Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK IV _ BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN.

HOOFDSTUK XIIbis Verzoeken betreffende de grensoverschrijdende maatregelen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid en de bescherming van kinderen.

1322bis–1322quaterdecies

Art. 1322bis

§ 1.Onverminderd de in artikel 1322duodecies bedoelde procedure, worden volgende verzoeken bij de familierechtbank ingediend op de wijze omschreven in de artikelen 1034bis tot 1034quinquies:

1°de verzoeken gegrond op het Europees Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen;

2°de verzoeken gegrond op het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, in voorkomend geval aangevuld door de artikelen 22 tot 28 van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), die gericht zijn op de onmiddellijke terugkeer van het kind, de naleving van het recht van gezag of het omgangsrecht geldend in een andere Staat, dan wel op de regeling van het omgangsrecht;

3°de verzoeken gegrond op artikel 29 van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), die gericht zijn op het verkrijgen van de terugkeer van het kind, dan wel van het gezag over dit kind ingevolge een beslissing houdende de niet-terugkeer gewezen in een andere lidstaat van de Europese Unie met toepassing van voornoemde Verordening;

4°...

5°...

§ 2....

Art. 1322ter

In het kader van de verzoeken bedoeld in artikel 1322bis, 1° en 2°, wordt het verzoekschrift neergelegd bij of bij aangetekende brief toegezonden aan de griffie van de in artikel 633sexies bedoelde familierechtbank.

Art. 1322quater

(ingevoegd bij) De partijen worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om, binnen acht dagen te rekenen van de inschrijving van het verzoek op de algemene rol, te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt.

De in het eerste lid bedoelde termijn is een maximumtermijn.

(NOTA: gewijzigd door W 2006-07-10/39, art. 15, 079; Inwerkingtreding: 01-01-2015 (zie W 2012-12-31/01, art. 16), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding: 31-12-2016

Art. 1322quinquies

(ingevoegd bij) (Indien het verzoek bedoeld in artikel 1322bis, 2°, wordt ingediend door toedoen van de Centrale Autoriteit..., wordt het verzoekschrift, namens de verzoeker, die eiser is in het geding, ondertekend en aan de familierechtbank voorgelegd door het openbaar ministerie.)

In geval van een belangenconflict in hoofde van deze wordt het verzoekschrift ondertekend en aan de familierechtbank voorgelegd door de advocaat aangewezen door de centrale autoriteit.

Art. 1322sexies

(ingevoegd bij) De zaken bedoeld in artikel 1322bis worden ingeleid en behandeld zoals in kort geding.

...

Art. 1322septies

§ 1.De artikelen 1038 tot 1041 zijn van toepassing behalve wat het bepaalde in artikel 1039 betreft dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf.

§ 2.Artikel 1051, vierde lid, is niet van toepassing.

Wanneer het verzoek in eerste aanleg door het openbaar ministerie wordt voorgelegd, is artikel 1052, tweede en derde lid, daarenboven van toepassing.

§ 3.Voor het Hof van beroep worden de partijen door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om binnen acht dagen te rekenen van de inschrijving van het verzoek op de algemene rol, te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt.

Deze termijn is een maximumtermijn.

Ingeval het verzoek in eerste aanleg niet door toedoen van de Centrale Autoriteit is ingediend en de gedaagde in hoger beroep die in het buitenland verblijft, niet aanwezig, noch vertegenwoordigd is op de in het eerste lid bedoelde zitting, roept de griffier de partijen bij gerechtsbrief op voor een nieuwe zitting binnen een maximumtermijn van vier weken vanaf de in het eerste lid bedoelde zitting. Dientengevolge wordt de in artikel 1322nonies/4, tweede lid, bedoelde termijn van zes weken verlengd met vier weken.

Art. 1322octies

(ingevoegd bij) Wat de toepassing van dit hoofdstuk betreft, kan de verweerder zelf geen tegenvordering instellen, zulks onverminderd de artikelen 1322nonies/2, 1322nonies/3 en 1322undecies.

Art. 1322nonies

§ 1.Zodra een verzoek bedoeld in artikel 1322bis, 2°, wordt ingediend, informeert de griffier de partijen over de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten, door hen onmiddellijk de tekst toe te zenden van de artikelen 1730 tot 1737, vergezeld van een door de voor justitie bevoegde minister opgestelde informatiebrochure over de bemiddeling, de lijst van de erkende bemiddelaars die zijn gespecialiseerd in familiezaken en gevestigd zijn in het gerechtelijk arrondissement, alsook de inlichtingen betreffende de informatiesessies, wachtdiensten of andere in het gerechtelijk arrondissement georganiseerde initiatieven die erop gericht zijn de minnelijke oplossing van conflicten te bevorderen.

§ 2.De partijen worden verzocht in persoon te verschijnen op de inleidingszitting, alsook op de pleitzittingen.

Indien de beide partijen in persoon verschijnen op de inleidingszitting, hoort de rechter hen over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak en stelt hij vast of een minnelijke oplossing overwogen kan worden, tenzij dit in strijd is met het hoger belang van het kind, dit in het specifieke geval niet passend is of dit de procedure onnodig zou vertragen.

Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

§ 3.Indien de rechter vaststelt dat een verzoening mogelijk is, kan hij, onverminderd paragraaf 2, derde lid, de zaak verdagen naar een vaste datum binnen een termijn die vijftien dagen niet mag overschrijden, behoudens akkoord van de partijen, teneinde hen in de gelegenheid te stellen een akkoord voor te leggen.

Op vraag van de partijen of indien hij dit nuttig acht, kan de rechter de zaak ook verwijzen naar de kamer voor minnelijke schikking, waarbij hij toeziet op de inachtneming van de in artikel 1322nonies/4 bedoelde termijnen.

§ 4.Indien de partijen niet in persoon zijn verschenen of indien zij niet op korte termijn tot een akkoord zijn gekomen, hoort de familierechtbank de partijen betreffende hun geschil.

Art. 1322nonies/1

De rechtbank waarbij het verzoek bedoeld in artikel 1322bis, 2°, aanhangig is, hoort het kind overeenkomstig artikel 21 van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°.

Art. 1322nonies/2

De rechtbank kan in elke fase van de procedure onderzoeken of het contact tussen het kind en de persoon die om de terugkeer van het kind verzoekt, moet worden verzekerd, daarbij rekening houdend met het hoger belang van het kind.

Art. 1322nonies/3

Overeenkomstig artikel 10 van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°, kunnen de partijen overeenstemming bereiken over de bevoegdheid van het gerecht waarbij het verzoek tot terugkeer aanhangig is, om uitspraak inzake ouderlijke verantwoordelijkheid te doen en, in voorkomend geval, om hun akkoord te homologeren.

Als deze overeenkomst niet schriftelijk is gemaakt, maakt de rechtbank melding van de overeenkomst in het dossier.

Art. 1322nonies/4

De rechtbank waarbij een verzoek bedoeld in artikel 1322bis, 2°, aanhangig is, beslist uiterlijk zes weken nadat de zaak aanhangig is gemaakt, tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt.

Wanneer een rechtsmiddel tegen de in het eerste lid bedoelde beslissing is aangewend, beslist het gerecht uiterlijk zes weken na het indienen van het verzoekschrift tot hoger beroep.

Art. 1322decies

De beslissing houdende de niet-terugkeer van het kind, gewezen in België op grond zowel van de in artikel 1322bis, 2°, bedoelde Verordening, als van artikel 13, eerste lid, b), of tweede lid, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980, wordt vergezeld van het certificaat opgesteld volgens het formulier opgenomen als bijlage I van voornoemde Verordening, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van die Verordening.

Indien het gerecht weet heeft van het bestaan van een lopende procedure in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk voor het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren, bezorgt het aan dat gerecht, binnen vijftien dagen na de datum van de beslissing, de documenten bedoeld in artikel 29, lid 3, van de Verordening, hetzij rechtstreeks, hetzij via de Belgische Centrale Autoriteit.

Geen enkel rechtsmiddel kan worden ingediend tegen de beslissing bedoeld in het eerste lid.

Art. 1322undecies

In de beslissing waarin de terugkeer van het kind wordt bevolen op grond van artikel 12 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 en van hoofdstuk III van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°, kan de familierechtbank, in voorkomend geval, voorlopige en bewarende maatregelen nemen, overeenkomstig artikel 15 van die Verordening, om het kind te beschermen tegen een ernstig risico als bedoeld in artikel 13, eerste lid, b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980, op voorwaarde dat het onderzoeken en nemen van dergelijke maatregelen de terugkeerprocedure niet onnodig vertraagt.

Het certificaat opgesteld volgens het formulier opgenomen als bijlage IV van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°, wordt ambtshalve afgegeven door het gerecht.

In alle gevallen nodigt de rechtbank de partijen uit om de nadere regels voor de uitvoering van de beslissing te bespreken en in voorkomend geval kan zij die regels ambtshalve vastleggen, rekening houdend met het hoger belang van het kind.

Zij wijst de personen aan die, bij ontstentenis van vrijwillige uitvoering van de beslissing, gemachtigd zijn de deurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging ervan.

Art. 1322duodecies

§ 1.De beslissing houdende de niet-terugkeer van het kind, gewezen in een lidstaat van de Europese Unie die gebonden is door de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°, hierna "Verordening" genoemd, met toepassing van artikel 13, eerste lid, b), of tweede lid, van het Verdrag van `s-Gravenhage van 25 oktober 1980, het certificaat opgesteld volgens het formulier opgenomen als bijlage I van de Verordening alsook de documenten bedoeld in artikel 29, lid 5, c) van de Verordening, worden door de partijen voorgelegd aan de rechtbank waar voorafgaandelijk een verzoek bedoeld in hoofdstuk Xbis aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.

De neerlegging van die documenten maakt bij de rechtbank een verzoek als bedoeld in artikel 1322bis, 3°, aanhangig.

§ 2.Het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, kan de in artikel 29, lid 3, van de Verordening bedoelde documenten overzenden aan de rechtbank waar voorafgaandelijk een verzoek bedoeld in hoofdstuk Xbis aanhangig is gemaakt, hetzij rechtstreeks, hetzij via de Belgische Centrale Autoriteit.

Vanaf de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde documenten en uiterlijk binnen drie werkdagen brengt de griffier de informatie die is vervat in het certificaat dat als bijlage I bij de voornoemde Verordening gaat bij gerechtsbrief ter kennis aan de partijen. De gerechtsbrief bevat de volgende vermeldingen:

1°de tekst van artikel 29 van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°;

2°een verzoek aan de partijen om binnen twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving conclusies neer te leggen bij de griffie.

Indien ten minste een van de partijen conclusies neerlegt, roept de griffier de partijen onmiddellijk op voor de eerste dienstige terechtzitting.

De neerlegging van conclusies door minstens een van de partijen maakt bij de rechtbank een verzoek als bedoeld in artikel 1322bis, 3°, aanhangig.

§ 3.Indien geen enkele procedure aanhangig is, kunnen de partijen een verzoek zoals bedoeld in artikel 1322bis, 3°, aanhangig maken bij de rechtbank, en zulks binnen drie maanden na de kennisgeving van een beslissing als bedoeld in paragraaf 1.

De documenten vermeld in artikel 29, lid 5, van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°, worden bij het verzoekschrift gevoegd.

§ 4.De rechtbank onderzoekt in haar beslissing de motieven en bewijselementen waarop de beslissing genomen op basis van artikel 13, eerste lid, b), of tweede lid van het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980, is gegrond.

Er wordt overgegaan tot het horen van het kind overeenkomstig artikel 21 van voornoemde Verordening en, indien nodig, Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking).

In voorkomend geval geeft de rechtbank in haar beslissing de reden waarom het kind niet werd gehoord.

§ 5.De beslissing ten gronde betreffende het gezag die de terugkeer van het kind met zich brengt, gaat vergezeld van het certificaat opgesteld onder gebruikmaking van het formulier in bijlage VI van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°.

De beslissing ten gronde betreffende het gezag waarbij grensoverschrijdend omgangsrecht wordt verleend en die niet de terugkeer van het kind met zich brengt, gaat vergezeld van het certificaat opgesteld onder gebruikmaking van het formulier in bijlage V van de Verordening bedoeld in artikel 1322bis, 2°.

Art. 1322terdecies

Voor de toepassing van de bepalingen van een van de verdragen of van de Verordening van de Raad bedoeld in artikel 1322bis, is de Federale Overheidsdienst Justitie de Centrale Autoriteit.

Art. 1322quaterdecies

§ 1.Met het oog op de toepassing van artikel 33 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen en van artikel 82 van de Verordening (EG) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), zendt de Belgische Centrale Autoriteit, te weten de Federale Overheidsdienst Justitie, de verzoeken die haar zijn bezorgd door het gerecht van een andere lidstaat over aan de bevoegde gemeenschapsinstantie.

§ 2....