Alle wetboeken › WER

Boek XI - Intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen › Titel 1 - Uitvindingsoctrooien › HOOFDSTUK 3 - Vertegenwoordiging voor de Dienst

Afdeling 5 - Instituut voor Octrooigemachtigden

XI.75/3–XI.75/10

Art. XI.75/3

§ 1.Er wordt een Instituut voor Octrooigemachtigden opgericht. Het Instituut bezit rechtspersoonlijkheid.... De zetel van het Instituut is gevestigd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

§ 2.Het Instituut stelt zich exclusief de studie, de bescherming en de ontwikkeling van de professionele, socio-economische, morele en wetenschappelijke belangen van de octrooigemachtigden tot doel.

§ 3.De organen van het Instituut zijn:

1°de algemene vergadering;

2°de raad;

3°de tuchtcommissie.

Art. XI.75/4

§ 1.Het Instituut voor Octrooigemachtigden heeft tot taak:

1°de lijst van zijn leden op te stellen;

2°een permanente vorming van zijn leden te coördineren;

3°te waken over de naleving van het tuchtreglement en de gedragsregels;

4°adviezen te verlenen over materies die tot zijn bevoegdheid behoren, hetzij op eigen initiatief, hetzij op aanvraag van overheidsinstanties of van openbare of particuliere instellingen;

5°informatie uit te wisselen met de Commissie tot erkenning van de gemachtigden over de status van het lidmaatschap van de leden van het Instituut.

§ 2.Het doel van de verwerking van persoonsgegevens door het Instituut, in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, is de goede interne werking, de bewaking van de toegang tot en de uitoefening van het beroep van octrooigemachtigde, met inbegrip van het goede verloop van de tuchtprocedures, de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten in België of in andere landen, het beheer van het lidmaatschap, de coördinatie van permanente vorming en het verlenen van adviezen en informatie over materies die tot zijn bevoegdheid behoren.

Het Instituut verwerkt de volgende categorieën van persoonsgegevens:

1°identiteitsgegevens;

2°contactgegevens;

3°bankgegevens;

4°attesten en bewijsstukken;

5°alle persoonsgegevens die de betrokken persoon wenst te delen met het Instituut.

De bewaartermijn van persoonsgegevens mag niet langer zijn dan één jaar na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van het Instituut behoren en, in voorkomend geval, de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, bestuurlijke en tuchtprocedures en rechtsmiddelen. Gegevens met betrekking tot gerechtelijke, bestuurlijke of tuchtprocedures mogen in geen geval door het Instituut worden bewaard wanneer zij het voorwerp hebben uitgemaakt van een uitwissing van de veroordeling of een herstel in eer en rechten in strafzaken zoals beschreven in boek II, titel VII, hoofdstuk IV, van het Wetboek van strafvordering.

De Koning kan de nadere regels voor de verwerking van persoonsgegevens door het Instituut bepalen.

Art. XI.75/5

§ 1.Elke persoon die wordt ingeschreven in het register van erkende gemachtigden, wordt lid van het Instituut voor Octrooigemachtigden.

Elke persoon bedoeld in artikel XI.64/3 die aan de voorwaarden van hetzelfde artikel voldoet, wordt automatisch en kosteloos lid van het Instituut.

§ 2.Elk lid van het Instituut kan om een tijdelijke opschorting van zijn lidmaatschap verzoeken.

§ 3.Het lidmaatschap van het Instituut vervalt:

1°voor elke persoon die wordt doorgehaald in het register van erkende gemachtigden bij toepassing van artikel XI.71 of artikel XI.72, eerste lid, 1° tot en met 6°;

2°voor elk lid dat door de tuchtcommissie van het Instituut wordt veroordeeld tot doorhaling in de ledenlijst van het Instituut;

3° voor elk lid bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, dat niet langer aan de voorwaarden voldoet van artikel XI.64/3;

4°voor elk lid dat nalaat de vastgestelde jaarbijdrage te betalen.

§ 4.Het Instituut levert op verzoek van een lid een certificaat van lidmaatschap af.

§ 5.De Koning bepaalt de nadere regels voor de in dit artikel bedoelde verwerving, tijdelijke opschorting of verval van lidmaatschap van het Instituut van een lid.

Art. XI.75/6

§ 1.De algemene vergadering van het Instituut voor Octrooigemachtigden bestaat uit alle leden van het Instituut.

De algemene vergadering kiest uit haar leden een voorzitter en een ondervoorzitter.... Deze personen dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen:

1°voor elke nieuwe periode waarvoor zij verkozen worden, te behoren tot een verschillende taalgroep dan tijdens de vorige periode;

2°elk tot een verschillende taalgroep te behoren.

De Koning bepaalt de periode waarvoor de voorzitter en de ondervoorzitter van de algemene vergadering verkozen worden. Deze periode kan niet minder dan drie en niet meer dan zes jaar bedragen.

§ 2.De algemene vergadering heeft tot taak:

1°behoudens de voorzitter van de tuchtcommissie en zijn plaatsvervanger, de leden van de raad en de leden van de tuchtcommissie en hun plaatsvervangers te benoemen;

2°buiten haar leden voor een hernieuwbare periode van drie jaar een bedrijfsrevisor aan te wijzen, die is belast met de controle van de inventaris en van de rekeningen;

3°de giften en legaten te aanvaarden of te weigeren ten voordele van het Instituut;

4°de vervreemding of de verpanding van haar onroerende goederen te machtigen;

5°de jaarrekening van ontvangsten en uitgaven goed te keuren;

6°kwijting te verlenen aan de raad van zijn beheer en aan de bedrijfsrevisor van zijn controle;

7°een voorstel op te stellen met betrekking tot de vaststelling of de aanpassing van het bedrag van de jaarbijdrage van de leden, om het nadien ter goedkeuring aan de minister voor te leggen;

8°het huishoudelijk reglement of wijzigingen daarvan op te stellen om nadien ter goedkeuring aan de minister voor te leggen;

9°de gedragsregels van toepassing op haar leden of wijzigingen daarvan op te stellen om deze nadien ter goedkeuring aan de Koning voor te leggen;

10°het reglement houdende de organisatie van een permanente vorming van haar leden of wijzigingen daarvan op te stellen om nadien ter goedkeuring aan de minister voor te leggen;

11°te beraadslagen over alle onderwerpen waarvoor een wet, een besluit of een reglement haar bevoegdheid verlenen;

12°berichten, voorstellen of aanbevelingen te richten aan de raad over alle onderwerpen die het Instituut aanbelangen en die de algemene vergadering regelmatig zijn voorgelegd.

§ 3.De algemene vergadering neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen. Elk lid heeft recht op één stem. De leden kunnen stemmen bij volmacht.

In afwijking van het eerste lid, kan de Koning ofwel bepalen dat de leden bedoeld in artikel XI.75/5, § 1, tweede lid, geen stemrecht hebben ofwel de afwijkende kenmerken van dat stemrecht vastleggen.

§ 4.De algemene vergadering komt ten minste één maal per jaar bijeen. Op deze vergadering legt de raad minstens de volgende documenten voor ter goedkeuring door de algemene vergadering:

1°het verslag bedoeld in artikel XI.75/7, § 2, eerste lid, 3°;

2°de door de bedrijfsrevisor gecontroleerde inventaris van de activa en passiva van het Instituut, de gecontroleerde jaarrekening van ontvangsten en uitgaven, en de begroting voor het nieuwe boekjaar.

De raad, de tuchtcommissie of de regeringscommissaris, bedoeld in artikel XI.75/10, kan de algemene vergadering bijeenroepen wanneer hij of zij het nuttig acht. De raad roept de algemene vergadering steeds bijeen wanneer één vijfde van de leden van de algemene vergadering dat schriftelijk vraagt, met vermelding van het onderwerp dat zij op de agenda wensen te plaatsen. De tuchtcommissie kan de algemene vergadering enkel bijeenroepen wanneer dit betrekking heeft op de werking of de bevoegdheden van de tuchtcommissie.

De vergaderingen van de algemene vergadering zijn openbaar, tenzij zij om gewichtige redenen beslist dat de vergadering geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren dient plaats te vinden.

§ 5.Het huishoudelijk reglement bepaalt minstens:

1°de procedureregels voor het stemmen bij volmacht;

2°de procedureregels voor de vergaderingen van de algemene vergadering, inclusief de nadere regels met betrekking tot het bijeenroepen van de algemene vergadering en de wijze voor het ter beschikking stellen van de documenten voor deze vergaderingen.

Art. XI.75/7

§ 1.De raad van het Instituut voor Octrooigemachtigden bestaat uit vier leden, die door de algemene vergadering uit haar leden worden verkozen.... Twee leden van de raad dienen tot een andere taalgroep te behoren.

De raad kiest uit zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter. Deze personen dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen:

1°voor elke nieuwe periode waarvoor zij verkozen worden, te behoren tot een verschillende taalgroep dan tijdens de vorige periode;

2°elk tot een verschillende taalgroep te behoren.

De raad kiest uit zijn leden eveneens een secretaris en een penningmeester.

De Koning bepaalt de periode waarvoor de leden van de raad verkozen worden en in welke mate deze periode hernieuwbaar is. De periode kan niet minder dan drie en niet meer dan zes jaar bedragen. De Koning bepaalt eveneens de periode waarvoor de raad uit zijn leden, een voorzitter, een ondervoorzitter, een secretaris en een penningmeester verkiest.

§ 2.De raad heeft tot taak:

1°in te staan voor het beheer van het Instituut;

2°de lijst van de leden van het Instituut op te stellen;

3°elk jaar een verslag op te stellen waarin zij rekenschap geeft van haar beleid, en waarvan zij een kopie aan de minister bezorgt;

4°de adviezen te verlenen bedoeld in artikel XI.74, § 1;

5°het tijdelijke of incidentele karakter te beoordelen van de dienstverrichting zoals bedoeld in artikel XI.64/3;

5°/1 binnen de grenzen vastgesteld op grond van de bescherming van bedrijfsgeheimen en van andere wettelijke verplichtingen, alle informatie te verstrekken, die een gerechtelijke, bestuurlijke of tuchtoverheid hem vraagt en die zij nodig heeft binnen het kader van een procedure tegen een lid van het Instituut die betrekking heeft op de uitoefening van het beroep van octrooigemachtigde en waarmee deze overheid door of krachtens de wet werd belast;

6°in te staan voor de taken die haar door een wet, een besluit of een reglement zijn opgedragen.

De raad is bevoegd voor enige handeling van bestuur of beschikking die niet uitsluitend aan de algemene vergadering is opgedragen.

§ 3.De raad neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen. Elk lid heeft recht op één stem. Wanneer geen meerderheid wordt bereikt, beslist de stem van de voorzitter.

Elke beslissing van de raad met individuele strekking wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.

De raad vertegenwoordigt het Instituut bij rechtshandelingen en bij rechtsvorderingen, hetzij als eiser hetzij als verweerder. De voorzitter of de ondervoorzitter kunnen optreden namens de raad.

§ 4.De Koning bepaalt de minimale inhoud van het verslag bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°.

Het huishoudelijk reglement bepaalt minstens:

1°de procedureregels voor de verkiezing van de leden van de raad;

2°de procedureregels voor de vergaderingen van de raad, waarbij de regeringscommissaris, bedoeld in artikel XI.75/10, steeds de raad kan bijeenroepen.

Art. XI.75/8

§ 1.De tuchtcommissie van het Instituut voor Octrooigemachtigden bestaat uit vier leden, inclusief de voorzitter. Behoudens de voorzitter, worden zij door de algemene vergadering uit haar leden verkozen.... Behoudens voor de voorzitter, verkiest de algemene vergadering uit haar leden voor elk effectief lid van de tuchtcommissie een plaatsvervanger....

De voorzitter van de tuchtcommissie en zijn plaatsvervanger worden na advies van het College van de hoven en rechtbanken... door de Koning benoemd op voordracht van de minister, uit de volgende personen:

1°de magistraten van de zetel die ten minste gedurende tien jaar voorafgaand aan hun benoeming de functie van magistraat uitoefenen;

2°de advocaten die ten minste gedurende tien jaar voorafgaand aan hun benoeming zijn ingeschreven aan de balie.

Twee leden van de tuchtcommissie dienen tot een andere taalgroep te behoren. De voorzitter en zijn plaatsvervanger dienen voor elke nieuwe periode waarvoor zij worden benoemd, te behoren tot een verschillende taalgroep dan tijdens de vorige periode.

De Koning bepaalt de periode waarvoor de leden en de plaatsvervangende leden van de tuchtcommissie worden verkozen of benoemd en in welke mate deze periode voor de verkozen leden en de verkozen plaatsvervangende leden hernieuwbaar is. De periode kan niet minder dan drie en niet meer dan zes jaar bedragen. De Koning bepaalt eveneens de nadere regels voor de opvolging van een lid van de tuchtcommissie.

§ 2.De tuchtcommissie heeft tot taak het tuchtreglement en de gedragsregels van toepassing op de leden van het Instituut te handhaven.

Op zijn eenvoudig verzoek, wordt de tuchtprocedure gevoerd in de taal van de taalgroep waartoe het vervolgde lid behoort. Het vervolgde lid dat niet over voldoende kennis beschikt van de taal van de tuchtprocedure, kan zich tijdens de zitting laten bijstaan door een tolk naar zijn keuze.

De Koning bepaalt het tuchtreglement dat de tuchtprocedure voor de tuchtcommissie bevat. Onverminderd artikel XI.75/6, § 2, 9°, bepaalt de Koning in het tuchtreglement bijkomend het volgende:

1°de gedragsregels van toepassing op de leden van het Instituut, zoals onder meer een verplichting voor de leden om het Instituut kennis te geven van gerechtelijke, administratieve of tuchtprocedures die tegen hen lopen en betrekking hebben op de uitoefening van beroepen van gemachtigde inzake intellectuele eigendom, alsook van de beslissingen genomen in die procedures;

2°de vergoedingen die personen binnen het kader van een tuchtprocedure moeten voldoen aan het Instituut voor de compensatie van het geheel of een deel van de kosten van de tuchtprocedure.

§ 3.De tuchtcommissie neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen. Elk lid heeft recht op één stem. Wanneer geen meerderheid wordt bereikt, beslist de stem van de voorzitter.

Elke beslissing van de tuchtcommissie wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.

§ 4.De zittingen van de tuchtcommissie zijn openbaar, tenzij zij om gewichtige redenen beslist dat de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren dient plaats te vinden.

§ 5.De tuchtcommissie kan de volgende tuchtstraffen uitspreken:

1°de waarschuwing;

2°de berisping;

3°een boete waarvan het bedrag niet hoger is dan het maximale bedrag voor een sanctie van niveau 1 bedoeld in artikel XV.70;

4°de doorhaling in de ledenlijst van het Instituut voor minstens de duur bedoeld in artikel XI.72, tweede lid.

§ 6.Tegen de eindbeslissing van de tuchtcommissie in een tuchtprocedure staat beroep open bij het Hof van beroep te Brussel, overeenkomstig deel IV, boek IV, hoofdstuk XIXbis, afdeling 4, van het Gerechtelijk Wetboek. Beroep tegen tussenbeslissingen van de tuchtcommissie moet worden ingesteld samen met het beroep tegen de eindbeslissing.

De rechtsmiddelen ingesteld tegen de beslissingen van de tuchtcommissie hebben schorsende kracht.

Art. XI.75/9

§ 1.Elk van de volgende functies binnen het Instituut voor Octrooigemachtigden is onderling onverenigbaar:

1°voorzitter van de raad, ondervoorzitter van de raad, secretaris van de raad, en penningmeester van de raad;

2°voorzitter van de algemene vergadering, ondervoorzitter van de algemene vergadering, lid van de raad, en lid van de tuchtcommissie.

Elk van de functies bedoeld in het eerste lid, dient door een verschillende persoon te worden uitgeoefend.

§ 2.Behoudens eventueel presentiegeld en een functievergoeding, waarvan de bedragen door de algemene vergadering worden vastgesteld, is elk van de functies bedoeld in paragraaf 1 onbezoldigd.

De Koning bepaalt of het presentiegeld en de functievergoeding bedoeld in het eerste lid kunnen worden toegekend. Indien Hij deze toekenning toestaat, kan de Koning het maximum bepalen van de bedragen bedoeld in het eerste lid.

Art. XI.75/9/1

§ 1.De inkomsten van het Instituut bestaan uit:

1°de jaarbijdragen van de leden van het Instituut;

2°de opbrengsten uit het vermogen van het Instituut;

3°de toelagen, legaten en schenkingen;

4°de vergoedingen bedoeld in artikel XI.75/8, § 2, derde lid, 2°;

5°de boetes bedoeld in artikel XI.75/8, § 5, 3°.

Het Instituut mag zijn beschikbare gelden enkel besteden aan de aankoop van effecten waarvan het kapitaal en de rente gewaarborgd zijn. In geen geval mag het Instituut ten kosteloze titel over zijn vermogen beschikken noch zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verdelen onder zijn leden of hun rechthebbenden.

§ 2.De Koning kan bijkomende bronnen van inkomsten bepalen. De Koning bepaalt het model voor de opmaak van de rekeningen van het Instituut.

Art. XI.75/10

§ 1.Een regeringscommissaris, bijgestaan door een plaatsvervanger, oefent toezicht uit op de handelingen gesteld door de algemene vergadering en door de raad van het Instituut voor Octrooigemachtigden.

De regeringscommissaris en zijn plaatsvervanger worden door de Koning benoemd, op voordracht van de minister, overeenkomstig de voorwaarden door de Koning bepaald.

§ 2.De regeringscommissaris wordt uitgenodigd op de vergaderingen van de algemene vergadering en van de raad, waarvan de notulen hem worden meegedeeld. Hij kan bovendien ter plaatse kennis nemen van alle beslissingen en documenten van de algemene vergadering en van de raad. Het Instituut voorziet hem van alle informatie en documenten die hem in staat stellen om zijn opdrachten te vervullen.

§ 3.De regeringscommissaris beschikt over een termijn van dertig werkdagen om bij de minister beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de algemene vergadering of de raad, die met een wet, een besluit of een reglement strijdig is, die de solvabiliteit van het Instituut in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van het Instituut.

De beroepstermijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissaris in kennis gesteld wordt van het proces-verbaal van de beslissing. Het beroep heeft schorsende kracht. Indien de minister de beslissing niet nietig verklaart binnen een termijn van vijftien werkdagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief.

§ 4.Elk belanghebbend lid van het Instituut beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om de regeringscommissaris bij een aangetekende zending te verzoeken het beroep in te stellen bedoeld in paragraaf 3. De aangetekende zending zet de redenen van het verzoek uiteen. Het verzoek verbindt de regeringscommissaris op geen enkele manier.

De termijn voor het indienen van een verzoek bij aangetekende zending gaat in op de dag waarop het proces-verbaal van de beslissing werd bekendgemaakt dan wel de dag waarop het belanghebbend lid in kennis werd gesteld van het proces-verbaal van de beslissing indien het gaat om een beslissing met individuele strekking die op het belanghebbend lid betrekking heeft.