§ 1.(Worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste in de zin van artikel 93 van de gecoördineerde wet:
1°de gerechtigde die samenwoont met zijn echtgenoot;
2°de gerechtigde die samenwoont met een persoon waarmee hij een feitelijk gezin vormt; die persoon mag evenwel geen bloed- of aanverwant zijn van de gerechtigde tot de derde graad, noch een kind dat recht geeft op gezinsbijslagen of dat ten laste is van een ouder die een onderhoudsplicht heeft;
3°de gerechtigde die samenwoont met één of meer kinderen bedoeld in artikel 123, 3, behoudens de leeftijdsvoorwaarde voorzien in deze bepaling; wanneer een kind kan worden ingeschreven ten laste van verscheidene gerechtigden, wordt de volgorde van inschrijving toegepast bepaald in artikel 125, § 1, derde tot vijfde lid en § 2;
4°de gerechtigde die samenwoont met één of meerdere bloed- of aanverwanten tot de derde graad;
(5° de gerechtigde die alimentatiegeld betaalt, (op grond van een rechterlijke beslissing of een notariële akte, of op grond van een) onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, en de gerechtigde wiens echtgenoot een deel van zijn uitkeringen ontvangt als sommen verschuldigd door derden, met toepassing van artikel 221 of 223 van het Burgerlijk Wetboek; deze bepaling is evenwel slechts van toepassing voor de gerechtigde die zich in de situatie bevindt bedoeld in artikel 226 en op voorwaarde dat het bedrag van het alimentatiegeld of van de toegekende sommen ten minste (111,55 EUR) per maand bedraagt;)
6°(opgeheven)
(tweede tot zevende lid opgeheven)
De personen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4° kunnen slechts als persoon ten laste worden beschouwd als zij geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of een vreemde wetgeving.) (Zij moeten bovendien financieel ten laste zijn van de gerechtigde zelf en niet van een andere persoon die deel uitmaakt van hetzelfde gezin.)
§ 2.( (De bij § 1, 3° en 4°, bedoelde gerechtigde) die tevens samenwoont met andere dan in die paragraaf opgesomde personen, behoudt slechts de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste wanneer deze andere personen geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving. Voor de toepassing van deze bepaling worden de bloed- of aanverwanten tot de derde graad van de echtgenoot van de gerechtigde of van de persoon, bedoeld in § 1, 2°, gelijkgesteld met bloed- of aanverwanten van de gerechtigde.)
De in § 1, 3° en 4°, bedoelde gerechtigde die tevens samenwoont met een in § 1, 1° of 2°, opgesomde persoon, kan uitsluitend de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste verkrijgen op de in § 1, 1° of 2°, bepaalde wijze.
(De voorwaarde van samenwoning is niet vereist gedurende het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde bedoeld in § 1, 1° tot 4°, gehospitaliseerd wordt of verblijft in een instelling of een dienst als bedoeld in artikel 34, 11° en 18°, van de gecoördineerde wet, (in voorlopige hechtenis is of van zijn vrijheid beroofd is), onverminderd de andere te vervullen voorwaarden voor het toekennen van de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste.)
§ 3.Onder beroepsactiviteit als bedoeld in de §§ 1 en 2 dient te worden verstaan iedere bezigheid die, naargelang van het geval, een inkomen als bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kan opleveren, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie. (Nochtans wordt met dit inkomen, alsook met de hiervoren bedoelde pensioenen, renten, tegemoetkomingen en uitkeringen, slechts rekening gehouden indien het totale bedrag ervan meer is dan (707,07 euro) per maand; dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.)
Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoren bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.
De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.
Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en met de vergoeding per wijk-werkcheque, verkregen voor prestaties die geleverd zijn in het kader van het wijk-werken bedoeld in artikel 34 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 juli 2017 betreffende wijk-werken en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming.
...
(Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.)
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de verhoging vanaf 1 september 2011 van het dagbedrag van de minimumuitkering bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, b), ingevoerd bij het koninklijk besluit van 6 juli 2011.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van "het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkering toegekend overeenkomstig de wet van 24 juni 2020 houdende toekenning van een tijdelijke aanvulling op de uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid, evenals met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de tijdelijke premie toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° en 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de jobbonus of de jobbonus plus toegekend overeenkomstig het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 mei 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus of het decreet van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap van 15 juli 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus plus voor startende zelfstandigen.
§ 4.Het bewijs van elke in § 1 bedoelde toestand moet worden geleverd met een officieel getuigschrift dat in het dossier van de gerechtigde voorkomt, bij de uitbetaling van de invaliditeitsuitkeringen als gerechtigde met persoon ten laste.
Dit bewijs volgt, wat de voorwaarde van samenwonen betreft, uit het informatiegegeven bedoeld bij artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen bij het Rijksregister, behoudens de gevallen waarin uit andere, hiertoe overgelegde bewijsstukken blijkt dat de in aanmerking te nemen toestand niet of niet langer overeenstemt met voornoemd informatiegegeven van het Rijksregister.
(Lid 3 opgeheven)
(§ 5. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, tweede lid, overschrijden, enkel omwille van de verhoging van het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen ingevolge het koninklijk besluit van 23 december 2005 tot wijziging, wat de hoogte van de invaliditeitsuitkeringen betreft, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast van 1 januari 2006 tot 31 december 2011, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt gedurende deze overgangsperiode.)
(§ 6. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel omwille van de verhoging vanaf 1 juli 2008 van de minimumpensioenen voor werknemers door het koninklijk besluit van 12 juni 2008 tot verhoging van het gewaarborgd minimumbedrag van het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, of enkel omwille van de verhoging vanaf 1 juli 2008 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen door de programmawet van 8 juni 2008, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.)
§ 7.Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
§ 8.Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
§ 9.De gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste die samenwoont met een persoon bedoeld in § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
§ 10.De gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste die samenwoont met een persoon bedoeld in § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
§ 11.Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
§ 12.Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties zoals in deze paragraaf omschreven, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Voor de toepassing van het eerste lid gaat het om de verhogingen van de volgende sociale prestaties:
1°de verhogingen van de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 inzake de verhoging van het gewaarborgd minimumpensioen;
2°de verhogingen van de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 genomen met toepassing van artikel 132, § 2, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen;
3°de verhogingen van de bedragen van de inkomensgarantie voor ouderen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 inzake de verhoging van de inkomensgarantie voor ouderen;
4°de verhogingen van de bedragen van het leefloon in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon, evenals de verhogingen van de bedragen van de minimumuitkering toegekend aan de niet-regelmatige werknemers bedoeld in artikel 214, § 2 die gekoppeld zijn aan de toepasselijke bedragen van het leefloon;
5°de verhogingen van de minima en bepaalde forfaits in de werkloosheidsverzekering in uitvoering van het koninklijk besluit van 22 december 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering betreffende het verhogen van de minima in het kader van de strijd tegen de armoede;
6°de verhogingen van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming in uitvoering van het koninklijk besluit van 14 januari 2021 houdende verhoging van het bedrag van categorie A, B en C van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.