Alle wetboeken › WER

BOEK IV - Bescherming van de mededinging › TITEL 3 - Handhaving van het mededingingsrecht

HOOFDSTUK 4

IV.80–IV.85

Art. IV.80

§ 1.Het Mededingingscollege kan de bij artikel IV.79, § 1, eerste lid, bedoelde geldboeten en dwangsommen opleggen in geval van inbreuk op artikel IV.10, § 4, en wegens niet-naleving van de beslissingen bedoeld in artikel IV.52, § 1, eerste lid, 8°.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1, kan de geldboete wegens niet-naleving van een beslissing die betrekking heeft op misbruik van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1, niet meer bedragen dan 2 % van de omzet van de betrokken onderneming of ondernemingsvereniging en beloopt de dwangsom tot 2 % van de gemiddelde dagelijkse omzet per dag vertraging te rekenen vanaf de dag bepaald door het Mededingingscollege.

Art. IV.81

§ 1.Het Mededingingscollege kan de in artikel IV.79, § 1, eerste lid, bedoelde geldboete en dwangsom opleggen teneinde de voorlopige maatregelen, bedoeld in artikel IV.71, te doen naleven.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1 is de in artikel IV.79, § 2, bedoelde dwangsom van toepassing, wanneer de voorlopige maatregelen betrekking hebben op misbruik van een positie van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1.

Art. IV.82

§ 1.Het Mededingingscollege kan aan ondernemingen of ondernemingsverenigingen geldboeten opleggen tot belope van 1 % van de omzet ingeval zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:

1°bij een aanmelding of een verzoek om inlichtingen onjuiste, verdraaide of onvolledige gegevens verstrekken;

2°de inlichtingen niet verstrekken binnen de termijn gesteld in de beslissing tot het eisen van inlichtingen;

3°de onderzoeken bedoeld in de artikelen IV.39, IV.40 tot IV.40/2 en IV.47 beletten of hinderen;

4°nalaten te verschijnen voor een verhoor bedoeld in artikel IV.40/1, derde lid.

Het Mededingingscollege kan aan ondernemingen of ondernemingsverenigingen dwangsommen opleggen ten belope van maximum 1 % van de gemiddelde dagelijkse omzet gerealiseerd in het voorgaande boekjaar per dag vertraging te rekenen vanaf de datum die het in de beslissing bepaalt, om hen ertoe te verplichten:

1°volledige en juiste gegevens te verstrekken, gevraagd ter gelegenheid van een aanmelding of vraag om inlichtingen;

2°om inlichtingen te verschaffen in geval van niet-naleving van de termijn bepaald in de beslissing met eis om inlichtingen;

3°zich te onderwerpen aan de onderzoeksmaatregelen bedoeld in de artikelen IV.39, IV.40 tot IV.40/2 en IV.47;

4°te verschijnen voor een verhoor bedoeld in artikel IV.40/1, derde lid.

§ 2.Het Mededingingscollege kan op de gronden vermeld in paragraaf 1, aan de natuurlijke personen bedoeld in artikel IV.1, § 4, geldboeten opleggen van 50 tot 2000 euro.

§ 3.De in de eerste paragraaf bedoelde geldboete kan worden opgelegd wanneer een onderneming is overgegaan tot een concentratie zonder deze vooraf aan te melden overeenkomstig artikel IV.10, zelfs indien zou blijken dat de concentratie toelaatbaar is.

Art. IV.83

De boetes en dwangsommen bedoeld in de artikelen IV.79 tot en met IV.82 en in artikel IV.59, § 1, zijn niet fiscaal aftrekbaar.

Art. IV.84

§ 1.De omzet bedoeld in de artikelen IV.79 en IV.82 is

1°voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen en gestopt zijn voor het in werking treden van deze wet, de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing;

2°voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen vanaf het in werking treden van deze wet, de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing;

3°voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen voor het in werking treden van deze wet en verdergezet of herhaald zijn vanaf het in werking treden van deze wet:

a)de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing, voor de inbreukperiode voor het in werking treden van deze wet;

b)de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing, voor de inbreukperiode vanaf het in werking treden van deze wet,

zonder dat het totale bedrag van de boete evenwel meer dan 10 % kan bedragen van de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.

§ 2.In afwijking van paragraaf 1 is, wanneer de inbreuk betrekking heeft op misbruik van een positie van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1, de in de artikelen IV.79, IV.80, § 2, en IV.82 bedoelde omzet, de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.

§ 3.De in aanmerking te nemen omzet van een onderneming is gelijk aan de som van de omzetcijfers van alle ondernemingen die een economische eenheid vormen zoals bepaald in artikel IV.8, § 4. Voor de overheidsondernemingen bedoeld in artikel IV.12, is de in aanmerking te nemen omzet evenwel deze van alle ondernemingen die een economische eenheid vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht wie het kapitaal ervan bezit of welke regels van bestuurlijk toezicht daarop van toepassing zijn.

De omzet omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van producten door de onderneming in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen. Bij de omzet wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in artikel IV.8, § 4, bedoelde ondernemingen.

...

§ 4.Voor ondernemingsverenigingen is de omzet de som van de omzet van elk lid van de vereniging dat actief is op de betrokken markt. De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming, wat de betaling van de geldboete betreft, mag echter niet meer bedragen dan 10 % van haar omzet gerealiseerd in het boekjaar dat aan de beslissing voorafgaat in geval van inbreuken op het mededingingsrecht en niet meer bedragen dan 1 % van haar omzet gerealiseerd in het boekjaar dat aan de beslissing voorafgaat in geval van geldboeten opgelegd in het kader van artikel IV.82, § 1.".

Wanneer een geldboete wordt opgelegd aan een ondernemingsvereniging rekening houdend met de omzet van haar leden en deze vereniging insolvent is, is zij verplicht om van haar leden bijdragen te vragen om de geldboete te betalen.

Wanneer de bijdragen bedoeld in het tweede lid niet volledig betaald werden aan de ondernemingsvereniging binnen de termijn bepaald door de auditeur-generaal, kan deze de betaling van de geldboete rechtstreeks eisen van elke onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de besluitvormingsorganen van de vereniging.

Nadat om de betaling werd verzocht overeenkomstig het derde lid en wanneer dit nodig is om de volledige betaling van de geldboete te waarborgen, kan de auditeur-generaal de betaling van het uitstaande bedrag van de geldboete eisen van elk lid van de vereniging dat actief was op de markt waarop de inbreuk is gepleegd.

Wanneer de auditeur-generaal de betaling van het onbetaalde bedrag vraagt aan de leden van de vereniging op basis van het derde en vierde lid, houdt hij rekening met de relatieve grootte van de tot de vereniging behorende ondernemingen en in het bijzonder met de toestand van kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.

De auditeur-generaal kan evenwel niet de betaling bedoeld in het derde en vierde lid eisen van ondernemingen die aantonen dat zij het inbreukbesluit van de vereniging niet hebben toegepast en hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij voor de opening van het onderzoek er zich actief van hebben gedistantieerd.

Wanneer een geldboete niet alleen aan de ondernemingsvereniging, maar ook aan haar leden wordt opgelegd, wordt de omzet van de leden aan wie een geldboete wordt opgelegd niet in aanmerking genomen bij de berekening van de geldboete van de vereniging.

Art. IV.85

§ 1.De Koning stelt de termijnen en de nadere regels inzake de betaling van de geldboeten en dwangsommen vast.

§ 2.Ingeval de betrokkene in gebreke blijft de geldboete of de dwangsom te betalen, wordt de beslissing van het Mededingingscollege, van de auditeur, of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van het Marktenhof, toegezonden aan de FOD Financiën, met het oog op de inning van het verschuldigde bedrag.

De vervolgingen die de voornoemde administratie instelt, gebeuren overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.