§ 1.In geval van opname van de moeder in een ziekenhuis kan de gerechtigde overeenkomstig artikel 114, zevende lid van de gecoördineerde wet, aanspraak maken op omgezet moederschapsverlof dat ten vroegste een aanvang neemt vanaf de achtste dag te rekenen vanaf de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven dagen bedraagt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
Het omgezet moederschapsverlof verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met de moederschapsrust die door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
§ 2.De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinrichting gevoegd worden die de datum vermeldt waarop de opname van de moeder in het ziekenhuis is aangevangen, en die bevestigt dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer bedraagt dan zeven dagen en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
§ 3.De gerechtigde heeft over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld, aanspraak op een uitkering waarvan de hoegrootheid wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
Voor de gerechtigde in gecontroleerde volledige werkloosheid, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, evenals voor de gerechtigde die voornoemde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, is het bedrag van de uitkering gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden. In dit verband wordt echter steeds rekening gehouden met de toepasselijke fase van de vergoedingsperiode waarin hij zich zou hebben bevonden in het kader van de werkloosheidsreglementering op de eerste dag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1.
Voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde mag het bedrag van de uitkering niet lager zijn dan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden.
§ 4.De moeder van het kind behoudt gedurende het omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 een uitkering die berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 216 tot 219.