Alle wetboeken › Sw. 2024

Boek 1 Algemene regels van het strafrecht › Hoofdstuk 4 Straffen

Afdeling 6 Vrijheidsbeperkende straffen

43–50

Art. 43

Straf onder elektronisch toezicht

§ 1.Wanneer de rechter van oordeel is dat hij een straf van niveau 2 moet uitspreken, kan hij als hoofdstraf een straf onder elektronisch toezicht opleggen waarvan de duur minstens een maand en ten hoogste een jaar bedraagt.

De straf onder elektronisch toezicht bestaat uit de verplichting voor de veroordeelde om aanwezig te zijn op een bepaald adres, behoudens toegestane verplaatsingen, activiteiten en afwezigheden, volgens een bepaald uitvoeringsprogramma. De controle op deze aanwezigheid gebeurt onder meer door elektronische middelen. De verplichte aanwezigheid wordt gekoppeld aan voorwaarden.

De rechter bepaalt een vervangende gevangenisstraf van dezelfde duur als die van de straf onder elektronisch toezicht, die van toepassing is ingeval deze laatste straf niet wordt uitgevoerd.

De rechter kan een straf onder elektronisch toezicht slechts uitspreken als de beklaagde, in persoon of via zijn advocaat, met kennis van zaken zijn instemming heeft gegeven. Iedere persoon die met de beklaagde samenwoont kan door de rechter worden gehoord omtrent zijn opmerkingen met betrekking tot de overwogen straf.

§ 2.De rechter kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van deze straf, inzonderheid betreffende de toegestane verplaatsingen, activiteiten en afwezigheden.

Aan de straf onder elektronisch toezicht worden de volgende algemene voorwaarden verbonden:

1°geen misdrijven plegen;

2°een vast adres hebben waar de verplichting tot aanwezigheid wordt uitgevoerd en vóór elke wijziging de toestemming krijgen van het openbaar ministerie of bij gebreke daarvan die van de strafuitvoeringsrechtbank. In afwijking van de eerste zin en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, moet de betrokkene een vast adres hebben waar de verplichting tot aanwezigheid wordt uitgevoerd en voor elke wijziging de toestemming krijgen van het openbaar ministerie;

3°gevolg geven aan de oproepingen van de bevoegde dienst voor de controle van deze straf en de concrete modaliteiten bepaald door deze dienst volgen.

De rechter kan de veroordeelde bovendien aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen... indien deze noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer of voor de maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde.

§ 3.Indien de beklaagde of de beschuldigde vervolgd wordt voor een misdrijf dat bestaat uit een aantasting van de seksuele, fysieke of psychische integriteit van een persoon met wie hij de woning deelt, geeft het openbaar ministerie of de rechter bij wie de zaak aanhangig werd gemaakt, aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de beklaagde of de beschuldigde de opdracht om een voorlichtingsrapport op te stellen. Het openbaar ministerie of de rechter is niet verplicht het bedoelde voorlichtingsrapport te vragen indien dit niet strikt noodzakelijk is.

§ 4....

§ 5.Indien de straf onder elektronisch toezicht niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd of in geval van ernstige niet-naleving van de algemene of bijzondere voorwaarden kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie en na de veroordeelde te hebben gehoord, beslissen dat zal worden overgegaan tot de uitvoering van de uitgesproken vervangende gevangenisstraf of van het restant ervan na aftrek van de duur van het reeds uitgevoerde elektronisch toezicht, waarbij een dag van de straf onder elektronisch toezicht gelijkstaat aan een dag gevangenisstraf.

In afwijking van het eerste lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, indien de straf onder elektronisch toezicht niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd of in geval van ernstige niet-naleving van de algemene of bijzondere voorwaarden, is het openbaar ministerie bevoegd om te beslissen om over te gaan tot de uitvoering van de uitgesproken vervangende gevangenisstraf of van het restant ervan na aftrek van de duur van het reeds uitgevoerde elektronisch toezicht, overeenkomstig artikel 3, § 3, van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen.

Art. 44

Probatiestraf

§ 1.Wanneer de rechter van oordeel is dat hij een straf van niveau 2 of van niveau 1 moet uitspreken, kan hij als hoofdstraf een probatiestraf opleggen.

De rechter kan een probatiestraf slechts uitspreken als de beklaagde, in persoon of via zijn advocaat, met kennis van zaken zijn instemming heeft gegeven.

§ 2.De probatiestraf bestaat uit de verplichting algemene en bijzondere voorwaarden na te leven gedurende een door de rechter bepaalde termijn.

De duur van de probatiestraf van niveau 2 bedraagt meer dan twaalf maanden en ten hoogste twee jaar. De duur van de probatiestraf van niveau 1 bedraagt minstens zes maanden en ten hoogste twaalf maanden.

De rechter legt bij het uitspreken van een probatiestraf van niveau 1 een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro of een gevangenisstraf van minstens een maand tot ten hoogste zes maand op. Bij het uitspreken van een probatiestraf van niveau 2 legt de rechter een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro of een gevangenisstraf van minstens een maand en ten hoogste een jaar op. Deze vervangende straffen kunnen worden toegepast indien de probatiestraf niet wordt uitgevoerd.

De natuurlijke personen aan wie een probatiestraf werd opgelegd, worden bovendien onderworpen aan de sociale begeleiding door de daartoe aangewezen bevoegde dienst van de gemeenschappen.

§ 3.De rechter bepaalt de duur van de probatiestraf en de bijzondere voorwaarden waaraan de veroordeelde wordt onderworpen.

Aan de probatiestraf worden de volgende algemene voorwaarden verbonden:

1°geen misdrijven plegen;

2°voor de natuurlijke personen, een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, het adres van zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;

3°voor de natuurlijke personen, gevolg geven aan de oproepingen van de strafuitvoeringsrechtbank en aan die van de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast. In afwijking van de eerste zin en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, moet de natuurlijke persoon gevolg geven aan de oproepingen van de probatiecommissie en aan die van de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast.

De bijzondere voorwaarden kunnen bestaan uit onder meer het volgen van een opleiding, een integratietraject richting de arbeidsmarkt of een ambulante behandeling.

De probatiestraf gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden.

§ 4.In voorkomend geval, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank, na de veroordeelde gehoord te hebben, de concrete invulling van de probatiestraf.

De strafuitvoeringsrechtbank kan de bijzondere voorwaarden geheel of ten dele opschorten, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde. Indien de strafuitvoeringsrechtbank van oordeel is dat de probatiestraf zijn doel heeft bereikt, kan zij beslissen een einde eraan te maken, zelfs als de door de rechter bepaalde termijn nog niet is verstreken.

...

In afwijking van het eerste en het tweede lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, in geval van een veroordeling tot een probatiestraf van een natuurlijke persoon is de probatiecommissie bevoegd om de bij de rechterlijke beslissing gestelde bijzondere voorwaarden van de probatiestraf geheel of ten dele op te schorten, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden of een einde te maken aan de probatiestraf indien zij van oordeel is dat deze zijn doel heeft bereikt, overeenkomstig artikel 6 van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen en, in geval van een veroordeling tot een probatiestraf van een rechtspersoon, is de strafuitvoeringsrechter hiervoor bevoegd overeenkomstig artikel 23 van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen.

§ 5.Wanneer de probatiestraf geheel of gedeeltelijk niet wordt uitgevoerd, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, en na de veroordeelde gehoord te hebben, beslissen dat de vervangende straf of een deel ervan ten uitvoer zal worden gelegd, hierbij rekening houdende met het deel van de probatiestraf dat de veroordeelde reeds heeft verricht.

In afwijking van het eerste lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, in geval van een veroordeling tot een probatiestraf van een natuurlijke persoon beslist het openbaar ministerie over de uitvoering van de vervangende straf of een deel ervan wanneer de probatiestraf geheel of gedeeltelijk niet wordt uitgevoerd, overeenkomstig artikel 7 van de wet tijdelijk kader strafuitvoering en, in geval van veroordeling tot een probatiestraf van een rechtspersoon, de strafuitvoeringsrechter, overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen.

Art. 45

Werkstraf

§ 1.Wanneer de rechter van oordeel is dat hij een straf van niveau 2 of van niveau 1 moet uitspreken, kan hij als hoofdstraf een werkstraf opleggen.

De rechter kan een werkstraf slechts uitspreken als de beklaagde, in persoon of via zijn advocaat, met kennis van zaken zijn instemming heeft gegeven.

§ 2.De duur van de werkstraf van niveau 2 bedraagt meer dan honderdtwintig uren en ten hoogste driehonderd uren. De duur van de werkstraf van niveau 1 bedraagt minstens twintig uren en ten hoogste honderdtwintig uren.

De veroordeelde verricht de werkstraf kosteloos tijdens de vrije tijd waarover hij naast zijn eventuele school- of beroepsactiviteiten beschikt. Zij mag worden verricht bij overheden, openbare instellingen en rechtspersonen die onderworpen zijn aan het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, op voorwaarde dat de veroordeelde daarbij geen reguliere arbeidsplaats inneemt. De werkstraf moet bijdragen aan het algemeen belang of een maatschappelijke functie vervullen.

Bij vennootschappen kan zij slechts worden verricht onder de voorwaarden bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

De rechter bepaalt de duur van de werkstraf en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling ervan.

De rechter legt bij het uitspreken van een werkstraf van niveau 1 een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro of een gevangenisstraf van minstens een maand tot ten hoogste zes maanden op. Bij het uitspreken van een werkstraf van niveau 2, legt de rechter een geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro of een gevangenisstraf van minstens een maand tot ten hoogste een jaar op. Deze vervangende straffen kunnen worden toegepast indien de werkstraf niet wordt uitgevoerd.

§ 3.Op de tenuitvoerlegging van de werkstraf wordt toegezien door de strafuitvoeringsrechtbank.

...

In afwijking van het eerste lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, ziet de probatiecommissie toe op de tenuitvoerlegging van de werkstraf, overeenkomstig artikel 8, §§ 1 tot 4, van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen.

§ 4.Wanneer de werkstraf geheel of gedeeltelijk niet wordt uitgevoerd, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, en na de veroordeelde te hebben gehoord, beslissen dat de vervangende straf of een deel ervan ten uitvoer zal worden gelegd, hierbij rekening houdende met het deel van de werkstraf dat de veroordeelde reeds heeft verricht.

In afwijking van het eerste lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, beslist het openbaar ministerie over de tenuitvoerlegging van de vervangende straf of een deel ervan wanneer de werkstraf geheel of gedeeltelijk niet wordt uitgevoerd, overeenkomstig artikel 8, § 4, van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen.

Art. 46

Verlengde opvolging

§ 1.Indien de rechter een straf oplegt van niveau 3 of van een hoger niveau wegens een misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft uitgemaakt op het leven, de fysieke, seksuele of psychische integriteit van het slachtoffer of een ernstig gevaar uitmaakte voor de openbare veiligheid kan hij een verlengde opvolging opleggen als bijkomende straf.

Deze straf moet worden opgelegd indien de rechter de beklaagde of beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 7 of 8 en de beklaagde of beschuldigde reeds eerder werd veroordeeld voor een misdrijf waarop de wet een straf van niveau 7 of 8 stelt.

Deze straf moet eveneens worden opgelegd indien de rechter de beklaagde of beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 4 of van een hoger niveau en de veroordeling, al dan niet in samenloop met andere misdrijven, is gebaseerd op een van de volgende misdrijven:

1°foltering met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 118;

2°verkrachting van een minderjarige bedoeld in de artikelen 143, vijfde streepje, 144, vijfde streepje, en 145, vijfde streepje;

3°niet-consensuele seksuele handelingen met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 139;

4°ontvoering met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 225;

5°een terroristisch misdrijf bedoeld in artikel 371, in geval dit de dood heeft veroorzaakt.

Alvorens de rechter beslist een verlengde opvolging op te leggen, wint hij het gemotiveerd advies in van een deskundige of van een gespecialiseerde dienst, door de Koning erkend bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Het advies bevat een beschrijving van de aard van de eventuele problematiek waarmee de beklaagde of de beschuldigde kampt en de mogelijkheden inzake begeleiding, behandeling of opvolging.

In afwijking van het vijfde lid, is de rechter niet verplicht het bedoelde gemotiveerd advies in te winnen indien hij een verplicht verlengde opvolging oplegt.

§ 2.De verlengde opvolging bestaat uit de verplichting om, na afloop van de gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving, voorwaarden na te leven voor een bepaalde duur. Deze voorwaarden zijn gericht op het aanpakken van de eventuele problematiek die heeft bijgedragen tot de veroordeling van de beklaagde of de beschuldigde en het vermijden van het plegen van nieuwe feiten.

Indien de veroordeelde de opgelegde voorwaarden niet naleeft, indien hij de uitvoering van de verlengde opvolging onmogelijk maakt of indien de veroordeelde te kennen geeft niet bereid te zijn voorwaarden na te leven, kan hij worden opgesloten in een door de strafuitvoeringsrechtbank aangewezen instelling voor de duur van de verlengde opvolging. Deze instelling kan in geen geval een gevangenis zijn.

§ 3.De verlengde opvolging wordt opgelegd voor een duur van ten hoogste vijf jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 3, van ten hoogste tien jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 4 en van ten hoogste vijftien jaar indien een straf wordt opgelegd van niveau 5, 6, 7 of 8. Indien de verlengde opvolging verplicht wordt opgelegd overeenkomstig paragraaf 1, tweede of derde lid, bedraagt de minimale duur van de verlengde opvolging vijf jaar.

Indien de strafuitvoeringsrechtbank op een van de gronden opgesomd in paragraaf 2, tweede lid, beslist dat de veroordeelde van zijn vrijheid moet worden beroofd en op dat moment reeds de termijn van de proeftijd voor voorwaardelijke invrijheidstelling of voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering die van toepassing zou zijn geweest indien geen verlengde opvolging tegen hem was uitgesproken is verstreken, houdt de strafuitvoeringsrechtbank bij het bepalen van de resterende duur van de verlengde opvolging rekening met de reeds doorlopen periode waarin voorwaarden werden nageleefd na het verstrijken van deze termijn.

§ 4.De verlengde opvolging kan enkel worden uitgevoerd indien de veroordeelde de opgelegde gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving uitzit, zonder met succes de in artikel 71 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten bepaalde proeftijd te hebben doorlopen.

§ 5.Met het oog op de uitvoering van deze straf bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank, na het horen van de veroordeelde, zes maanden voorafgaand aan de voorziene datum van strafeinde, de concrete voorwaarden waaraan de veroordeelde zich na de beëindiging van de gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving dient te houden. Het openbaar ministerie stelt met het oog op deze zitting een dossier samen, met daarin een advies van de gevangenisdirecteur of de instellingsdirecteur en desgevallend van een deskundige bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, met betrekking tot de bij de veroordeelde aanwezige problematiek.

De opgelegde voorwaarden omvatten de volgende algemene voorwaarden:

1°geen misdrijven plegen;

2°een vast adres hebben en bij wijziging ervan, het adres van zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;

3°gevolg geven aan de oproepingen van de strafuitvoeringsrechtbank en, in voorkomend geval, aan die van de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast.

De strafuitvoeringsrechtbank kan op elk moment de opgelegde voorwaarden geheel of ten dele opschorten, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde. Indien de strafuitvoeringsrechtbank van oordeel is dat de verlengde opvolging het gevaar op recidive afdoende ingeperkt heeft, beslist zij om voortijdig een einde te maken aan deze straf, zelfs indien de door de vonnisrechter bepaalde termijn nog niet is verstreken.

Art. 47

Ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten

De gehele of gedeeltelijke ontzetting heeft betrekking op de uitoefening van de volgende rechten:

1°het recht openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen of de titels en graden te voeren waarmee de betrokkene is bekleed;

2°het recht verkozen te worden;

3°het recht enig ereteken te dragen of enige adellijke titel te voeren;

4°het recht gezworene of deskundige te zijn, als instrumentair of attesterend getuige bij akten op te treden; het recht in rechte te getuigen, anders dan om enkel inlichtingen te geven;

5°het recht geroepen te worden tot het ambt van voogd, toeziend voogd of curator, behalve over de eigen kinderen, of om het ambt van gerechtelijk bewindvoerder over de goederen van een vermoedelijk afwezige of bewindvoerder van een persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek is beschermd uit te oefenen;

6°het recht wapens te dragen of enige activiteit met betrekking tot wapens uit te oefenen;

7°het recht te dienen in het leger.

In geval van veroordeling tot een straf van niveau 8 wordt de levenslange ontzetting uitgesproken van de rechten bedoeld in het eerste lid. De rechter kan daarnaast de ontzetting van het kiesrecht opleggen voor het leven of voor een periode van twintig tot ten hoogste dertig jaar.

In geval van veroordeling tot een straf van niveau 7, kan de rechter de veroordeelde geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in het eerste lid voor twintig jaar. De rechter kan daarnaast de ontzetting van het kiesrecht opleggen voor een zelfde periode.

In geval van veroordeling tot een straf van niveau 2 tot en met 6, kan de rechter de veroordeelde geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in het eerste lid voor vijf tot ten hoogste tien jaar.

De periode van de ontzetting, bij het vonnis of arrest van veroordeling bepaald, gaat in op de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht.

Indien daartoe grond bestaat, kan de strafuitvoeringsrechtbank beslissen een in kracht van gewijsde getreden veroordeling tot de ontzetting uit de rechten te wijzigen door de duur of de omvang van de ontzetting te verminderen, de ontzetting op te schorten of te beëindigen.

Art. 48

Beroepsverbod

De rechter kan de veroordeelde verbieden zijn beroep uit te oefenen indien hij ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn beroep om het misdrijf te plegen.

Het beroepsverbod bedraagt minstens een jaar en ten hoogste vijf jaar.

Het beroepsverbod gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht.

Indien daartoe grond bestaat, kan de strafuitvoeringsrechtbank beslissen een in kracht van gewijsde getreden veroordeling tot het beroepsverbod te wijzigen door de duur van het verbod te verminderen, het verbod op te schorten of te beëindigen.

Art. 49

Verval van het recht tot sturen

De rechter kan de dader veroordelen tot een verval van het recht tot sturen indien een motorrijtuig gediend heeft of bestemd was tot het plegen van het misdrijf of tot het verzekeren van de vlucht.

Het verval van het recht tot sturen bedraagt minstens zes maanden en ten hoogste vijf jaar.

De rechter kan het verval beperken tot de uitvoering buiten de beroepsactiviteit.

Het verval gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht.

Artikel 40, tweede lid tot vierde lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer is van toepassing.

Indien daartoe grond bestaat, kan de strafuitvoeringsrechtbank beslissen een in kracht van gewijsde getreden veroordeling tot verval van het recht tot sturen te wijzigen door de duur van het verval te verminderen, het verval op te schorten of te beëindigen.

De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten worden vervuld met betrekking tot de uitvoering van de vervallenverklaringen van het recht tot sturen.

Art. 50

Verblijfs-, plaats- of contactverbod

De rechter kan de veroordeelde, voor een termijn van een jaar tot ten hoogste twintig jaar, de ontzetting opleggen van het recht te wonen, te verblijven of zich op te houden in het door de rechter bepaalde gebied of contact te hebben met de personen die hij individueel aanwijst.

De oplegging van deze straf moet met bijzondere redenen worden omkleed en rekening houden met de ernst van de feiten, met de reclasseringsmogelijkheden voor de veroordeelde of het risico op recidive.

Het verblijfs-, plaats- of contactverbod gaat in vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht.

Indien daartoe grond bestaat, kan de strafuitvoeringsrechtbank beslissen een in kracht van gewijsde getreden veroordeling waarbij een verblijfs-, plaats- of contactverbod is opgelegd, te wijzigen door de duur of de omvang van het verbod te beperken, de nadere regels of de voorwaarden ervan aan te passen, het op te schorten of het te beëindigen.

In afwijking van het vierde lid en tot een datum te bepalen door de Koning, en uiterlijk tot 30 juni 2029, beslist de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval de strafuitvoeringsbank over de wijziging van deze straf overeenkomstig de artikelen 26/2, 28, 29/1, 47, 48, 49/1 en 95/1 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, ingeval deze straf is opgelegd samen met een vrijheidsbenemende straf en, ingeval deze straf is opgelegd samen met een andere vrijheidsbeperkende straf, met een vermogensstraf of indien ze overeenkomstig artikel 36, tiende lid, van het Strafwetboek is opgelegd in plaats van de hoofdstraf, beslist de strafuitvoeringsrechter overeenkomstig artikel 19 van de wet houdende een tijdelijk kader inzake de uitvoering van de straffen.