De arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, neemt een beslissing om de staat van arbeidsongeschiktheid al dan niet te erkennen, en in voorkomend geval de duur ervan te bepalen, op basis van:
1°het voorstel van, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, dat tot doel heeft de staat van arbeidsongeschiktheid, in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet, te erkennen en de duur ervan te bepalen, onverminderd de toepassing van artikel 94, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
2°het voorstel van de adviserend arts dat tot doel heeft de staat van arbeidsongeschiktheid te erkennen van gerechtigden die een werkzaamheid hebben verricht zonder de in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet bedoelde toelating en die zich tijdens het in artikel 101, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde medisch onderzoek in een tijdvak van invaliditeit bevinden.
Als de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich echter in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen, verzoekt hij om een bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie of vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van de gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.