Alle wetboeken › WER

Boek XI - Intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen › Titel 1 - Uitvindingsoctrooien › HOOFDSTUK 3 - Vertegenwoordiging voor de Dienst

Afdeling 6 - Aspecten verbonden aan het lidmaatschap van het Instituut voor Octrooigemachtigden

XI.75/11–XI.76

Art. XI.75/11

§ 1.Elk lid van het Instituut voor Octrooigemachtigden dient het tuchtreglement, de gedragsregels, het reglement houdende de organisatie van een permanente vorming, en het huishoudelijk reglement na te leven.

De leden bedoeld in artikel XI.75/5, § 1, tweede lid, vallen slechts onder de regels vervat in de reglementen bedoeld in het eerste lid die, waar het gaat om andere regels dan degene bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties, in overeenstemming zijn met artikel 56 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.

De Koning kan de wijze bepalen waarop kenbaar wordt gemaakt welke van de regels vervat in de reglementen bedoeld in het eerste lid, toegepast worden op de leden bedoeld in artikel XI.75/5, § 1, tweede lid.

§ 2.Elk lid van het Instituut dient voor de aansprakelijkheid die uit zijn beroepsuitoefening in de hoedanigheid van octrooigemachtigde kan voortvloeien, gedekt te zijn door een verzekering.

De Koning bepaalt de regels en de voorwaarden van deze verzekering, en bepaalt minstens:

1°het minimum te waarborgen grensbedrag;

2°de uitwerking in de tijd van de waarborg;

3°de risico's die dienen te worden gedekt.

Bij het bepalen van de regels en voorwaarden van de verzekering houdt de Koning rekening met een adequate risicodekking ten voordele van de ontvanger van de diensten geleverd door het lid van het Instituut in zijn hoedanigheid van octrooigemachtigde.

Art. XI.75/12

§ 1.De leden van het Instituut voor Octrooigemachtigden voeren tijdens hun beroepsuitoefening de beroepstitel van "octrooigemachtigde", "mandataire en brevets" of "Patentanwalt".

In afwijking van het eerste lid, zal elk lid bedoeld in artikel XI.75/5, § 1, tweede lid, zijn diensten verrichten onder de beroepstitel van de lidstaat van vestiging in een officiële taal van die lidstaat, voorafgegaan of gevolgd door een aanduiding van de lidstaat van vestiging. Indien de betrokken beroepstitel niet bestaat in de lidstaat van vestiging, vermeldt het lid zijn opleidingstitel in een officiële taal van die lidstaat.

§ 2.Niemand mag een van de volgende titels voeren zonder lid te zijn van het Instituut:

1°de beroepstitel van "octrooigemachtigde", "mandataire en brevets" of "Patentanwalt";

2°enige andere titel die de indruk zou geven dat men het beroep van octrooigemachtigde uitoefent.

Onverminderd het eerste lid, is het aan personen ingeschreven op de lijst van de erkende gemachtigden bedoeld in artikel 134 van het Europees Octrooiverdrag toegestaan de beroepstitel te voeren die verbonden is aan hun beroepsuitoefening in de hoedanigheid van Europees octrooigemachtigde.

Art. XI.75/13

§ 1.Wanneer een lid van het Instituut voor Octrooigemachtigden in zijn hoedanigheid van octrooigemachtigde wordt geraadpleegd, mag niemand de voor dat doel uitgewisselde of tot uitwisseling bestemde communicatie tussen deze octrooigemachtigde en zijn cliënt openbaren of gedwongen worden deze te openbaren, in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures, tenzij de cliënt uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van dit recht.

Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op de leden van het Instituut, onder voorbehoud van de bepalingen van internationale verdragen.

§ 2.De communicatie bedoeld in paragraaf 1 betreft onder meer alle communicatie aangaande:

1°de beoordeling van de octrooieerbaarheid van een uitvinding of van de opportuniteit tot het indienen van een octrooiaanvraag;

2°de voorbereiding van een Belgische octrooiaanvraag, dan wel een internationale aanvraag waarin België wordt aangeduid, of de daaraan verbonden procedure;

3°elk advies betreffende de geldigheid van, de beschermingsomvang van, of de inbreuk op een Belgisch octrooi of een Belgische octrooiaanvraag.

§ 3.Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van het Instituut en op hun aangestelden.

Overtredingen op het verbod bedoeld in paragraaf 1 door deze personen begaan, worden gestraft met de sanctie voorzien in artikel 458 van het Strafwetboek.