Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek 1 Algemene regels van het strafrecht › Hoofdstuk 4 Straffen

Afdeling 8 Vermogensstraffen

52–55

Art. 52

Geldboete

§ 1.De geldboete kan worden opgelegd, hetzij als hoofdstraf, hetzij als bijkomende straf.

In geval van veroordeling tot een straf van niveau 2 tot en met 8 kan de rechter de volgende geldboete als bijkomende straf uitspreken:

1°indien de hoofdstraf een straf van niveau 8 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 35.000 euro;

2°indien de hoofdstraf een straf van niveau 7 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 30.000 euro;

3°indien de hoofdstraf een straf van niveau 6 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 25.000 euro;

4°indien de hoofdstraf een straf van niveau 5 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro;

5°indien de hoofdstraf een straf van niveau 4 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 15.000 euro;

6°indien de hoofdstraf een straf van niveau 3 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 10.000 euro;

7°indien de hoofdstraf een straf van niveau 2 is, een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 5.000 euro.

§ 2.Indien hij veroordeelt tot een geldboete, houdt de rechter bij het bepalen van het bedrag ervan rekening met de elementen die door de beklaagde of de beschuldigde worden ingeroepen met betrekking tot zijn financiële draagkracht en sociale toestand.

De rechter kan een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum indien de beklaagde of de beschuldigde om het even welk element voorlegt dat zijn precaire financiële situatie bewijst.

De rechter kan beslissen dat de geldboete in schijven zal worden betaald wanneer de omstandigheden van de zaak dit rechtvaardigen.

Art. 53

Verbeurdverklaring

§ 1.Behoudens wanneer ze als hoofdstraf van niveau 1 wordt uitgesproken, is de verbeurdverklaring een bijkomende straf die de rechter moet uitspreken wanneer hij het misdrijf bewezen verklaart.

§ 2.De rechter spreekt de verbeurdverklaring uit:

1°van de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, indien zij eigendom zijn van de veroordeelde;

2°van de zaken die hebben gediend of waren bestemd tot het plegen van het misdrijf, indien zij eigendom zijn van de veroordeelde;

3°van de zaken die uit het misdrijf zijn ontstaan;

4°van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, van de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en van de inkomsten uit de belegde voordelen.

Indien de verbeurd te verklaren zaken bedoeld in het eerste lid, 2° en 4°, niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden teruggevonden, gaat de rechter, op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve, na de beklaagde of de beschuldigde hierover te hebben gehoord, over tot een raming van de geldwaarde ervan en spreekt de verbeurdverklaring uit van een daarmee overeenstemmend geldbedrag. Wanneer er meerdere daders zijn, zal enkel diegene die het verbeurd te verklaren goed heeft onttrokken aan de gerechtelijke autoriteiten worden veroordeeld tot betaling van het daarmee overeenstemmend bedrag. Indien die persoon niet kan worden bepaald, zal elk van de daders worden veroordeeld tot de betaling van een deel van dat bedrag, te bepalen door de rechtbank, die hierbij rekening houdt met het aandeel van elk van de veroordeelde daders in het misdrijf.

§ 3.De verbeurdverklaring van onroerende goederen die hebben gediend of bestemd zijn geweest voor het plegen van het misdrijf zal slechts worden bevolen in de door de wet bepaalde gevallen.

§ 4.De verbeurdverklaring van onroerende goederen kan enkel gebeuren op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie. Wanneer zij niet wordt voorafgegaan door een strafrechtelijk beslag op het onroerende goed, wordt deze vordering kosteloos in de kantlijn van de laatst overgeschreven akte vermeld bij de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën. Het openbaar ministerie vordert de kosteloze doorhaling van de kantmelding, als daartoe grond bestaat.

§ 5.Voor het bepalen van het bedrag van de vermogensbestanddelen die... uit het misdrijf zijn verkregen, kan de rechter zich inzonderheid baseren op alle elementen die hem op tegensprekelijke wijze worden voorgelegd, en die wijzen op een onevenwicht tussen enerzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde gedurende de incriminatieperiode die door het openbaar ministerie worden bewezen, en anderzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in diezelfde periode, waarvan die laatste geloofwaardig kan maken dat ze niet voortspruiten uit de misdrijven waarvoor hij werd veroordeeld.

§ 6.De rechter vermindert indien nodig de verbeurdverklaring van de goederen die hebben gediend tot of waren bestemd om het misdrijf te plegen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, of het bedrag van de vermogensvoordelen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, of de raming van de geldwaarde bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, teneinde de veroordeelde niet aan een onredelijk zware straf te onderwerpen.

§ 7.De verbeurdverklaring van de in paragrafen 1 en 2, eerste lid, bedoelde zaken wordt eveneens uitgesproken wanneer die zaken zich buiten het Belgische grondgebied bevinden.

De verbeurdverklaring van de in paragraaf 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde zaken, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen, kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag.

§ 8.Behoudens toepassing van artikel 67, worden de verbeurdverklaarde zaken aan de Schatkist toegekend.

§ 9.Iedere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, kan dit recht laten gelden binnen een termijn en volgens de nadere regels bepaald door de Koning.

Art. 54

Verruimde verbeurdverklaring

§ 1.De vermogensvoordelen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en de inkomsten uit de belegde voordelen die worden gevonden in het vermogen of in het bezit van een persoon, ook indien zij gelokaliseerd zijn buiten het Belgische grondgebied, kunnen op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie verbeurdverklaard worden, of die persoon kan worden veroordeeld tot de betaling van een bedrag dat door de rechter wordt geraamd als zijnde overeenstemmend met de waarde van deze zaken indien de betrokkene schuldig werd bevonden:

1°ofwel aan een of meer misdrijven bedoeld:

a)in de artikelen 151 tot 168, 170 tot 174;

b)in de artikelen 258 tot 261, 290 en 291;

c)in de artikelen 342 tot 346;

d)in artikel 371, voor zover die misdrijven bestraft worden met een van de straffen van niveau 3 tot 8, en van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in de artikelen 373 tot 375, voor zover dit misdrijf van dien aard is dat het financieel gewin kan opleveren, in de artikelen 376 tot 382, voor zover deze misdrijven van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in artikel 383, voor zover dit misdrijf wordt bestraft met een van de straffen bedoeld in artikel 383, § 1, tweede en derde streepje, en van dien aard is dat het financieel gewin kan opleveren, en in de artikelen 384 tot 386, voor zover deze misdrijven van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren;

e)in de artikelen 407 tot 409;

f)in de artikelen 427, 439 en 441;

g)in artikel 487;

h)in de artikelen 501 en 502, met uitzondering van de zaken die gedekt zijn door artikel 53, § 2, eerste lid, 1°;

i)in de artikelen 488, 524 tot 528 en 531 tot 533;

j)in artikel 638;

k)in artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen, of in artikel 2bis, § 4, b), of in § 5;

l)in artikel 2quater, eerste lid, 4°, van dezelfde wet;

2°ofwel aan strafbare feiten waarvan de ernst en de finaliteit de rechtbank toelaat te besluiten dat deze feiten werden gepleegd in het kader van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd.

§ 2.De verruimde verbeurdverklaring kan worden uitgesproken tegen de daders en deelnemers die werden veroordeeld wegens één of meerdere van de in dit artikel opgesomde misdrijven en onder de in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden, wanneer de veroordeelde over een relevante periode verdere vermogensvoordelen heeft ontvangen terwijl er ernstige en concrete elementen zijn dat deze voordelen voortspruiten uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld of uit misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in paragraaf 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld en de veroordeelde het tegendeel niet geloofwaardig maakt.

§ 3.Als relevante periode wordt aanzien de periode van vijf jaar die aanvangt bij het plegen van het eerste misdrijf dat is bewezen in hoofde van de veroordeelde, en die eindigt op de datum van de uitspraak van het vonnis.

De ernstige en concrete elementen kunnen worden geput uit alle geloofwaardige elementen die op tegensprekelijke wijze aan de rechtbank zijn overgelegd.

Het openbaar ministerie levert het bewijs van het bestaan van een verrijking die niet gerechtvaardigd is door een geoorloofde oorzaak over de relevante periode.

Onder verrijking verstaat men de al dan niet tijdelijke vermeerdering van de middelen en de vermindering van de uitgaven die de veroordeelde heeft genoten en die niet gerechtvaardigd zijn door een geoorloofde oorzaak. De beklaagde of de beschuldigde kan de geoorloofde herkomst van die verrijking aannemelijk maken.

§ 4.De rechter vermindert, indien nodig, het bedrag van de vermogensvoordelen of de geldwaarde ervan teneinde de veroordeelde niet te onderwerpen aan een onredelijk zware straf.

§ 5.Iedere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, kan dit recht laten gelden binnen een termijn en volgens de nadere regels bepaald door de Koning. In dit verband kan hij de rechtmatige herkomst van de zaak aannemelijk maken.

§ 6.Behoudens toepassing van artikel 67, worden de verbeurdverklaarde zaken aan de Schatkist toegekend.

Art. 55

Geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel

Wanneer het plegen van het misdrijf ertoe strekte rechtstreeks of onrechtstreeks een vermogensvoordeel te behalen en de rechter het bedrag van de door de wet voorziene geldboete als bijkomende straf onvoldoende acht om tot een gepaste bestraffing te komen, kan hij elk van de daders veroordelen tot betaling van een som die overeenstemt met maximum het drievoud van de waarde van het vermogensvoordeel dat de dader of de daders rechtstreeks of onrechtstreeks uit het misdrijf hebben behaald of hoopten te behalen in plaats van de bijkomende geldboete. Deze som wordt geïnd als een geldboete.

Deze straf kan als hoofdstraf van niveau 1 worden uitgesproken.

Indien hij een dergelijke straf oplegt, houdt de rechter bij het bepalen van het bedrag ervan rekening met de elementen die door de beklaagde of de beschuldigde worden ingeroepen met betrekking tot zijn financiële draagkracht en zijn sociale toestand.