Alle wetboeken › Sv.

BOEK II — TITEL VII Slotbepalingen (art. 589–648) › TITEL VII - ENIGE ZAKEN VAN OPENBAAR BELANG EN VAN ALGEMENE VEILIGHEID.

HOOFDSTUK I - (OVER HET CENTRAAL STRAFREGISTER.) (NOTA: de artikelen 589 tot en met 599, opgeheven bij W 10-07-1967, art. 1, 229°, zijn ingevoegd in dit deel van het SV, bij W 1997-08-08/14)

589–602

Art. 589

Het Centraal Strafregister, hierna " Strafregister " genoemd, is een systeem van geautomatiseerde verwerking gehouden onder het gezag van de Minister van Justitie waarin, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, gegevens betreffende beslissingen genomen in strafzaken of ter bescherming van de maatschappij worden geregistreerd, bewaard en gewijzigd. De Federale Overheidsdienst Justitie wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.

De doelstelling van het Strafregister bestaat erin de daarin geregistreerde gegevens mede te delen aan:

1°de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken;

1°/1 de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 belast met de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;

2°de administratieve overheden met het oog op de toepassing van bepalingen waarvoor kennis is vereist van het gerechtelijk verleden van de personen op wie administratieve maatregelen betrekking hebben;

2°/1 de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 die in het kader van andere opdrachten voorzien bij of krachtens de wet kennis moeten hebben van het gerechtelijk verleden van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

2°/2 de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;

2°/3 de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;

2°/4 de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie en van zijn Dienst Onderzoeken, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;

2°/5 de personeelsleden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, bedoeld in artikel 593 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;

3°natuurlijke personen en rechtspersonen ingeval zij een uittreksel uit het Strafregister moeten voorleggen;

4°buitenlandse overheden in de gevallen omschreven in internationale overeenkomsten of een regel van afgeleid recht van de Europese Unie waardoor België is gebonden.

De gegevens worden geregistreerd door de griffies van de hoven en rechtbanken of door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Deze gegevens kunnen dienen als grondslag voor statistieken uitgewerkt en verspreid op initiatief van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Art. 590

Volgende persoonsgegevens worden in het Strafregister opgenomen:

1°veroordelingen tot een straf;

2°beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling, alsook beslissingen die de herroeping van de opschorting vaststellen;

2°bis....

3°beslissingen tot herroeping van het, gewone of probatie-uitstel...;

4°beslissingen tot internering, tot toekenning of herroeping van de invrijheidstelling op proef of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en tot definitieve invrijheidstelling die genomen zijn overeenkomstig de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering. evenals beslissingen tot een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij, de beslissingen tot vrijheidsbeneming die overeenkomstig artikel 13 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van een beveiligingsmaatregel van de maatschappij zijn genomen en de beslissingen tot toekenning of herroeping van de invrijheidstelling op proef of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en tot definitieve invrijheidstelling die overeenkomstig deze wet zijn genomen;

5°beslissingen tot terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank en tot vrijheidsbeneming die overeenkomstig... artikel 95/7 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten zijn genomen.

6°beslissingen tot internering van de veroordeelden bedoeld in artikel 21 van dezelfde wet, alsook beslissingen op grond waarvan hun terugkeer naar de strafinrichting wordt gelast;

7°de ontzettingen uit de ouderlijke macht en herstel ervan, de maatregelen uitgesproken ten aanzien van minderjarigen opgesomd in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, alsook opheffingen of wijzigingen van die maatregelen die met toepassing van artikel 60 van dezelfde wet door de jeugdrechtbank worden uitgesproken;

8°vernietigingsarresten uitgesproken op grond van de artikelen 416 tot 442 of van de artikelen 443 tot 447bis van dit wetboek;

9°intrekkingsbeslissingen genomen op grond van de artikelen 10 tot 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

10°beslissingen tot uitlegging of verbetering;

11°arresten van herstel in eer en rechten uitgesproken op grond van de artikelen 621 tot 634 van dit wetboek;

12°besluiten tot herstel in eer en rechten uitgevaardigd overeenkomstig de besluitwet van 9 december 1943 op het herstel in eer en rechten van zeelieden en op het verdwijnen van strafvervolgingen en straffen voor bepaalde maritieme inbreuken;

13°besluiten tot herstel in eer en rechten uitgevaardigd overeenkomstig de besluitwet van 22 april 1918 op het militair eerherstel;

14°genadebesluiten;

15°beslissingen tot toekenning of herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

16°beslissingen in strafzaken genomen door buitenlandse rechtscolleges ten aanzien van Belgen of rechtspersonen die hun maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in België hebben, die krachtens internationale overeenkomsten of een regel van afgeleid recht van de Europese Unie waardoor België is gebonden, ter kennis van de Belgische regering worden gebracht, alsook maatregelen tot amnestie, uitwissing van de veroordeling of herstel in eer en rechten, genomen door een buitenlandse overheid, welke een invloed kunnen hebben op die beslissingen en aan de Belgische Regering zijn medegedeeld.

17°...

18°het in artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bedoelde verbod...;

19°het verval van de strafvordering overeenkomstig de artikelen 216bis, § 2 en 216ter, § 6;

20°de havenverboden zoals bedoeld in artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en in artikel 4.1.2.48, § 4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.

In het Strafregister worden ook bijkomende straffen, vervangende straffen en veiligheidsmaatregelen geregistreerd, alsook het gewone of het probatie-uitstel verbonden aan veroordelingen.

Reeds geregistreerde veroordelingen vernietigd ingevolge een verzet aangetekend tijdens de buitengewone verzetstermijn of een verwijzing na nietigverklaring, worden uit het Strafregister gewist.

Naast de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden door het Strafregister de unieke dactyloscopische referenties zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 11 maart 2019 betreffende de nadere regels voor de rechtstreekse bevraging van de Algemene Nationale Gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet op het politieambt ten behoeve van de Federale Overheidsdienst Justitie met het oogmerk bij te dragen tot de unieke identificatie van gedetineerden, indien deze gegevens beschikbaar zijn, geregistreerd en verwerkt ten behoeve van de overheden en personen bedoeld in artikel 589, tweede lid, 4°, en artikel 593 van dit Wetboek.

De administratieve overheden bedoeld in artikel 594 van hetzelfde Wetboek kunnen kennis nemen van deze unieke dactyloscopische referenties indien deze informatie noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheden en indien de mededeling van de unieke dactyloscopische referenties aan deze autoriteiten uitdrukkelijk is toegestaan door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.

Betreffende de onderdanen van een derde land in de zin van artikel 3 van de Verordening (EU) 2019/816 van het Europees parlement en de Raad tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (Ecris-TCN) ter aanvulling van het Europees Strafregisterinformatiesysteem en tot wijziging van de Verordening (EU) 2018/1726 worden de biometrische gegevens zoals bedoeld in artikel 44/1, § 2, 1°, van de wet op het politieambt door het Strafregister bij de bevoegde dienst van de directie van de technische en wetenschappelijke politie, bedoeld in artikel 102, 4°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, opgevraagd aan de hand van de unieke dactyloscopische referentie en onverwijld uit het Strafregister verwijderd nadat deze gegevens werden overgezonden overeenkomstig artikel 5 van de Verordening.

De technische en functionele modaliteiten van deze transactie worden bepaald in een protocol tussen de Federale Overheidsdienst Justitie en de Federale Politie. Dit protocol omvat minstens de veiligheidsmaatregelen met betrekking tot deze communicatie en de bewaartermijn van de gegevens en informatie.

Art. 591

§ 1.De schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau A van de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde hebben, uitsluitend in het kader van het beheer van het Strafregister, toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en tot de gegevens bedoeld in artikel 590, vierde lid.

De personen bedoeld in artikel 593 hebben in het kader van de raadpleging van het Strafregister toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9° en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en tot de gegevens bedoeld in artikel 590, vierde lid.

§ 2.De personen bedoeld in paragraaf 1 mogen de identificatienummers van het Rijksregister van de natuurlijke personen en de unieke dactyloscopische referentie van de gegevens bedoeld in artikel 590, vierde lid, alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen personen.

Zij mogen het inschrijvingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in artikel III.49 van het Wetboek van economisch recht alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen rechtspersonen.

§ 3.De personen bedoeld in paragraaf 1 kunnen de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 2 overdragen aan één of meer schriftelijk bij naam aangewezen personen binnen hun dienst. Dergelijke delegaties moeten met redenen zijn omkleed en verantwoord door de behoeften van de dienst.

De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder die delegaties worden verleend.

Art. 592

De griffiers maken de in artikel 590 opgesomde beslissingen over aan het Strafregister, binnen de drie dagen volgend op de dag waarop die in kracht van gewijsde zijn gegaan.

Indien de beslissing is uitgesproken door van een rechtscollege, dat noch een politierechtbank noch een rechtbank van eerste aanleg zetelend in hoger beroep tegen een vonnis van een politierechtbank is, en die beslissing heeft betrekking op een rechtspersoon die zijn statuten in België heeft neergelegd, zenden de griffiers bovendien een uittreksel van deze beslissing aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze rechtspersoon zijn neergelegd.

Ze zijn verantwoordelijk voor de conformiteit van de overgezonden gegevens met de door de rechtscolleges uitgesproken beslissingen.

Art. 593

De magistraten van het openbaar ministerie (onder wie het Belgische lid bij Eurojust), de onderzoeksrechters, de vrederechters, de rechters en de assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau A van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de leden van de politiediensten die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de korpschefs van de lokale politie en de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs van de federale politie, de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, opgericht door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de voorzitter van dit Comité, de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie, opgericht door de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de voorzitter van dit Controleorgaan, de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, opgericht door dezelfde wet, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam zijn aangewezen door de voorzitter van dit Comité, de leden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de Inspecteur-generaal, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de inlichtingendiensten in de zin van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, de leden van de Cel voor de verwerking van financiële informatie alsook de personeelsleden ervan die bekleed zijn met een graad welke overeenstemt met niveau 1 bij de ambtenaren, schriftelijk bij naam aangewezen, hebben steeds en uitsluitend in het kader van hun bij wet bepaalde opdrachten waarvoor kennis van gegevens uit het Strafregister is vereist, toegang tot de daarin opgenomen persoonsgegevens, met uitzondering van:

1°veroordelingen waarvoor amnestie is verleend;

2°beslissingen vernietigd op grond van artikel 416 tot 442 of artikel 443 tot 447bis van dit wetboek;

3°beslissingen tot intrekking genomen op grond van de artikelen 10 tot 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

4°veroordelingen en beslissingen uitgesproken op grond van een opgeheven wetsbepaling, op voorwaarde dat de strafbaarheid van het feit is opgeheven.

Zij hebben eveneens, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheden, toegang tot de informatie met betrekking tot de strafrechtelijke veroordelingen in een andere lidstaat van de Europese Unie via het Strafregister in zijn hoedanigheid van centrale autoriteit in de zin van artikel 3 van het Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten.

De in het eerste lid bedoelde magistraten van het openbaar ministerie, onderzoeksrechters, vrederechters, rechters en assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken, en ambtenaren van niveau A, kunnen deze bevoegdheid overdragen aan één of meer schriftelijk en bij naam aangewezen personen die onder hun gezag ressorteren.

De toegangsmodaliteiten maken het voorwerp uit van een protocolakkoord in de zin van artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens tussen de verantwoordelijke van de verwerking van het Strafregister en de aanvrager, zijnde de diensten bedoeld in artikel 593, eerste lid. Dit protocol bevat eveneens de gepaste maatregelen om de rechten en vrijheden van de betrokken personen te beschermen, in het bijzonder deze met betrekking tot:

a)de registratie van de toegangen;

b)de verplichting gehouden te zijn aan het beroepsgeheim of aan de vertrouwelijkheidsplicht;

c)de technische en organisatorische maatregelen betreffende het beheer van de toegangen.

De registratie van de toegangen dient ten minste toe te laten vast te stellen wie toegang had wanneer, tot welke gegevens en vanuit welke post en voor welke doeleinden de toegang werd gerealiseerd.

Art. 594

De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan bepaalde administratieve overheden toegang verlenen tot in het Strafregister opgenomen gegevens, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden, en met uitzondering van:

1°de veroordelingen en beslissingen bedoeld in artikel 593, 1° tot 4°;

2°arresten van herstel in eer en rechten en veroordelingen waarop dat herstel in eer en rechten betrekking heeft;

3°beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling... of het verval van de strafvordering overeenkomstig de artikelen 216bis, § 2 en 216ter, § 6;

4°de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 45 van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek;.

5°...

6°de beslissingen die veroordelen tot een probatiestraf overeenkomstig artikel 44 van het Strafwetboek, behalve voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek;

7°de beslissingen die veroordelen tot een dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap overeenkomstig artikel 56 van het Strafwetboek.

Zij hebben geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot gevangenisstraf van zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 4.000 euro, tot veroordelingen bij schuldigverklaring, tot de sluiting van de inrichting, tot een geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel, en tot een geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve indien deze veroordelingen een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, uitgesproken in het vonnis of waarvan de kennis hen onontbeerlijk is om een wets- of verordeningsbepaling te kunnen toepassen.

Zij hebben ook geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot straffen onder elektronisch toezicht, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek, na een termijn van drie jaar voor straffen onder elektronisch toezicht van ten hoogste zes maanden te rekenen vanaf de datum van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve indien deze veroordelingen een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, uitgesproken in het vonnis of waarvan de kennis hen onontbeerlijk is om een wets- of verordeningsbepaling te kunnen toepassen.

Wanneer de rechter een rechtspersoon veroordeelt tot twee hoofdstraffen overeenkomstig artikel 38, zevende lid, 4°, van het Strafwetboek, worden de bepalingen van het tweede en het derde lid afzonderlijk van toepassing op elke van de uitgesproken straffen.

Zij hebben wel toegang tot gegevens inzake de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, onder de voorwaarden vastgesteld in dat artikel.

Zij hebben eveneens, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheden en voor zover zij hiertoe door de Koning individueel werden gemachtigd bij in Ministerraad overlegd besluit, toegang tot de informatie met betrekking tot de strafrechtelijke veroordelingen in een andere lidstaat van de Europese Unie via het Strafregister in zijn hoedanigheid van centrale autoriteit in de zin van artikel 3 van het Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten.

Art. 595

Elke natuurlijke persoon of elke persoon bekwaam om een rechtspersoon te vertegenwoordigen, die zijn identiteit bewijst, kan een uittreksel uit het Strafregister verkrijgen, dat een overzicht bevat van de daarin opgenomen persoonsgegevens die op hem of, naar gelang het geval, op de rechtspersoon betrekking hebben, met uitzondering van:

1°de veroordelingen, beslissingen of maatregelen opgesomd in artikel 594, 1° tot 7°;

2°maatregelen getroffen ten aanzien van abnormalen op grond van de wet van 1 juli 1964;

3°de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.

De in het eerste lid bedoelde persoon heeft geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot gevangenisstraf van zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 4.000 euro, tot veroordelingen bij schuldigverklaring, tot veroordelingen tot verbeurdverklaringen, met inbegrip van de verruimde verbeurdverklaring, tot sluiting van de inrichting, tot geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel, en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve indien deze veroordelingen een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, uitgesproken in het vonnis.

De in het eerste lid bedoelde persoon heeft ook geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot straffen onder elektronisch toezicht, na een termijn van drie jaar voor straffen onder elektronisch toezicht van ten hoogste zes maanden te rekenen vanaf de datum van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve indien deze veroordelingen een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, uitgesproken in het vonnis.

Wanneer de rechter een rechtspersoon veroordeelt tot twee hoofdstraffen overeenkomstig artikel 38, zevende lid, 4°, van het Strafwetboek, worden de bepalingen van het eerste tot het derde lid afzonderlijk van toepassing op elke van de uitgesproken straffen.

De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Elke natuurlijke persoon, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het Strafregister, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Ieder persoon bevoegd om een rechtspersoon te vertegenwoordigen, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van gegevens uit het Strafregister die betrekking hebben op de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt.

De gegevens uit het strafregister die worden opgevraagd door onderdanen van een lidstaat of onderdanen van een derde land en die op henzelf betrekking hebben, worden onverwijld door het Strafregister opgevraagd bij de lidstaat waarvan de betrokkene de nationaliteit heeft respectievelijk de lidstaat of lidstaten die over gegevens uit het strafregister aangaande de betrokken derdelander beschikken overeenkomstig artikel 6, paragrafen 3 en 3bis, van het Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten en vervolgens meegedeeld aan de betrokken persoon.

Art. 596

Wanneer het uittreksel evenwel wordt aangevraagd teneinde toegang te krijgen tot een activiteit waarvan de toegangs- of uitoefeningsvoorwaarden bij wets- of verordeningsbepalingen zijn vastgesteld, worden de veroordelingen bedoeld in artikel 595, tweede en derde lid, vermeld indien zij een ontzetting of een vervallenverklaring inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken en die de betrokkene verbieden deze activiteit uit te oefenen.

Wanneer het uittreksel wordt aangevraagd ten einde toegang te krijgen tot een activiteit die onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen valt, vermeldt het uittreksel behalve de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in het eerste lid, ook de beslissingen bedoeld in artikel 594, eerste lid, 4° tot 7°, de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1°..., en de beslissingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 2°, 4°, 5° en 16°, voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart. Het uittreksel vermeldt bovendien of de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een verbod om een activiteit uit te oefenen die hem in contact zou brengen met minderjarigen, uitgesproken door een rechter of een onderzoeksgerecht met toepassing van artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. Het verbod dient op het uittreksel te worden vermeld tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen....

De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Het in het tweede lid bedoelde uittreksel mag niet worden afgeleverd aan een persoon die zich in voorlopige hechtenis bevindt.

(NOTA: bij arrest nr 1/2011 van 13-01-2011 (B.St. 15-03-2011, p. 16342-16350), heeft het Grondwettelijk Hof in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 6, 1°, van de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister, de woorden " tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen " vernietigd)

Art. 596bis

Wanneer het uittreksel bedoeld in artikel 596, eerste lid, wordt aangevraagd ten einde toegang te krijgen tot een activiteit in een haven, een havenfaciliteit, een terminal gelegen in het binnenland of een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4°, 5°, 16° en 17°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, vermeldt het uittreksel:

1°de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in artikel 596, eerste lid;

2°de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 3° en 20°;

3°gedurende drie jaar vanaf de dag van de veroordeling de beslissingen bedoeld in artikel 594, 4° tot 7° in het geval deze betrekking hebben op inbreuken op:

i. de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen, en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;

ii. één van de misdrijven bedoeld in in de artikelen 403, 404, 405, 406, 407, 408, 409 en 410 van het Strafwetboek;

iii. één van de misdrijven bedoeld in de artikelen 465 en 466 van het Strafwetboek;

iv. één van de misdrijven bedoeld in de artikelen 419 en 420 van het Strafwetboek;

v. een ongeoorloofde actie in de zin van artikel 4.1.2.48, § 2 of § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.

De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Art. 597

Uittreksels uit het Strafregister worden aan buitenlandse overheden uitgereikt in de gevallen omschreven in internationale overeenkomsten of een regel van afgeleid recht van de Europese Unie waardoor België is gebonden.

Art. 598

De gegevens van het Strafregister die betrekking hebben op overleden natuurlijke personen of rechtspersonen na afsluiting van de vereffening, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening, worden eenmaal per jaar aan het Algemeen Rijksarchief toegezonden.

Art. 599

De raadpleging van het Strafregister en de afgifte van uittreksels kunnen aanleiding geven tot vergoedingen vastgesteld door de Koning.

Art. 600

De door het Strafregister meegedeelde gegevens vormen geen bewijs van de rechterlijke of administratieve beslissingen waarop zij betrekking hebben.

Art. 601

De personen die in de uitoefening van hun ambt meewerken aan het verzamelen, het verwerken of het toezenden van de in artikel 590 bedoelde gegevens, zijn gebonden door het beroepsgeheim. Artikel 352 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.

Zij moeten alle maatregelen nemen die nodig zijn om de veiligheid van de geregistreerde gegevens te waarborgen, waarbij zij inzonderheid moeten verhinderen dat zij worden vervalst, beschadigd of meegedeeld aan personen die geen machtiging hebben om kennis ervan te nemen.

Zij moeten nagaan of de programma's voor de geautomatiseerde verwerking van de gegevens geschikt zijn en rechtmatig worden toegepast.

Zij moeten ervoor zorgen dat de gegevens op rechtmatige wijze worden overgezonden.

De identiteit van de personen die om raadpleging van het Strafregister verzoeken, wordt geregistreerd in een controlesysteem. Deze gegevens worden gedurende zes maanden bewaard.

Art. 602

De Koning kan maatregelen vaststellen die erop zijn gericht de veiligheid van de gegevens opgenomen in het Strafregister te waarborgen.