De voorzitter van de ondernemingsrechtbank kan de marktpraktijken bedoeld in de artikelen VI. 92 tot VI.109 van dit Wetboek verbieden wanneer zij nog geen aanvang hebben genomen, doch op het punt staan plaats te vinden.
Boek XVII - Bijzondere rechtsprocedures › TITEL 1 - Vordering tot staking
HOOFDSTUK 3 - Bijzondere bepalingen eigen aan boek VI
XVII.9–XVII.13
Art. XVII.10
Als de inbreuk een reclame betreft, kan de vordering tot staking wegens overtreding van de bepalingen van de artikelen VI. 17, VI. 93 tot VI. 95, VI. 105 en VI. 106 van dit Wetboek alleen tegen de adverteerder van de gewraakte reclame worden ingesteld.
Indien de adverteerder evenwel geen woonplaats in België heeft en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België heeft aangewezen, kan de vordering tot staking eveneens worden ingesteld tegen:
-de uitgever van de geschreven reclame of de producent van de audiovisuele reclame;
-de drukker of de maker, indien de uitgever of de producent geen woonplaats in België hebben en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België hebben aangewezen;
-de verdeler, alsmede elke persoon die er bewust toe bijdraagt dat de reclame uitwerking heeft, indien de drukker of de maker geen woonplaats in België hebben en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België hebben aangewezen.
Art. XVII.11
De vordering tot staking kan worden ingesteld tegen een onderneming voor handelspraktijken van haar agent gehanteerd buiten de verkoopruimten van die agent, wanneer de agent zijn identiteit niet duidelijk kenbaar heeft gemaakt en zijn identiteit redelijkerwijze ook niet kon gekend zijn door degene die de vordering tot staking instelt.
Art. XVII.12
De vordering tot staking van de door de artikelen VI.84 en VI.91/6 verboden handelingen kan, afzonderlijk of gezamenlijk, worden ingesteld tegen verscheidene ondernemingen van dezelfde economische sector of hun verenigingen die gebruik maken dan wel het gebruik aanbevelen van dezelfde of van soortgelijke algemene contractuele bedingen.
Art. XVII.13
De onderneming is er toe gehouden, binnen een termijn van maximum een maand, de bewijzen te leveren betreffende de materiële juistheid van de feitelijke gegevens die zij meedeelt in het kader van een handelspraktijk, als er een vordering tot staking wordt ingesteld door:
1°de minister en, in voorkomend geval, de bevoegde minister bedoeld in artikel XVII.8;
2°de andere personen bedoeld in artikelen XVII.7, voor zover, rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van de onderneming en van elke andere partij bij de procedure, de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van oordeel is dat dergelijke eis aangepast is aan de omstandigheden van het concrete geval.
Wanneer de bewijzen vereist krachtens het eerste lid niet worden geleverd of onvoldoende worden geacht, kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank de feitelijke gegevens als onjuist beschouwen.