Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK IV _ BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN.

fdeling 2 - Voorlopige maatregelen toepasselijk op intellectuele eigendomsrechten

1369ter–1369nonies

Art. 1369ter

§ 1.Wanneer een persoon, die voor de rechtbank kan optreden om een handeling die inbreuk maakt op een intellectueel eigendomsrecht bedoeld in artikel 1369bis/1 te doen staken, het artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek toepast, worden de voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder herroepen of houden ze op gevolg te hebben, indien de eiser niet binnen een redelijke termijn een procedure instelt die leidt tot een beslissing ten gronde bij een bevoegde rechterlijke instantie; deze termijn wordt bepaald door de rechterlijke instantie die de maatregelen gelast, of, bij gebreke daarvan, binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig dagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is vanaf de betekening van de beschikking.

§ 2.De rechtbank kan aan de in § 1 bedoelde maatregelen de voorwaarde verbinden dat de eiser een passende zekerheid of een gelijkwaardige garantie stelt voor de eventuele schadeloosstelling van alle door de verweerder geleden schade, zoals bepaald in paragraaf 3.

§ 3.Indien de voorlopige maatregelen worden herroepen of wanneer zij vervallen wegens enig handelen of nalaten van de eiser, of indien later wordt vastgesteld dat er geen inbreuk of dreiging van inbreuk op het betrokken intellectueel eigendomsrecht was, kan de rechtbank, op verzoek van de verweerder, de eiser gelasten de verweerder op passende wijze schadeloos te stellen voor de door deze maatregelen toegebrachte schade.

Art. 1369quater

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank die bij voorraad uitspraak doet in het geval van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen als bedoeld in artikel XI.332/4 van het Wetboek van economisch recht, houdt bij zijn beslissing over het inwilligen of verwerpen van de vordering, en bij het beoordelen van de evenredigheid ervan, rekening met de specifieke omstandigheden van het geval, met inbegrip van, in voorkomend geval:

1°de waarde en andere specifieke kenmerken van het bedrijfsgeheim;

2°de maatregelen die zijn genomen om het bedrijfsgeheim te beschermen;

3°de handelswijze van de verweerder bij het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;

4°de effecten van het onrechtmatig gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim;

5°de rechtmatige belangen van de partijen en de mogelijke effecten van het bevelen of afwijzen van de maatregelen voor de partijen;

6°de rechtmatige belangen van derden;

7°het algemeen belang;

8°de bescherming van grondrechten.

Art. 1369quinquies

Wanneer een persoon, die voor de rechtbank kan optreden om het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim als bedoeld in artikel XI.332/4 van het Wetboek van economisch recht te doen staken, het artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek toepast, worden de voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder herroepen of houden ze op gevolg te hebben, indien:

1°de eiser niet binnen een redelijke termijn een procedure instelt die leidt tot een beslissing ten gronde bij een bevoegde rechterlijke instantie; deze termijn wordt bepaald door de rechterlijke instantie die de maatregelen gelast of, bij gebreke daarvan, binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is vanaf de betekening van de beschikking;

2°de betreffende informatie niet langer voldoet aan de eisen om als bedrijfsgeheim gekwalificeerd te worden, bedoeld in artikel I.17/1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, op gronden die niet aan de verweerder kunnen worden toegerekend.

Art. 1369sexies

§ 1.Als alternatief voor de voorlopige maatregelen, kan de rechtbank aan de voortzetting van het vermeende onrechtmatige gebruik van een bedrijfsgeheim de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld voor de schadeloosstelling van de houder van het bedrijfsgeheim. De rechtbank kan niet bevelen dat het bedrijfsgeheim openbaar gemaakt wordt in ruil voor het stellen van zekerheden.

§ 2.De rechtbank kan aan de voorlopige maatregelen de voorwaarde verbinden dat de eiser een passende zekerheid of een gelijkwaardige garantie stelt voor de eventuele schadeloosstelling van alle door de verweerder en, indien van toepassing, door andere personen voor wie de maatregelen gevolgen hebben, geleden schade, zoals bepaald in artikel 1369septies.

Art. 1369septies

Indien de voorlopige maatregelen worden herroepen op grond van artikel 1369quinquies, 1°, of wanneer zij vervallen wegens enig handelen of nalaten van de eiser, of indien later wordt vastgesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim of dreiging van dergelijk gedrag, kan de rechtbank, op verzoek van de verweerder of een benadeelde derde, de eiser gelasten de verweerder of de benadeelde derde op passende wijze schadeloos te stellen voor de door deze maatregelen toegebrachte schade.

Art. 1369octies

Tegen de eindbeslissing van de tuchtcommissie van het Instituut voor Octrooigemachtigden bedoeld in artikel XI.75/3, § 1, van het Wetboek van economisch recht, in een tuchtprocedure, staat beroep open bij het Hof van beroep te Brussel. Beroep tegen tussenbeslissingen van de tuchtcommissie moet worden ingesteld samen met het beroep tegen de eindbeslissing. Het beroep heeft schorsende kracht.

Het beroep bedoeld in het eerste lid staat slechts open voor de volgende personen:

1°het lid van het Instituut voor Octrooigemachtigden dat het voorwerp uitmaakte van een tuchtprocedure voor een vermeende overtreding van artikel XI.75/11, § 1, van het Wetboek van economisch recht;

2°het Instituut voor Octrooigemachtigden;

3°de minister bevoegd voor Economie.

Art. 1369nonies

§ 1.De rechtspleging van het beroep bedoeld in artikel 1369octies wordt geregeld door de regels van het Gerechtelijk Wetboek, behalve wat de afwijkingen in de paragrafen 2 tot 4 betreft.

§ 2.Op straffe van verval, wordt het beroep ingesteld binnen een maand vanaf de kennisgeving van de eindbeslissing.

Het beroep wordt ingesteld per ondertekend verzoekschrift dat in drie exemplaren per aangetekende zending wordt verzonden naar de griffie van het hof of daar wordt neergelegd. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid, de volgende elementen:

1°de dag, de maand en het jaar;

2°de naam, de voorna(a)m(en) en de woonplaats van de verzoeker, alsook, in voorkomend geval, zijn rijksregisternummer, identificatienummer in het bisregister of ondernemingsnummer;

3°behalve indien het de verzoeker betreft, de naam, de voorna(a)m(en) en de woonplaats van het lid bedoeld in artikel 1369octies, tweede lid, 1°, alsook, in voorkomend geval, zijn rijksregisternummer, identificatienummer in het bisregister of ondernemingsnummer;

4°de beslissing waarop het beroep betrekking heeft;

5°de uiteenzetting van de grieven en van de middelen ter staving;

6°de rechter voor wie het beroep aanhangig wordt gemaakt; en

7°de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.

§ 3.De personen bedoeld in artikel 1369octies, tweede lid, van wie het beroep niet uitgaat, worden door de griffier per gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de zitting die het hof bepaalt. Bij de oproeping wordt een kopie van het verzoek gevoegd. Eveneens wordt een kopie van het verzoek, ter informatie, gericht aan de voorzitter van de tuchtcommissie van het Instituut voor Octrooigemachtigden.

Tenzij het beroep van hen uitgaat, en onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 811 tot 814, worden de personen bedoeld in artikel 1369octies, tweede lid, 2° en 3°, geen partij in de zaak door de verschijning bedoeld in het eerste lid. De tuchtcommissie van het Instituut is geen partij in de zaak. Elke andere tussenkomst in de zaak is uitgesloten.

Het lid bedoeld in artikel 1369octies, tweede lid, 1°, besluit en wordt als laatste gehoord.

§ 4.De arresten gewezen betreffende beslissingen van de tuchtcommissie van het Instituut voor Octrooigemachtigden worden door de griffier van het hof bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de personen bedoeld in artikel 1369octies, tweede lid, en aan de voorzitter van de tuchtcommissie van het Instituut.