In het kader van een toegelaten arbeid door een arbeidsongeschikt erkende gerechtigde overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet wordt een werkhervattingspremie bedoeld in artikel 110/1 van de gecoördineerde wet toegekend aan de werkgever als de hiernavolgende voorwaarden zijn vervuld:
1°zowel de periode gedekt door de toelating van de adviserend arts als de werkhervatting bij deze werkgever op grond van deze toelating vatten aan tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet vanaf 1 april 2023...
Indien de toegelaten arbeid evenwel wordt voorafgegaan door een periode van niet toegelaten arbeid bedoeld in artikel 101 van de gecoördineerde wet bij dezelfde werkgever, wordt de begindatum van de werkhervatting bij deze werkgever tijdens de periode van erkende arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen om na te gaan of deze voorwaarde is vervuld;
2°de gerechtigde geniet via het verrichten van de toegelaten arbeid een bezoldiging en valt op enerlei wijze onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of oefent een gelijkaardige bezigheid uit die aanleiding geeft tot een onderwerping aan een wetgeving inzake sociale zekerheid van een vreemd land waarmee België verbonden is door een internationaal of supranationaal instrument inzake coördinatie van sociale zekerheid of oefent een gelijkaardige bezigheid uit in dienst van een internationale of supranationale organisatie;
3°de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid bij deze werkgever op grond van:
a)een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
b)een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
c)een overeenkomst in het kader van een alternerende opleiding bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
d)een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft of een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een onderwijsinstelling van de Gemeenschappen, de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies, de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut;
e)een benoeming in vast verband;
f)een stage met het oog op een benoeming in vast verband in de openbare sector.
4°de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid gedurende minstens drie maanden.... Indien de gerechtigde tijdens de voormelde periode van drie maanden één of meerdere kalendermaanden geen enkel uur toegelaten arbeid heeft verricht, wordt deze periode van drie maanden verlengd met het aantal maanden dat overeenstemt met het aantal kalendermaanden waarin geen enkel uur toegelaten arbeid is verricht. De uren waarin de gerechtigde geen arbeid verricht en waarvoor de werkgever loon, het vakantiegeld of de aanvulling of het voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis betaalt, evenals de uren wettelijke vakantie en de uren vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die zijn opgenomen door de gerechtigde en die worden betaald krachtens de regeling van de jaarlijkse vakantie van de werknemers, worden echter in dit opzicht gelijkgesteld met uren van effectief verrichte toegelaten arbeid;
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt de werkhervattingspremie niet toegekend aan de werkgever die een gerechtigde tewerkstelt in één van de volgende gevallen:
1°een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt;
2°een tewerkstelling als flexi-jobwerknemer, bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
3°een tewerkstelling als gelegenheidswerknemer bedoeld in artikel 8bis of 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of artikel 2/4 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
4°een tewerkstelling die al bij de aanvang van de periode van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet lopende is en waarbij de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging wat de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit betreft;
5°een tewerkstelling als vrijwillig brandweerman, vrijwillig ambulancier of vrijwilliger van de civiele bescherming.