIX.2, XIX.4 en XIX.5 en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, is de consument van rechtswege vrijgesteld van de betaling van het schadebeding.
Het eerste lid is niet van toepassing op artikel XIX.2, § 3, 1° tot 4°.