§ 1.De beslissing houdende de niet-terugkeer van het kind, gewezen in een lidstaat van de Europese Unie die gebonden is door de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°, hierna "Verordening" genoemd, met toepassing van artikel 13, eerste lid, b), of tweede lid, van het Verdrag van `s-Gravenhage van 25 oktober 1980, het certificaat opgesteld volgens het formulier opgenomen als bijlage I van de Verordening alsook de documenten bedoeld in artikel 29, lid 5, c) van de Verordening, worden door de partijen voorgelegd aan de rechtbank waar voorafgaandelijk een verzoek bedoeld in hoofdstuk Xbis aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.
De neerlegging van die documenten maakt bij de rechtbank een verzoek als bedoeld in artikel 1322bis, 3°, aanhangig.
§ 2.Het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, kan de in artikel 29, lid 3, van de Verordening bedoelde documenten overzenden aan de rechtbank waar voorafgaandelijk een verzoek bedoeld in hoofdstuk Xbis aanhangig is gemaakt, hetzij rechtstreeks, hetzij via de Belgische Centrale Autoriteit.
Vanaf de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde documenten en uiterlijk binnen drie werkdagen brengt de griffier de informatie die is vervat in het certificaat dat als bijlage I bij de voornoemde Verordening gaat bij gerechtsbrief ter kennis aan de partijen. De gerechtsbrief bevat de volgende vermeldingen:
1°de tekst van artikel 29 van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°;
2°een verzoek aan de partijen om binnen twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving conclusies neer te leggen bij de griffie.
Indien ten minste een van de partijen conclusies neerlegt, roept de griffier de partijen onmiddellijk op voor de eerste dienstige terechtzitting.
De neerlegging van conclusies door minstens een van de partijen maakt bij de rechtbank een verzoek als bedoeld in artikel 1322bis, 3°, aanhangig.
§ 3.Indien geen enkele procedure aanhangig is, kunnen de partijen een verzoek zoals bedoeld in artikel 1322bis, 3°, aanhangig maken bij de rechtbank, en zulks binnen drie maanden na de kennisgeving van een beslissing als bedoeld in paragraaf 1.
De documenten vermeld in artikel 29, lid 5, van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°, worden bij het verzoekschrift gevoegd.
§ 4.De rechtbank onderzoekt in haar beslissing de motieven en bewijselementen waarop de beslissing genomen op basis van artikel 13, eerste lid, b), of tweede lid van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980, is gegrond.
Er wordt overgegaan tot het horen van het kind overeenkomstig artikel 21 van voornoemde Verordening en, indien nodig, Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking).
In voorkomend geval geeft de rechtbank in haar beslissing de reden waarom het kind niet werd gehoord.
§ 5.De beslissing ten gronde betreffende het gezag die de terugkeer van het kind met zich brengt, gaat vergezeld van het certificaat opgesteld onder gebruikmaking van het formulier in bijlage VI van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°.
De beslissing ten gronde betreffende het gezag waarbij grensoverschrijdend omgangsrecht wordt verleend en die niet de terugkeer van het kind met zich brengt, gaat vergezeld van het certificaat opgesteld onder gebruikmaking van het formulier in bijlage V van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°.