<Opgeheven bij W 2023-05-04/02, art. 6, 121; Inwerkingtreding: 01-09-2023>
Boek XV - Rechtshandhaving › TITEL 1 - De uitoefening van toezicht en de opsporing en vaststelling van inbreuken › HOOFDSTUK 2 - Bijzondere bevoegdheden...
Afdeling 1 De bijzondere bevoegdheden inzake opsporing en vaststelling van inbreuken op boek VI
XV.10/1–XV.16/5
Art. XV.11
§ 1.De inbreuken bedoeld in artikel XV.83, tweede lid, kunnen worden opgespoord en vastgesteld zowel door de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2, als door die bedoeld in artikel 11 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten.
§ 2.Wanneer inbreuken op de bepalingen van boek VI en zijn uitvoeringsbesluiten betrekking hebben op financiële diensten, kunnen ze worden opgespoord en vastgesteld zowel door de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 als door de FSMA voor wat betreft de ondernemingen die onder haar toezicht staan of waarvan de verrichtingen of producten onder haar toezicht staan.
Voor doeleinden van het toezicht bedoeld in het eerste lid kan de FSMA de bevoegdheden uitoefenen als bedoeld in artikelen 34, § 1, 1°, a) en b), 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
De Federale Overheidsdienst Economie en de FSMA brengen mekaar op de hoogte van de vaststellingen die zij doen en de maatregelen die zij treffen met betrekking tot inbreuken als bedoeld in het eerste lid.
Art. XV.12
§ 1.De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 zijn eveneens bevoegd voor het opsporen en het vaststellen van de daden die, zonder strafbaar te zijn, het voorwerp kunnen zijn van een vordering tot staking op initiatief van de minister. De processen-verbaal welke daaromtrent worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen.
§ 2.In de uitoefening van hun ambt beschikken de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren over de bevoegdheden vermeld in artikel XV.3, 1°, 2° en 7°.
Art. XV.13
§ 1.De ambtenaren hiertoe aangesteld door de in artikel XVII.9 bedoelde ministers zijn bevoegd voor het opsporen en het vaststellen van de inbreuken die het voorwerp kunnen zijn van de vordering bedoeld in artikel XVII.3. De processen-verbaal welke daaromtrent worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen.
§ 2.In de uitoefening van hun ambt beschikken de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren over de bevoegdheden vermeld in artikel XV.3, 1°, 2° en 7°.
Art. XV.14
Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel XV.2 en bij vaststelling van inbreuken op de bepalingen bedoeld in artikel XV.83, 8°, kan de onderzoeksrechter, middels een met redenen omklede beschikking, de communicatietechniek-exploitanten gelasten, indien deze daartoe in staat zijn, de terbeschikkingstelling van de communicatietechniek die door de overtreder is gebruikt om de inbreuk te plegen, op te schorten binnen de perken en voor de duur die hij bepaalt en die een maand niet kan overschrijden.
De onderzoeksrechter kan een of meer keren de uitwerking van zijn beschikking verlengen; hij moet er een einde aan maken zodra de omstandigheden, die ze rechtvaardigden, verdwenen zijn.
Art. XV.15
Bij niet-naleving van de bepalingen van boek VI, titel 3, hoofdstuk 4, kunnen de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 en de officieren van gerechtelijke politie een proces-verbaal opstellen. Een kopie van dit proces-verbaal wordt afgegeven of per aangetekende brief toegestuurd aan de organisator of zijn aangestelde.
Voornoemde ambtenaren kunnen in dit geval ter plaatse mondeling verbieden tot de verkoop van de goederen opgenomen in het proces-verbaal over te gaan, of de stopzetting van deze verkoop bevelen.
Zij kunnen overgaan tot de beslaglegging ten bewarende titel van de goederen die het voorwerp van de inbreuk uitmaken, overeenkomstig de bepalingen van artikel XV.4.
Art. XV.16
De minister of de ambtenaar bedoeld in artikel XV.2 kan een onderneming vragen dat zij de bewijzen levert betreffende de materiële juistheid van de feitelijke gegevens die zij meedeelt in het kader van een handelspraktijk.
De onderneming moet binnen een termijn van maximum één maand het bewijs van de materiële juistheid van die gegevens leveren.
Wanneer de bewijzen vereist krachtens het eerste lid niet worden geleverd of onvoldoende worden geacht, kan de minister of de ambtenaar bedoeld in artikel XV.2 oordelen dat de handelspraktijk in strijd is met de bepalingen van boek VI, titel 4.
Art. XV.16/1
<Opgeheven bij W 2020-09-29/05, art. 9, 092; Inwerkingtreding: 30-11-2020>
Art. XV.16/2
De minister of zijn gemachtigde kan een product uit de handel nemen en de terugname met het oog op de wijziging, de gehele of gedeeltelijke terugbetaling dan wel de ruil ervan gelasten wanneer is vastgesteld dat:
-een onderneming niet binnen de in artikel XV.16 bepaalde termijn de bewijzen levert betreffende de materiële juistheid van de feitelijke gegevens die zij meedeelt in het kader van een handelspraktijk of
-de ontleding of controle door een onafhankelijk laboratorium bedoeld in artikel XV.3, 8°, door de betrokken onderneming niet wordt uitgevoerd of
-een ontleding of controle van het product door een onafhankelijk laboratorium aantoont dat het product niet voldoet aan voorwaarden opgelegd door de besluiten genomen in uitvoering van artikel VI.9, § 1.
De minister of zijn gemachtigde hoort vooraf de betrokken onderneming en licht haar in uiterlijk vijftien dagen na het nemen van de maatregelen.
Art. XV.16/3
§ 1.Een klager in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen kan een klacht richten aan de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren wanneer er een vermoeden bestaat van inbreuken op de in artikel XV.83, 15° /1, bedoelde bepalingen. De Koning kan de wijze bepalen waarop de klacht overgemaakt kan worden.
§ 2.Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de in paragraaf 1 bedoelde klacht, stellen de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren de in paragraaf 1 bedoelde klager in kennis van de manier waarop zij voornemens zijn gevolg te geven aan de klacht.
§ 3.Indien de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren van oordeel zijn dat er onvoldoende grond is om gevolg te geven aan de klacht, brengen ze in paragraaf 1 bedoelde klager binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2 in kennis van de redenen daarvoor.
Onverminderd de mogelijkheid om op eigen initiatief inbreuken op de in artikel XV.83, 15° /1, bedoelde bepalingen op te sporen en vast te stellen, voeren de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 binnen een redelijke termijn na de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2 een onderzoek van de klacht uit, voor zover ze van oordeel zijn dat er voldoende grond is om gevolg te geven aan de klacht.
§ 4.De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren nemen de noodzakelijke maatregelen in het kader van de opsporing, vaststelling, vervolging en bestraffing van de inbreuken op de in artikel XV.83, 15° /1, bedoelde bepalingen, met het oog op de bescherming van de identiteit of de belangen van de klager in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen of, in voorkomend geval, diens leden, en dit voor zover de klager daarom heeft verzocht en heeft aangegeven voor welke informatie om vertrouwelijkheid wordt verzocht.
De in het eerste lid bedoelde noodzakelijke maatregelen kunnen onder meer bestaan uit het schrappen van de identiteit van de klager in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen of enige andere informatie waarvan de openbaarmaking schadelijk zou kunnen zijn voor de belangen van de klager, uit het afschrift van het proces-verbaal dat aan de overtreder wordt overgemaakt overeenkomstig artikel XV.2, § 2.
Art. XV.16/4
Wanneer een inbreuk wordt vastgesteld op de in artikel XV.83, 15° /1, bedoelde bepalingen, richten de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 een waarschuwing aan de afnemer van landbouw- en voedingsproducten waarbij die tot stopzetting van de handeling wordt aangemaand, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel XV.31, zonder de vermeldingen bedoeld in artikel XV.31, § 1, vierde lid, 3° en 4°.
In afwijking van artikel XV.31, § 2, kunnen de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 een proces-verbaal opstellen die het voorwerp kan uitmaken van de procedure en vervolgingen bedoeld in artikel XV.60/1, § 1.
De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren kunnen afzien van het richten van een waarschuwing aan de overtreder indien er een risico bestaat op de openbaarmaking van de identiteit van een klager in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen of van enige andere informatie waarvan die klager meent dat de openbaarmaking zijn belangen zou schaden, en op voorwaarde dat de klager heeft aangegeven voor welke informatie om vertrouwelijkheid wordt verzocht.
De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 kunnen de in het eerste lid bedoelde waarschuwing openbaar maken, ook als er geen gevolg aan is gegeven door de afnemer van landbouw- en voedingsproducten.
Art. XV.16/5
De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren werken samen met de aangewezen handhavingsautoriteiten van andere lidstaten, bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, om elkaar wederzijdse bijstand te verlenen bij het verrichten van onderzoeken met een grensoverschrijdende dimensie.