Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK II _ GEDING.

TITEL V _ Inleiding en behandeling van de vordering op eenzijdig verzoekschrift.

1025–1034

Art. 1025

Behoudens in de gevallen waarin de wet er uitdrukkelijk van afwijkt, zijn de rechtsplegingen op verzoekschrift geregeld zoals in deze titel is bepaald.

Art. 1026

Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid:

1°de dag, de maand en het jaar;

2°de naam, de voornaam... en de woonplaats van de verzoeker en in voorkomend geval zijn rijksregisternummer, identificatienummer in het bis of ondernemingsnummer en de naam, de voornaam, de woonplaats en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;

3°het voorwerp en in het kort de gronden van de vordering;

4°de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen;

5°de handtekening van de advocaat van de partij, tenzij de wet anders bepaalt.

Art. 1027

Het verzoekschrift wordt in tweevoud gezonden aan de rechter die op de vordering uitspraak moet doen. Buiten de uitzonderingen waarin de wet uitdrukkelijk voorziet, kan het enkel door een advocaat worden ingediend.

Het wordt neergelegd ter griffie, op zijn datum voor gezien, getekend door de griffier, ingeschreven in het register der verzoekschriften en bij het dossier van de rechtspleging gevoegd. De advocaat kan het ook bij brief aan de griffier doen toekomen.

Onderaan op het verzoekschrift schrijft de verzoeker de inventaris over van de genummerde en gebundelde stukken die hij erbij voegt.

Art. 1028

De rechter onderzoekt de vordering.

Hij kan te dien einde de verzoeker en de tussenkomende partijen in raadkamer oproepen. De oproeping wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de partijen gezonden.

Art. 1029

De beschikking wordt in raadkamer gegeven.

Zij is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande voorziening en zonder borgstelling, tenzij de rechter anders heeft beslist.

Art. 1030

Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de verzoeker en aan de tussenkomende partijen. Een niet ondertekend afschrift wordt, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten gezonden.

Een uitgifte van de beslissing kan onderaan op een exemplaar van het verzoekschrift worden gesteld.

Art. 1031

Hoger beroep tegen de beschikking door de verzoeker of een tussenkomende partij, wordt binnen een maand na de kennisgeving ingesteld bij een verzoekschrift dat voldoet aan de bepalingen van artikel 1026 en wordt neergelegd op de griffie van het gerecht in hoger beroep.

Art. 1032

De verzoeker of de tussenkomende partij kan, in geval van veranderde omstandigheden en onder voorbehoud van de door derden verkregen rechten, bij verzoekschrift de wijziging of de intrekking van de beschikking vragen aan de rechter die deze heeft gegeven.

Art. 1033

Al wie niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, kan verzet doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt.

Art. 1034

Artikel 1125 is mede van toepassing op het verzet dat krachtens artikel 1033 gedaan wordt. Dit verzet moet geschieden binnen een maand nadat de beslissing aan de eiser in verzet is betekend.