Alle wetboeken › Bankwet

BOEK VII - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN

378–379/1

Art. 378

§ 1.Onverminderd artikel 273 en behoudens de gevallen waarin een kredietinstelling het voorwerp uitmaakt van de afwikkelingsmaatregelen waarin voorzien is in Boek II, Titel II, kan de opening van een faillissementsprocedure... tegen een kredietinstelling enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de toezichthouder.

§ 2.Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de toezichthouder gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.

De toezichthouder brengt zijn advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een kredietinstelling waarvan de toezichthouder vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de toezichthouder over een ruimere termijn om zijn advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de toezichthouder van oordeel is dat hij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt hij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de toezichthouder beschikt om een advies uit te brengen schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de toezichthouder geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de insolventierechtbank uitspraak doen.

De toezichthouder verstrekt zijn advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de insolventierechtbank en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.

Art. 379

De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van economisch recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de toezichthouder.

Art. 379/1

§ 1.Onverminderd de artikelen XX.111 tot XX.115 van het Wetboek van economisch recht, zijn de op de dag van haar faillietverklaring door een kredietinstelling verrichte betalingen, transacties en handelingen en de op die dag aan dergelijke instelling gedane betalingen geldig indien zij het tijdstip van het vonnis van faillietverklaring voorafgaan of werden verricht zonder van het faillissement van de kredietinstelling af te weten.

Voor de toepassing van het eerste lid worden de instellingen belast met de verrekening of de vereffening tussen kredietinstellingen van betalingen of van financiële transacties, met kredietinstellingen gelijkgesteld.

§ 2.De Koning kan de toepassing van dit artikel, voor de transacties en betalingen die Hij bepaalt, uitbreiden tot andere categorieën van instellingen uit de financiële sector.