Alle wetboeken › KB ZIV

TITEL III - Uitkerings- en moederschapsverzekering. › HOOFDSTUK III - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.

Afdeling VII - (Bedragen en toekenningsvoorwaarden van de moederschapsuitkering gedurende de periode van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet.)

216–219

Art. 216

Het bedrag van de moederschapsuitkering wordt vastgesteld op 79,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid van de gecoördineerde wet, tijdens de dertig eerste dagen van de periode van (moederschapsbescherming), als bepaald in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet, en op 75 pct. van het gederfde loon, vanaf de eenendertigste dag van deze periode.

Tijdens de dertig eerste dagen evenwel van de periode van moederschapsrust genieten de gerechtigden, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) en b), van de gecoördineerde wet, een moederschapsuitkering, gelijk aan 82 pct. van voornoemd gederfd loon, zonder toepassing van de loonsbeperking, bepaald in voornoemd artikel 113, derde lid.

Art. 217

De gerechtigden in gecontroleerde volledige werkloosheid die worden bedoeld in artikel 113, laatste lid, van de gecoördineerde wet, alsook de gerechtigden die voornoemde hoedanigheid krachtens artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden, hebben recht op een basisuitkering, gelijk aan 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet; het bedrag van deze uitkering (is echter gelijk aan) dat van de werkloosheidsuitkering waarop voornoemde gerechtigden aanspraak hadden kunnen maken als zij niet in (in een periode van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet) waren geweest. In dit verband wordt echter steeds rekening gehouden met de toepasselijke fase van de vergoedingsperiode waarin zij zich zouden hebben bevonden in het kader van de werkloosheidsreglementering op de eerste dag van de periode van moederschapsbescherming.

De maatregel van alignering van het bedrag van de moederschapsuitkering op het bedrag van de in het eerste lid bedoelde werkloosheidsuitkering, is evenwel niet van toepassing op de tijdelijke werkloze. Voor de toepassing van deze bepaling worden met tijdelijke werklozen gelijkgesteld, de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

De (aligneringsmaatregel) van het eerste lid houdt op van toepassing te zijn zodra een periode van zes maanden verstreken is, waarbij rekening gehouden wordt met de duur van de periode van (moederschapsbescherming) en de periode van arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voordien.

De gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, hebben bovendien recht op een aanvullende uitkering, gelijk aan 19,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet, gedurende de dertig eerste dagen van de periode van (moederschapsbescherming), en gelijk aan 15 pct. van het gederfde loon vanaf de eenendertigste dag van deze periode.

Art. 218

De werkneemster die, overeenkomstig artikel 114, tweede lid van de gecoördineerde wet, de nabevallingsrust verlengt met de periode waarin zij één of meerdere van haar activiteiten heeft voortgezet tijdens de periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 219ter, § 2, vanaf de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling, kan slechts aanspraak maken op een moederschapsuitkering tijdens de voormelde verlenging van de nabevallingsrust waarin ze één of meerdere van haar andere activiteiten heeft hervat, in functie van de bovenvermelde activiteit of activiteiten die recht geven op de verlenging van de nabevallingsrust.

Het eerste lid is eveneens van toepassing op de berekening van de moederschapsuitkering tijdens de nabevallingsrust die wordt verlengd met de periode waarin de werkneemster één of meerdere van haar activiteiten heeft hervat tijdens haar arbeidsongeschiktheid onder de voorwaarden bepaald in artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet vanaf de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling.

Art. 219

Voor zover zij ook betrekking op de moederschapsverzekering hebben en hiervan niet afgeweken wordt door deze afdeling en de afdelingen I, II, III, IV, IVbis en VIIbis, zijn de bepalingen van onderhavig besluit die op de uitkeringsverzekering betrekking hebben, van toepassing op de moederschapsverzekering.