§ 1.Een rechter in de rechtbank van eerste aanleg kan, met zijn instemming, opdracht krijgen om zijn ambt uit te oefenen in een rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van een ander hof van beroep of om een ambt uit te oefenen in een ondernemingsrechtbank.
Een rechter in de ondernemingsrechtbank kan, met zijn instemming, opdracht krijgen om zijn ambt uit te oefenen in een ondernemingsrechtbank van het rechtsgebied van een ander hof van beroep of om een ambt uit te oefenen in een rechtbank van eerste aanleg.
Een rechter in de arbeidsrechtbank kan, met zijn instemming, opdracht krijgen om zijn ambt uit te oefenen in een arbeidsrechtbank van het rechtsgebied van een ander arbeidshof.
§ 2.Rechters in de rechtbank van eerste aanleg, rechters in de ondernemingsrechtbank en rechters in de arbeidsrechtbank uit het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik kunnen, met hun instemming, opdracht krijgen om zowel in de rechtbank van eerste aanleg als in de ondernemingsrechtbank of de arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Eupen een ambt uit te oefenen. Rechters in de ondernemingsrechtbank en in de arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Eupen kunnen, met hun instemming, opdracht krijgen om hetzij in een ondernemingsrechtbank of in een rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, hetzij in een arbeidsrechtbank van het rechtsgebied hun ambt uit te oefenen.
§ 3.De opdrachten kunnen al dan niet bijkomend worden uitgeoefend.
§ 4.Opdrachten kunnen enkel gegeven worden wanneer de behoeften van de dienst dit rechtvaardigen en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Consensus is vereist tussen de beide korpschefs. Het advies van elke eerste voorzitter van naar gelang het geval het hof van beroep of het arbeidshof van het betrokken rechtsgebied wordt gevraagd. Bij gebrek aan advies binnen de termijn van veertien dagen wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs voor wat opdrachten betreft binnen het rechtsgebied, beslist naar gelang het geval de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof. Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs voor wat een opdracht in paragraaf 2 betreft, beslist de eerste voorzitter van het hof van beroep. Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs voor wat de overige opdrachten betreft, beslist het College van de hoven en rechtbanken na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs.
Naar gelang het geval wordt de opdrachtbeschikking opgesteld door de korpschef van de met de opdracht belaste magistraat, door de eerste voorzitter van het hof van beroep, door de eerste voorzitter van het arbeidshof of door de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.
De opdrachtbeschikking bepaalt de nadere regels van de opdracht, bevat de redenen van de opdracht en vermeldt in voorkomend geval waarom beroep moet worden gedaan op een magistraat van een ander rechtscollege, van een ander arrondissement of van een ander rechtsgebied.
De opdracht is ten hoogste een jaar geldig en kan in dezelfde omstandigheden en onder dezelfde voorwaarden worden hernieuwd. Voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn en waarin de aangewezen magistraat zitting heeft, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het eindvonnis.
Voor de duur van zijn opdracht blijft de aldus met de opdracht belaste magistraat geldig kennis nemen van de zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn en waarin hij zitting had voordat de opdracht werd gegeven.