Alle wetboeken › WER

Boek XV - Rechtshandhaving › TITEL 3 - De strafrechtelijke handhaving van dit Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten

HOOFDSTUK 1 - Algemene bepalingen

XV.69–XV.74

Art. XV.69

De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek,met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit Wetboek, onder voorbehoud van toepassing van de hiernavermelde bijzondere bepalingen.

Art. XV.69/1

Het openbaar ministerie bezorgt aan de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 een kennisgeving van zijn beslissing om al dan niet strafvervolging in te stellen, een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen.

Wanneer het openbaar ministerie afziet van het instellen van een strafvervolging en van het voorstellen van een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of van een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek, of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgelegd, beslissen de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 of de procedure voor de administratieve sanctie wordt opgestart.

Art. XV.69/2

Indien het openbaar ministerie afziet van het instellen van een strafvervolging en van het voorstellen van een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of van een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek en indien er aanvullende onderzoeksdaden hebben plaatsgevonden, bezorgt het een afschrift van de procedurestukken van deze onderzoeksdaden aan de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4.

Art. XV.70

§ 1.De inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, van zijn uitvoeringsbesluiten, van de wetten en uitvoeringsbesluiten waarvoor dit boek in sancties voorziet en van de verordeningen van de Europese Unie waarvoor dit boek in sancties voorziet, worden bestraft met een sanctie tussen niveau 1 en niveau 6, en dit als volgt:

1°de sanctie van niveau 1 bestaat uit een strafrechtelijke geldboete van een minimumbedrag van 26 euro tot een maximumbedrag van 5 000 euro of tot 4 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt;

2°de sanctie van niveau 2 bestaat uit een strafrechtelijke geldboete van een minimumbedrag van 26 euro tot een maximumbedrag van 10 000 euro of tot 4 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt;

3°de sanctie van niveau 3 bestaat uit een strafrechtelijke geldboete van een minimumbedrag van 26 euro tot een maximumbedrag van 25 000 euro of tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt;

4°de sanctie van niveau 4 bestaat uit een strafrechtelijke geldboete van een minimumbedrag van 26 euro tot een maximumbedrag van 50 000 euro of tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt;

5°de sanctie van niveau 5 bestaat uit een strafrechtelijke geldboete van een minimumbedrag van 250 euro tot een maximumbedrag van 100 000 euro of tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt, en een gevangenisstraf van één maand tot één jaar of uit één van die straffen alleen;

6°de sanctie van niveau 6 bestaat uit een strafrechtelijke geldboete van een minimumbedrag van 500 euro tot een maximumbedrag van 100 000 euro of tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt, en een gevangenisstraf van één jaar tot vijf jaar of uit één van die straffen alleen.

§ 2.Indien geen informatie beschikbaar is over de totale jaaromzet bedoeld in paragraaf 1, bedraagt het maximumbedrag van de geldboete 2 miljoen euro.

In geval van een grensoverschrijdende inbreuk, kan de jaaromzet verwezenlijkt in de andere landen waar de inbreuk is begaan, opgenomen worden in de berekening van de jaaromzet voor de bepaling van het maximumbedrag van de geldboete bedoeld in paragraaf 1.

Wanneer er overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 sancties worden opgelegd, wordt de totale jaaromzet verwezenlijkt in de betrokken lidstaten in elk geval opgenomen in de berekening van het maximumbedrag van de geldboete bedoeld in paragraaf 1.

§ 3.Voor het opleggen van de sanctie wordt rekening gehouden met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

1°de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;

2°de door de onderneming genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen;

3°de eerdere inbreuken van de onderneming;

4°de door de onderneming als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is;

5°de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme;

6°de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak.

Art. XV.71

Wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank, het voorwerp zijn van een vordering tot staking, kan er over de strafvervolging pas uitspraak gedaan worden nadat over de vordering tot staking een in kracht van gewijsde getreden beslissing is genomen.

Art. XV.72

In geval van herhaling binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, een definitieve administratieve beslissing tot schuldigverklaring of een definitieve administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wegens dezelfde inbreuk, worden de geldboeten en de gevangenisstraffen op het dubbele van het maximum gebracht.

Art. XV.73

De vennootschappen en verenigingen met rechtspersoonlijkheid zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot schadevergoeding, geldboeten, kosten, verbeurdverklaringen, teruggave en geldelijke sancties van welke aard ook, die wegens inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek tegen hun organen of aangestelden zijn uitgesproken.

Dit geldt eveneens voor de leden van alle handelsverenigingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, wanneer de inbreuk door een vennoot, zaakvoerder of aangestelde is gepleegd ter gelegenheid van een tot de werkzaamheid van de vereniging behorende verrichting. Evenwel is de burgerrechtelijk aansprakelijke vennoot persoonlijk niet verder gehouden dan tot de sommen of waarden die de verrichting hem opgebracht heeft.

De vennootschappen, verenigingen en leden kunnen rechtstreeks voor de strafrechter gedagvaard worden door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij.

Art. XV.74

Na het verstrijken van een termijn van tien dagen na de uitspraak, is de griffier van de rechtbank of van het hof ertoe gehouden de minister elk vonnis of arrest waarbij toepassing is gemaakt van een bepaling van dit boek gratis ter kennis te brengen bij gewone brief of op elektronische wijze.