Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16) › BOEK IIIbis - (JURIDISCHE EERSTE- EN TWEEDELIJNSBIJSTAND).

HOOFDSTUK IV - (Gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand.)

508/7–508/18

Art. 508/7

Bij elke balie stelt de Raad van de Orde van Advocaten een bureau voor juridische bijstand in volgens de nadere regels en de voorwaarden die hij bepaalt.

Het bureau heeft onder meer tot taak om wachtdiensten te organiseren.

De Orde van Advocaten stelt, volgens de nadere regels en de voorwaarden die zij bepaalt, een lijst op met de advocaten die in hoofdorde of in bijkomende orde prestaties wensen te verrichten in het kader van de door het bureau voor juridische bijstand georganiseerde juridische tweedelijnsbijstand en ze houdt deze lijst bij. De Orde kan in de verplichte inschrijving van advocaten voorzien voor zover noodzakelijk voor de doeltreffendheid van de juridische bijstand.

De lijst vermeldt de voorkeurmateries die de advocaten opgeven en die zij staven of waarvoor zij zich ertoe verbinden een opleiding te volgen die door de Raad van de Orde of de in de artikel 488 bedoelde overheden wordt georganiseerd.

Tegen de weigering tot inschrijving op de lijst kan beroep worden ingesteld overeenkomstig (artikel 432bis).

Het bureau zendt de lijst van de advocaten over aan de commissie voor juridische bijstand.

Art. 508/8

De Orde van Advocaten ziet toe op de doeltreffendheid en de kwaliteit van de prestaties verricht door de advocaten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, alsook op de regelmatigheid van de stappen ondernomen op grond van de artikelen 508/9, 508/14, eerste en derde lid, en 508/19, § 2.

Onverminderd de tuchtrechtelijke vervolgingen kan de raad van de Orde in geval van tekortkoming en volgens de bij de artikelen 458 tot 463 bepaalde procedure, de handhaving van de advocaat op de in artikel 508/7 bedoelde lijst afhankelijk stellen van de naleving van de voorwaarden die hij bepaalt, diens inschrijving op die lijst schorsen gedurende een periode van acht dagen tot drie jaar of hem eruit weglaten.

Bij niet-naleving van de voorwaarden bepaald door de raad van de Orde overeenkomstig het tweede lid, roept de stafhouder de advocaat voor de raad van de Orde op om een andere maatregel waarin is voorzien in hetzelfde lid, te doen uitspreken.

Behoudens andersluidende beslissing van de raad van de Orde, heeft de in het tweede lid bedoelde maatregel van schorsing geen gevolgen voor de aanstellingen die werden verricht bij het bureau voor juridische bijstand vóór zijn inwerkingtreding.

In geval van weglating, wordt de advocaat van de behandeling van zijn dossiers in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand ontlast, behoudens andersluidende beslissing van de raad van de Orde. Het bureau voor juridische bijstand wijst een nieuwe advocaat aan. De advocaat kan vragen om zijn wederinschrijving op de in artikel 508/7 bedoelde lijst middels een met redenen omkleed verzoek, dat niet mag worden ingediend voordat een termijn van vijf jaar verstreken is sinds zijn weglating.

De beslissingen bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid worden met redenen omkleed. Zij zijn vatbaar voor beroep overeenkomstig artikel 432bis.

Art. 508/9

§ 1.Voor het verkrijgen van gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand verwijzen de personen die de juridische eerstelijnsbijstand verlenen de aanvrager door naar het bureau.

Het bureau wijst een advocaat aan, die de aanvrager heeft gekozen op de in artikel 508/7 bedoelde lijst. Het bureau stelt de advocaat in kennis van zijn aanwijzing.

De advocaat wiens naam op de lijst voorkomt en tot wie een rechtzoekende zich heeft gewend zonder zich eerst bij het bureau aan te melden, vraagt aan het bureau de toestemming om aan zijn cliënt de juridische tweedelijnsbijstand te verlenen, indien hij van oordeel is dat deze aanspraak kan maken op gedeeltelijke of volledige kosteloosheid. De advocaat zendt de in artikel 508/13 bedoelde stukken over aan het bureau.

In spoedeisende gevallen mag de persoon die geen advocaat heeft zich rechtstreeks tot de advocaat van de wachtdienst wenden. Die advocaat verleent hem juridische bijstand en vraagt aan het bureau bevestiging van zijn aanwijzing.

§ 2.Een advocaat die optreedt met toepassing van dit hoofdstuk, mag zich in geen geval rechtstreeks tot de rechthebbende richten met het oog op de betaling van de honoraria en kosten, tenzij het bureau hem in spoedeisende gevallen toestemming verleent om voorschotten te innen.

Art. 508/10

Wanneer de begunstigde de taal van de rechtspleging niet spreekt, stelt het bureau hem voor zover mogelijk een advocaat voor die zijn taal spreekt of een andere taal die hij begrijpt en bij ontstentenis hiervan een tolk. De kostenvergoeding voor de tolk komt ten laste van het Rijk. Zij wordt vastgesteld op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

Art. 508/11

De in artikel 488 bedoelde overheden bezorgen jaarlijks een verslag over de werking van de juridische tweedelijnsbijstand aan de minister van Justitie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.

Art. 508/12

Behalve in spoedeisende gevallen of wanneer het bureau er uitdrukkelijk mee heeft ingestemd, is het de advocaten verboden juridische tweedelijnsbijstand te verlenen voor de zaken waarin ze zijn opgetreden in het raam van de in artikel 508/4 bedoelde juridische eerstelijnsbijstand.

Art. 508/13

De juridische tweedelijnsbijstand kan gedeeltelijk of volledig kosteloos zijn voor wie over ontoereikende bestaansmiddelen beschikt en voor de met hen gelijkgestelde personen. De juridische tweedelijnsbijstand wordt niet toegekend als en in de mate dat de begunstigde een beroep kan doen op de tussenkomst van een derde betaler.

...

Voor de uitoefening van hun taken zoals bepaald in dit Hoofdstuk, zijn het bureau en de overheden zoals bepaald door artikel 488 gemachtigd om de rechtszoekenden, hun gemandateerden, derden en/of de advocaat te identificeren. Het bureau is gemachtigd om de in het derde lid vermelde bewijsstukken op te vragen, en/of deze informatie rechtstreeks op te vragen bij derden die over deze informatie beschikken. Hiervoor zijn het bureau en de overheden zoals bepaald in artikel 488 gemachtigd om:

1°gebruik te maken van het uniek identificatienummer (zoals het rijksregisternummer, het identificatienummer in het bisregister, OV-nummer of EU-nummer) van de rechtszoekenden, hun advocaat en/of gemandateerden die de aanvraag in hun naam indienen, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;

2°toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid:

a)naam en voornamen;

b)geboorteplaats en -datum;

c)datum van overlijden;

d)het adres.

Het bureau gaat na of voldaan is aan de voorwaarden inzake kosteloosheid....

Het bureau bewaart een afschrift van de stukken.

Indien de voorwaarden die de begunstigde hebben toegestaan een beroep te doen op gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand wijzigen, meldt de begunstigde dit onmiddellijk aan zijn advocaat.

Art. 508/13/1

§ 1.Behoudens internationale of nationale bepalingen op grond waarvan voor sommige personen wordt voorzien in de toekenning zonder voorwaarden van volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand beschikken de hierna vermelde personen over ontoereikende bestaansmiddelen als bedoeld in artikel 508/13, eerste lid, en genieten zij de volledige kosteloosheid van de juridische bijstand:

1°de alleenstaande persoon die, aan de hand van om het even welk document dat te beoordelen is door het bureau voor juridische bijstand bewijst dat zijn maandelijks netto-inkomen lager dan 1 226 euro is;

2°de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat het maandelijks netto-inkomen van het gezin lager is dan 1 517 euro.

Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met een aftrek van 20 % van het leefloon per persoon ten laste.

Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast, alsook met elk ander bestaansmiddel, met name beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen en diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, alsmede tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, behoudens de kinderbijslag en de enige en eigen woning.

Onder de samenwoning bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan het feit dat twee of meer personen samen onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen.

Wanneer de belangen van de persoon bedoeld in het eerste lid, 2°, strijdig zijn met die van zijn echtgenoot of met die van een persoon met wie hij samenwoont, wordt met het inkomen van deze laatste geen rekening gehouden.

§ 2.Behoudens tegenbewijs wordt beschouwd als een persoon wiens bestaansmiddelen onvoldoende zijn in de zin van artikel 508/13, eerste lid:

1°degene die bedragen ontvangt die worden uitgekeerd als leefloon of als maatschappelijke bijstand, minstens op overlegging van de geldige beslissing van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;

2°degene die bedragen ontvangt die worden uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden, minstens op overlegging van het jaarlijks attest van de Rijksdienst voor Pensioenen;

3°degene die een inkomensvervangende tegemoetkoming voor gehandicapten ontvangt, minstens op overlegging van de beslissing van de minister tot wiens bevoegdheid de sociale zekerheid behoort of van de door hem afgevaardigde ambtenaar;

4°de persoon die een kind ten laste heeft dat gewaarborgde kinderbijslag ontvangt, minstens op overlegging van het attest van het gewestelijk organisme voor de kinderbijslag;

5°de huurder van een sociale woning die in het Vlaams Gewest en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een huur betaalt die overeenkomt met de helft van de basishuurprijs of die in het Waals Gewest een minimumhuur betaalt, minstens op overlegging van de laatste huurberekeningsfiche;

6°de gedetineerde, op overlegging van bewijsstukken met betrekking tot het statuut van gedetineerde;

7°de beklaagde bedoeld in de artikelen 216quinquies tot 216septies van het Wetboek van Strafvordering;

8°de persoon met een psychiatrische aandoening, wat de toepassing van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening, op overlegging van bewijsstukken;

9°de vreemdeling, wat de indiening van het verzoek tot machtiging van verblijf betreft, of van een administratief of rechterlijk beroep tegen een beslissing die werd genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, op overlegging van bewijsstukken;

10°de asielaanvrager of de persoon die een aanvraag indient tot verkrijgen van het statuut van ontheemde, op overlegging van bewijsstukken;

11°de persoon belast met overmatige schulden, op overlegging van een verklaring van hem waaruit blijkt dat de toekenning van de juridische tweedelijnsbijstand wordt aangevraagd met het oog op de inleiding van een procedure van collectieve schuldenregeling.

§ 3.Het bureau voor juridische bijstand kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld.

§ 4.Voor de minderjarige geldt volledige kosteloosheid, op voorlegging van zijn identiteitskaart of van enig ander document waaruit zijn staat blijkt.

Art. 508/13/2

De hierna vermelde personen beschikken over ontoereikende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 508/13, eerste lid, en kunnen aanspraak maken op de gedeeltelijke kosteloosheid:

1°de alleenstaande persoon die bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat zijn maandelijks netto-inkomen tussen 1 226 euro en 1 517 euro ligt;

2°de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat het maandelijks netto-inkomen van het gezin tussen 1 517 euro en 1 807 euro ligt.

Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met een aftrek van 20 % van het leefloon per persoon ten laste.

Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast, alsook met elk ander bestaansmiddel, met name beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen en diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, alsmede tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, behoudens de kinderbijslag en de enige en eigen woning.

Onder de samenwoning bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan het feit dat twee of meer personen samen onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen.

De in het eerste lid, 2°, bedoelde persoon die de juridische bijstand vraagt teneinde zijn belangen te verdedigen, valt onder de toepassing van het eerste lid, 1°, wanneer die belangen strijdig zijn met die van zijn echtgenoot of van de persoon met wie hij samenwoont.

De persoon die de gedeeltelijke kosteloosheid geniet, betaalt aan de advocaat een eigen bijdrage in de kosten van de juridische bijstand per aanstelling door het bureau van juridische bijstand.

Het bedrag van de door de begunstigde van de gedeeltelijk kosteloze tweedelijnsbijstand verschuldigde bijdrage is gelijk aan het verschil tussen zijn inkomsten uit de bestaansmiddelen en de bedragen van de inkomstengrenzen voor de toegang tot de volledig kosteloze juridische bijstand, zonder dat dit bedrag hoger mag liggen dan 125 euro noch lager dan 25 euro. De advocaat voegt het ontvangstbewijs van deze betaling bij het dossier.

Het bureau voor juridische bijstand kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld.

Art. 508/13/3

Onverminderd de artikelen 508/13/1 en 508/13/2 wordt de kosteloze juridische bijstand geweigerd indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of voordelen, alsook indien uit tekenen en aanwijzingen een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid is zelf zijn advocaat te betalen.

Art. 508/13/4

§ 1.De bedragen vastgesteld in artikel 508/13/1, eerste lid, 1° en 2°, en in artikel 508/13/2, eerste lid, 1° en 2°, worden op 1 september 2021, 2022 en 2023 telkens verhoogd met een vast bedrag van 100 euro.

§ 2.Vanaf 1 september 2024, worden de in artikel 508/13/1, eerste lid, 1° en 2°, en in artikel 508/13/2, eerste lid, 1° en 2°, bepaalde bedragen telkens op 1 september aangepast, rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand juli van elk jaar, daartoe berekend en benoemd zoals geregeld in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen.

Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand juli 2023.

Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer leidt tot een verhoging of een verlaging van de bedragen overeenkomstig de volgende formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.

Het resultaat wordt tot op een euro en naar boven afgerond.

§ 3.De nieuwe bedragen worden jaarlijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking op 1 september van het jaar van de aanpassing.

Art. 508/13/5

§ 1.De Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het centraal register van de gegevens van de juridische tweedelijnsbijstand in het grondgebied België hierna "register tweedelijnsbijstand".

§ 2.Het register tweedelijnsbijstand is de geïnformatiseerde gegevensbank voor het beheer, de opvolging en de behandeling van de dossiers van juridische tweedelijnsbijstand.

§ 3.In dit register worden alle stukken en gegevens betreffende een aanvraag tot toekenning van tweedelijnsbijstand opgenomen, voor de volgende doeleinden:

a)beheer en opslag van aanvragen van de aanstelling van de advocaat, controle in lijn met de nomenclatuur op prestaties geleverd door de advocaat door het bureau voor juridische bijstand;

b)rapportering van tweedelijnsbijstand dossiers, ten behoeve van de vergoeding van de geleverde prestaties en de werkingskosten van het register en de bureaus voor juridische bijstand;

c)opstellen van geanonimiseerde statistieken inzake juridische tweedelijnsbijstand;

d)beheer en opslag van aanvragen inzake juridische tweedelijnsbijstand van de rechtzoekende of van derden of een bevoegde autoriteit in de zin van Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003, die optreden in naam van de rechtzoekende, bij het bureau voor juridische bijstand. Het register bevat de dossiers en beslissingen van het bureau voor juridische bijstand inzake toekenning van juridische tweedelijnsbijstand, alsook de ingediende bewijsgegevens daartoe overeenkomstig de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2 in het kader van de controle van de toegangsvoorwaarden;

e)beheer van de contactgegevens van de advocaten, rechtzoekenden en derden;

f)beheer van de prestatiegegevens van derden, in die mate dat zij in het dossier tussenkomen;

g)audit in het kader van de toekenning van de tweedelijnsbijstand.

§ 4.De gegevens bedoeld in paragraaf 3 worden bewaard gedurende de zeven jaren die volgen na uitbetaling van de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand.

Art. 508/13/6

§ 1.De bureaus voor juridische bijstand maken voor de uitvoering van hun taken zoals bepaald in dit Hoofdstuk gebruik van het register tweedelijnsbijstand.

§ 2.De beheerder van het register tweedelijnsbijstand heeft de volgende taken:

1°instaan voor de inrichting en het beheer van het register en erop toezien dat deze voortdurend wordt bijgewerkt met de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de doelstelling zoals bepaald in artikel 508/13/5, § 3. Het register bevat:

a)de gegevens van de rechtzoekende die nodig zijn voor zijn aanvraag;

b)de aanvragen tot juridische tweedelijnsbijstand;

c)het onderzoek van de aanvraag tot juridische tweedelijnsbijstand inzake de vervulling van de toegangsvereisten;

d)de benoeming van de advocaat die juridische tweedelijnsbijstand verleent;

e)de controle van de toe te kennen punten, de betaling van de vergoeding aan de aangestelde advocaat voor zijn prestaties in het dossier alsook de voor hetzelfde doel uitgevoerde audits;

f)de verzoeken tot ontheffing;

g)de rapportering en controle van de door de advocaat verleende diensten overeenkomstig de nomenclatuur met inbegrip van eventuele aanpassingen van de punten;

h)de verdeling onder de lokale balies van de vergoedingen die verschuldigd zijn aan de aangestelde advocaten;

i)rapportering van tweedelijnsbijstand dossiers;

j)in voorkomend geval de dienstroosters van de permanenties;

2°beheer van de toegangen tot het register, aan de hand van elektronische identificatie, authenticatie, verificatie van hoedanigheden en autorisatie van de verschillende betrokkenen bij hun uitoefening van hun taken als advocaat of als medewerker van het bureau voor juridische bijstand of de overheden zoals bedoeld in artikel 488, telkens in hun hoedanigheid van medewerker van justitie;

3°controle op het gebruik en de raadplegingen van het register, met inbegrip van het vermijden van eventueel misbruik ervan, o.m. aan de hand van logging, monitoring en datamining;

4°publicatie van openbare informatie inzake juridische tweedelijnsbijstand: op verzoek van de minister van Justitie, de wetgevende kamers en het Planbureau en na advies van de functionaris voor gegevensbescherming, verlenen de beheerders toegang tot anonieme gegevens die nuttig zijn voor de opstelling van statistieken over de juridische tweedelijnsbijstand. Gecodeerde gegevens mogen alleen worden meegedeeld in overeenstemming met de geldende regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens en met het beroepsgeheim zoals bedoeld in artikel 353, § 1, van het Strafwetboek;

5°publicatie van de lijst van advocaten die inzetbaar zijn voor het verlenen van juridische bijstand zoals bepaald in artikel 508/7, opgesteld door de verschillende bureaus voor juridische bijstand;

6°toegangsbeheer van de medewerkers en advocaten die gemachtigd zijn om voor het bureau op te treden bij de uitvoering van hun taken als medewerker van het gerecht;

7°beheer van de aanvragen van rechtzoekenden tot inzage van of kopie van hun dossier in overeenstemming met de geldende regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens.

§ 3.De beheerder en de Ordes van advocaten worden voor de uitvoering van deze taken gezamenlijk beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van de artikelen 4, 7) en 26 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.

§ 4.De beheerder en de Ordes van advocaten stellen een gemeenschappelijke aangestelde voor de gegevensbescherming van de gegevens van het register aan. Deze is meer bepaald belast met:

1°het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;

2°het informeren en adviseren van de beheerder en de Ordes van advocaten over hun verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer;

3°het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

4°het functioneren als contactpunt voor de Gegevens- beschermingsautoriteit;

5°de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder. De Koning bepaalt, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels volgens dewelke de aangestelde voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert.

§ 5.De rechtszoekenden, de derden die namens hen optreden alsook de advocaten, in het kader van de vervulling van hun taken als medewerker van het gerecht, hebben toegang tot de voor hen relevante gegevens van het register, voor zover de mededeling van deze informatie geen inbreuk betekent op het beroepsgeheim van de advocaat en/of de privacy van derden.

§ 6.Het rijksregisternummer, het identificatienummer in het bisregister, de geboorteplaats en -datum, het geslacht, de nationaliteit, de hoofdverblijfplaats, de datum van overlijden, de burgerlijke staat en de samenstelling van het gezin van de in het artikel 508/13/2 bedoelde fysieke personen mogen niet worden publiek gemaakt, maar worden wel meegedeeld aan de rechtzoekende zelf, zijn advocaat, alsook aan zijn gemandateerden bij de uitoefening van hun taak als medewerkers van het gerecht, en aan het bureau voor juridische bijstand en hun beheerder, voor de uitoefening van hun wettelijke taken.

§ 7.Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in dit Hoofdstuk bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Bij een inbreuk zijn de straffen van artikel 352 van het Strafwetboek op hem toepasselijk.

Art. 508/14

De aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid wordt mondeling of schriftelijk gedaan door de aanvrager of zijn advocaat wiens naam voorkomt op de lijst bedoeld in artikel 508/7.

(Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, mag de aanvraag eveneens ingediend worden via de bevoegde autoriteiten, in de zin van richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen.)

Bij iedere aanvraag verifieert het bureau voor juridische bijstand, de identiteit van de aanvrager en desgevallend de advocaat of persoon die namens hem de aanvraag indient mits voorlegging van zijn identiteitskaart of, indien niet mogelijk, van enig ander document of feitelijke elementen waaruit zijn identiteit blijkt.

Behalve in spoedeisende gevallen worden alle in de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2, eerste en achtste lid, bedoelde bewijsstukken bij de aanvraag gevoegd.

In spoedeisende gevallen kan door het bureau voor juridische bijstand het voordeel van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid voorlopig worden toegekend aan de aanvrager zonder overlegging van alle of een deel van de bewijsstukken bedoeld in de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2, eerste en achtste lid. In dat geval moet de aanvrager de bewijsstukken overleggen binnen een termijn bepaald door het bureau voor juridische bijstand die niet meer bedraagt dan vijftien dagen te rekenen vanaf de dag van de beslissing. Indien de bewijsstukken niet worden ingediend binnen die termijn, wordt de juridische bijstand van rechtswege beëindigd.

Het bureau oordeelt op stukken bij zijn beslissing over de aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid. De aanvrager of, in voorkomend geval, zijn advocaat, wordt gehoord op zijn verzoek of indien het bureau dat nodig acht.

De aanvragen betreffende zaken die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond lijken, worden geweigerd.

Ingeval meerdere advocaten tegelijk worden aangesteld voor eenzelfde persoon in het kader van eenzelfde procedure, wordt de vergoeding verdeeld zonder dat de totale vergoeding hoger kan zijn dan deze die zou zijn toegekend bij de aanstelling van één enkele advocaat.

Art. 508/15

Behoudens in spoedeisende gevallen wordt aan de aanvrager en, in voorkomend geval, aan zijn advocaat kennis gegeven van de beslissing binnen vijftien dagen na de aanvraag.

Elke beslissing tot weigering wordt met redenen omkleed.

De kennisgeving ervan moet nuttige informatie bevatten om het beroep bepaald bij artikel 508/16 in te stellen.

Art. 508/16

De aanvrager kan binnen een maand na de in artikel 508/15 bedoelde kennisgeving beroep instellen bij de arbeidsrechtbank tegen een beslissing tot weigering.

Art. 508/17

§ 1.Wanneer de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand, stelt het bureau voor juridische bijstand een advocaat aan die voorkomt op de in artikel 508/7 bedoelde lijst.

Behoudens in geval van opvolging van advocaten, geeft elke aanstelling aanleiding tot de inning door de advocaat van een forfaitaire bijdrage ten laste van de begunstigde.

De begunstigde is er bovendien toe gehouden om, ten behoeve van zijn advocaat, een forfaitaire bijdrage te betalen per aanleg voor elke gerechtelijke procedure waarin hij door die laatste wordt vertegenwoordigd of bijgestaan.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de in het tweede en derde lid bedoelde bijdragen, zonder dat het lager kan zijn dan 10 euro en hoger dan 50 euro.

§ 2.De persoon die de gedeeltelijk kosteloze juridische tweedelijnsbijstand geniet, betaalt naast de bijdragen bedoeld in paragraaf 1 een bijdrage die afhankelijk is van zijn bestaansmiddelen, behoudens in geval van opvolging van advocaten. De Koning bepaalt het bedrag van de bijdrage die afhankelijk is van de bestaansmiddelen.

§ 3.De advocaat treedt slechts op vanaf het ogenblik van ontvangst van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde bijdragen, tenzij in geval van vrijstelling van bijdragebetaling voorzien in de paragrafen 4 of 5, of tenzij ingeval de advocaat afziet van de inning van de bijdragebetaling of een betalingstermijn toestaat.

§ 4. Geen enkele in paragraaf 1 bedoelde bijdrage is verschuldigd:

1°wanneer de persoon de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;

2°in hoofde van de persoon van de geesteszieke voor wat betreft de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en in hoofde van de geïnterneerde voor wat betreft de toepassing van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;

3°in strafzaken in hoofde van personen die volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand genieten;

4°wanneer het een persoon betreft die een procedure instelt tot erkenning als staatloze;

5°wanneer het een persoon betreft die een asielaanvraag indient;

6°wanneer het een persoon betreft die een procedure instelt tegen een terugkeerbeslissing of een inreisverbod;

7°wanneer het een persoon betreft die een aanvraag indient om een collectieve schuldenregeling te verkrijgen;

8°wanneer het een persoon betreft die niet over enig bestaansmiddel beschikt.

De Koning kan bijkomende vrijstellingen van de betaling van de in paragraaf 1 bedoelde bijdragen bepalen.

§ 5.Onverminderd paragraaf 4, beslist het bureau voor juridische bijstand bij een met redenen omklede beslissing en op verzoek van de aanvrager of van de begunstigde van de juridische bijstand, tot de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van betaling van de in paragraaf 1 bedoelde bijdragen, indien het van mening is:

1°dat de opeenstapeling van de procedures waarvoor een bijdrage verschuldigd is, de toegang tot de rechter voor de aanvrager of voor de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand ernstig zou belemmeren, of zijn proces oneerlijk zou maken, of

2°dat de betaling van de bijdragen de toegang tot de rechter voor de aanvrager of voor de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand ernstig zou belemmeren, of zijn proces oneerlijk zou maken.

Het bureau voor juridische bijstand houdt een lijst bij met een beschrijving van de gevallen waarin een vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid werd verleend, het totale aantal verleende vrijstellingen en het totaalbedrag van deze vrijstellingen.

Het bureau voor de juridische bijstand zendt deze lijst over aan de stafhouder. De stafhouder deelt de lijst mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden, die op hun beurt eenmaal per jaar de lijsten van alle balies meedelen aan de minister van Justitie op hetzelfde moment dat zij het totaal van de punten meedelen in toepassing van artikel 508/19, § 2, derde lid.

§ 6.Wanneer de begunstigde zich in een van de gevallen van vrijstelling van betaling van de bijdragen bedoeld in de paragrafen 4 en 5 bevindt, verstrekt het bureau voor juridische bijstand zowel aan de begunstigde als aan de advocaat een document waarin vastgesteld wordt dat er geen enkele bijdrage is verschuldigd voor die procedure en die aanstelling.

Art. 508/18

Het bureau voor juridische bijstand kan, ambtshalve of op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat, een einde stellen aan de juridische tweedelijnsbijstand indien het vaststelt dat de begunstigde niet voldeed of niet langer voldoet aan de voorwaarden bepaald bij artikel 508/13 of wanneer de begunstigde kennelijk geen medewerking verleent bij de verdediging van zijn belangen. Het bureau brengt de advocaat daarvan op de hoogte.

Het bureau voor juridische bijstand kan tevens een einde stellen aan de juridische tweedelijnsbijstand op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat als deze meent dat zijn interventie geen enkele meerwaarde biedt. Het bureau brengt de advocaat daarvan op de hoogte.

Wanneer het bureau voor juridische bijstand een verzoek ontvangt van de advocaat of de in het eerste lid bedoelde vaststelling doet, stelt het de begunstigde daarvan in kennis, met het verzoek zijn opmerkingen te formuleren binnen de twintig dagen.

Elke beslissing tot beëindiging van de toegekende bijstand wordt bij een aangetekende zending ter kennis van de begunstigde gebracht. Tegen die beslissing kan beroep worden ingesteld.

De artikelen 508/15 en 508/16 zijn van toepassing.