Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16)

TITEL IV -Beheer van de rechterlijke organisatie

180–185/13

Art. 180

De gerechtelijke entiteiten van de rechterlijke organisatie zijn verantwoordelijk voor het beheer van de algemene werkingsmiddelen die hun ter beschikking worden gesteld.

De colleges bedoeld in deze titel, bieden steun bij en houden toezicht op het beheer.

Onder gerechtelijke entiteiten wordt verstaan:

1°de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken en de vredegerechten wat de zetel betreft;

2°de parketten-generaal, de parketten van de procureur des Konings, de arbeidsauditoraten, het federaal parket en het parket voor de verkeersveiligheid wat het openbaar ministerie betreft.

Het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof vormen samen een afzonderlijke gerechtelijke entiteit.

Art. 181

Er wordt een College van de hoven en rechtbanken opgericht dat instaat voor de goede algemene werking van de zetel. Het College, binnen deze bevoegdheid:

1°neemt maatregelen die een toegankelijke, onafhankelijke, tijdige en kwaliteitsvolle rechtsbedeling verzekeren door het organiseren van onder meer communicatie, kennisbeheer, een kwaliteitsbeleid, werkprocessen, de implementatie van informatisering, het strategisch personeelsbeleid, de statistieken, de werklastmeting en werklastverdeling;

2°biedt ondersteuning aan het beheer binnen de hoven van beroep en arbeidshoven, rechtbanken en vredegerechten.

Ter uitvoering van de bij dit artikel bepaalde taken en bevoegdheden geeft het College aanbevelingen en dwingende richtlijnen aan alle directiecomités van respectievelijk de hoven van beroep en arbeidshoven, rechtbanken en vredegerechten. De aanbevelingen en richtlijnen worden aan de minister van Justitie overgezonden.

Art. 182

§ 1.Het College bestaat uit twaalf leden, een voorzitter en een ondervoorzitter. De leden tellen drie eerste voorzitters van een hof van beroep, een eerste voorzitter van een arbeidshof, drie voorzitters van een rechtbank van eerste aanleg, een voorzitter van een ondernemingsrechtbank, een voorzitter van een arbeidsrechtbank, een voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en twee leden van de raad van hoofdgriffiers. Het College wordt taalkundig paritair samengesteld. Indien een lid afkomstig is uit het gerechtelijk arrondissement Eupen, wordt het meegeteld bij de taalrol van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten. De leden van de raad van hoofdgriffiers behoren tot een verschillende taalrol.

§ 2.De magistraat - leden van het College worden verkozen door de korpschefs van de hoven van beroep, van de arbeidshoven, van de rechtbanken en van de vredegerechten voor een termijn van vijf jaar.

Het verlies van het mandaat van korpschef tenzij deze het gevolg is van een tuchtstraf of de toelating tot de inruststelling, maakt geen einde aan het mandaat van lid van het College.

Een kiescollege van de eerste voorzitters kiest de vier vertegenwoordigers van de hoven, taalparitair verdeeld.

Een kiescollege van de voorzitters kiest de zes vertegenwoordigers van de rechtbanken en de vredegerechten, taalparitair verdeeld. Eén van de drie voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg behoort tot de andere taalrol dan de twee andere voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg.

De Koning stelt de nadere regels vast voor de verkiezing.

§ 3.De leden van de raad van hoofdgriffiers verkiezen hun vertegenwoordigers in het College voor een termijn van drie jaar, die hernieuwbaar is op verzoek van elk van de betrokken vertegenwoordigers. De Koning stelt de nadere regels vast voor de verkiezing.

§ 3/1.De persoonsgegevens van de kiezers en van de kandidaten die door het College worden ingewonnen in de loop van de verkiezingsprocedure van de leden, worden door het College bewaard voor de duur van het mandaat.

Het College staat in voor de inrichting en het beheer van de werking van de lijst van kiezers en kandidaten. Hij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijst. Het College wordt met betrekking tot de lijst beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming).

De Koning bepaalt de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.

De lijst en de daarin opgenomen gegevens kunnen, onder toezicht van de beheerder en voor zover noodzakelijk voor het vervullen van hun respectievelijke wettelijke opdrachten, uitsluitend worden geraadpleegd door het College en de steundienst bij het College.

§ 4.Het College kiest uit zijn leden bedoeld in paragraaf 2 en uit de voormalige voorzitter en ondervoorzitter van het vorige College of, indien er uit deze personen niemand gekozen wordt, uit de in functie zijnde korpschefs die niet verkozen werden in het College en uit de erekorpschefs zoals bedoeld in artikel 259quater, § 5/1, een voorzitter en een ondervoorzitter voor een termijn van vijf jaar dewelke van rechtswege een einde neemt bij het aflopen van de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste lid. De kandidaten zijn minstens vijf jaar verwijderd van hun inruststelling. De voorzitter en de ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalrol. Na tweeënhalf jaar wordt een beurtwisseling van de mandaten in acht genomen. De Koning stelt de nadere regels vast voor de aanwijzing van de voorzitter en ondervoorzitter op eensluidend voorstel van het College.

De gekozen voorzitter en ondervoorzitter worden als lid van het College vervangen overeenkomstig paragraaf 5, eerste lid.

Bij het voortijdig openvallen van het mandaat van voorzitter of ondervoorzitter of bij het oplopen van een tuchtstraf wordt de voorzitter of ondervoorzitter voor de resterende duur vervangen door een ander verkozen lid van het College, de voormalige voorzitter of ondervoorzitter van het vorige College, een in functie zijnde korpschef of een erekorpschef als bedoeld in artikel 259quater, § 5/1, van dezelfde taalrol.

Wanneer de stemming bedoeld in het eerste lid niet leidt tot de aanwijzing van een voorzitter of een ondervoorzitter wordt de functie van voorzitter of ondervoorzitter tijdelijk waargenomen door het lid van het College met de hoogste anciënniteit of, indien deze anciënniteit geen uitsluitsel geeft, door het lid met de hoogste anciënniteit als korpschef binnen de rechterlijke orde, behorende tot de andere taalrol dan de reeds verkozen voorzitter of ondervoorzitter. Wanneer de stemming niet leidt tot de aanwijzing van een voorzitter en een ondervoorzitter worden beide functies tijdelijk waargenomen door de leden van het College met de hoogste anciënniteit of, indien deze anciënniteit geen uitsluitsel geeft, door de leden met de hoogste anciënniteit als korpschef binnen de rechterlijke orde, behorende tot een verschillende taalrol. De tijdelijke functie wordt waargenomen tot de stemming een voorzitter, respectievelijk ondervoorzitter aanwijst. Het vijfde lid is in dit geval niet van toepassing.

De voorzitter en de ondervoorzitter oefenen hun mandaat voltijds uit. Zij ontvangen de wedde die toegekend wordt aan de eerste voorzitter van het hof van beroep. Artikel 323bis is op hen van toepassing.

§ 5.Voor de leden van het College bedoeld in paragraaf 2 wordt voor de duur van het mandaat een lijst met opvolgers opgesteld, die bestaat uit de niet-verkozen korpschefs in volgorde van het behaalde aantal stemmen. Bij afwezigheid, verhindering of, het voortijdig openvallen van een mandaat van lid in het College, wordt het betrokken lid, al naargelang het geval, voor de duur van de afwezigheid of verhindering dan wel voor de resterende duur van het mandaat, vervangen door de eerst nuttig gerangschikte opvolger uit hetzelfde type rechtscollege en van dezelfde taalrol uit de lijst van opvolgers, uitgezonderd de opvolgers waarvan het mandaat van korpschef een einde nam door toedoen van een tuchtstraf of die werden toegelaten tot de inruststelling. Bij gebrek hieraan, wordt het lid vervangen door de korpschef van hetzelfde type rechtscollege en dezelfde taalrol met het hoogste aantal jaren dienstanciënniteit binnen de zetel.

Ingeval een lid van het College dat de raad van hoofdgriffiers vertegenwoordigt, afwezig of verhinderd is, wordt het vervangen door een lid van de raad die het vertegenwoordigt en dat tot dezelfde taalgroep behoort. Wanneer een vertegenwoordiger van de raad van hoofdgriffiers in de loop van zijn mandaat zijn hoedanigheid van hoofdgriffier verliest, wordt hij vervangen door een opvolger vermeld in een lijst opgesteld volgens door de Koning bepaalde nadere regels.

§ 6.Het College beslist bij meerderheid van stemmen, waaronder minstens één stem in elke taalgroep. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. De leden van de raad van hoofdgriffiers zetelen met raadgevende stem.

Het College neemt de beslissingen inzake de bevoegdheden bedoeld in artikel 181, eerste lid. De voorzitter en de ondervoorzitter nemen autonoom en in overleg beslissingen die aan de door het College bepaalde strategie uitvoering geven. Ze geven hiervan rekenschap aan het College. Indien de voorzitter en de ondervoorzitter het niet eens zijn over de te nemen beslissing, leggen zij deze voor aan het College.

Het College keurt zijn huishoudelijk reglement goed en kan zich voorzien van een taalparitair bureau voor de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen. Indien er een bureau gecreëerd wordt, nemen de voorzitter en de ondervoorzitter van rechtswege deel aan dit bureau.

Het College vergadert minstens eenmaal per maand. De minister van Justitie of de voorzitter van het College van het openbaar ministerie kan eveneens het College op hun met redenen omklede vraag verzoeken bijeen te komen. Zij kunnen het College verzoeken een aanbeveling of richtlijn uit te vaardigen. Het College zal daarover beslissen. Op eigen initiatief of op vraag van de minister van Justitie vergaderen beide Colleges samen.

Art. 182bis

(Opgeheven)

Art. 183

§ 1.Bij het College van de hoven en rechtbanken wordt een gemeenschappelijke steundienst ingericht. De steundienst staat onder het gezag van de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.

De steundienst is belast met:

1°het verlenen van ondersteuning in de domeinen vernoemd in artikel 181;

2°het verlenen van ondersteuning van de directiecomités, bedoeld in hoofdstuk III;

3°het organiseren van een interne audit van het College en de gerechtelijke entiteiten.

Een directeur is belast met de dagelijkse leiding. Hij wordt voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar aangewezen door de Koning op voordracht van het College en op basis van een door de Koning op advies van het College vooraf bepaald profiel. De directeur neemt zitting in het College met raadgevende stem.

De directeur oefent zijn functie voltijds uit. Hij ontvangt de wedde van kamervoorzitter bij een hof van beroep. De artikelen 323bis, 327 en 330 zijn in voorkomend geval van toepassing. In geval van ongeschiktheid, langdurige ziekte of ernstig plichtsverzuim kan de Koning, op voorstel van het College, het mandaat van de directeur schorsen of vroegtijdig beëindigen.

§ 2.De Koning bepaalt op advies van het College de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de steundienst. Het personeel wordt opgenomen in een personeelsplan, dat jaarlijks wordt opgesteld door het College. Bij de aanwervingen wordt de taalpariteit verzekerd.

Het binnen de steundienst vastbenoemd personeel is onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het in vast verband benoemde personeel van de rechterlijke organisatie.

Magistraten kunnen een opdracht krijgen in de steundienst overeenkomstig de artikelen 323bis en 327. Op zijn verzoek en op voorstel van de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken, kan een magistraat die overeenkomstig artikel 383, § 1, wegens zijn leeftijd is toegelaten tot de inruststelling of die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt, door de Koning worden gemachtigd om een onbezoldigde opdracht uit te oefenen binnen de steundienst. Daarenboven wordt het akkoord van de korpschef gevraagd wanneer de voorgestelde magistraat een in artikel 383, § 2, bedoelde plaatsvervangende magistraat is.

Ieder personeelslid van de rechterlijke organisatie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College aan de minister van Justitie, in de steundienst van het College een opdracht krijgen overeenkomstig de artikelen 330, 330bis en 330ter.

Ieder vastbenoemd personeelslid van een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst of van de Hoge Raad voor de Justitie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College, al naargelang van het geval, aan de minister waaronder hij ressorteert of aan de Hoge Raad voor de Justitie, ter beschikking worden gesteld van de steundienst van het College.

Het College kan een of meerdere opdrachthouders van klasse A3 of A4 aanwijzen voor de uitvoering van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen. De opdrachthouder wordt gedetacheerd voor een maximale periode van drie jaar die eenmaal hernieuwbaar is.

De opdrachthouder wordt gedetacheerd uit:

-leden van het gerechtspersoneel;

-personeelsleden van een federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst.

Om te kunnen worden gedetacheerd, moet het personeelslid van het federaal openbaar ambt of het lid van het gerechtspersoneel minstens van klasse A2 zijn met 4 jaar klasseanciënniteit of van de klasse A3 voor een opdrachthouder van klasse A3 en minstens van klasse A3 zijn met drie jaar klasseanciënniteit voor een opdrachthouder van klasse A4.

Tijdens de duur van de detachering, wordt de opdrachthouder ambtshalve met een opdracht van algemeen belang geplaatst in zijn dienst van oorsprong.

Een oproep tot de kandidaten waarin een functiebeschrijving en competentieprofiel is opgenomen, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en staat tegelijk open voor kandidaten uit de diverse wervingsvormen.

§ 3.Aan de opdracht, de terbeschikkingstelling of de detachering bedoeld in dit artikel kan een einde worden gemaakt:

1°op voorstel van het College, na de magistraat, het personeelslid, de ambtenaar of de opdrachthouder vooraf te hebben gehoord;

2°op verzoek van de betrokken magistraat, het betrokken personeelslid, de betrokken ambtenaar of de betrokken opdrachthouder met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.

De personeelsleden, magistraten en opdrachthoudersn bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan het gezag van de directeur.

De personeelsleden en de opdrachthouders bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan de evaluatieregeling, de tuchtregeling, de verlofregeling en de arbeidstijdregeling die van toepassing zijn op de personeelsleden bedoeld in § 2, tweede lid.

Het personeelsplan kan voorzien in de mogelijkheid om werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen overeenkomstig de bepalingen voorzien in artikel 178.

In afwijking van het vierde lid kan het College personen in dienst nemen in de hoedanigheid van opdrachthouder, bedoeld in paragraaf 2, zesde lid, onder het stelsel van een arbeidsovereenkomst voor de uitvoering, gedurende een bepaalde periode van maximum drie jaar, eenmaal hernieuwbaar, van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen.

§ 4.De wedde van het door het College aangeworven personeel en van het personeel dat met een opdracht belast is of ter beschikking wordt gesteld en van de opdrachthouders, is ten laste van de begroting van het College.

Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt ieder met een opdracht belast of ter beschikking gesteld personeelslid zijn eigen statuut. Ingeval het statuut van het personeel bedoeld in dit artikel voor een vergelijkbare opdracht evenwel voorziet in een hogere bezoldiging of in bijzondere voordelen, wordt ten laste van de begroting van het College een weddensupplement dat de bezoldiging van dat personeelslid op hetzelfde niveau brengt, evenals deze voordelen toegekend.

Art. 183

toekomstig recht

§ 1.Bij het College van de hoven en rechtbanken wordt een gemeenschappelijke steundienst ingericht. De steundienst staat onder het gezag van de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.

De steundienst is belast met:

1°het verlenen van ondersteuning in de domeinen vernoemd in artikel 181;

2°het verlenen van ondersteuning van de directiecomités, bedoeld in hoofdstuk III;

3°het organiseren van een interne audit van het College en de gerechtelijke entiteiten.

Een directeur is belast met de dagelijkse leiding. Hij wordt voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar aangewezen door de Koning op voordracht van het College en op basis van een door de Koning op advies van het College vooraf bepaald profiel. De directeur neemt zitting in het College met raadgevende stem.

De directeur oefent zijn functie voltijds uit. Hij ontvangt de wedde van kamervoorzitter bij een hof van beroep. Hij heeft recht op maaltijdcheques waarvan de nadere regels voor de toekenning door de Koning worden bepaald. De artikelen 323bis, 327 en 330 zijn in voorkomend geval van toepassing. In geval van ongeschiktheid, langdurige ziekte of ernstig plichtsverzuim kan de Koning, op voorstel van het College, het mandaat van de directeur schorsen of vroegtijdig beëindigen.

§ 2.De Koning bepaalt op advies van het College de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de steundienst. Het personeel wordt opgenomen in een personeelsplan, dat jaarlijks wordt opgesteld door het College. Bij de aanwervingen wordt de taalpariteit verzekerd.

Het binnen de steundienst vastbenoemd personeel is onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het in vast verband benoemde personeel van de rechterlijke organisatie.

Magistraten kunnen een opdracht krijgen in de steundienst overeenkomstig de artikelen 323bis en 327. Op zijn verzoek en op voorstel van de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken, kan een magistraat die overeenkomstig artikel 383, § 1, wegens zijn leeftijd is toegelaten tot de inruststelling of die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt, door de Koning worden gemachtigd om een onbezoldigde opdracht uit te oefenen binnen de steundienst. Daarenboven wordt het akkoord van de korpschef gevraagd wanneer de voorgestelde magistraat een in artikel 383, § 2, bedoelde plaatsvervangende magistraat is.

Ieder personeelslid van de rechterlijke organisatie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College aan de minister van Justitie, in de steundienst van het College een opdracht krijgen overeenkomstig de artikelen 330, 330bis en 330ter.

Ieder vastbenoemd personeelslid van een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst of van de Hoge Raad voor de Justitie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College, al naargelang van het geval, aan de minister waaronder hij ressorteert of aan de Hoge Raad voor de Justitie, ter beschikking worden gesteld van de steundienst van het College.

Het College kan een of meerdere opdrachthouders van klasse A3 of A4 aanwijzen voor de uitvoering van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen. De opdrachthouder wordt gedetacheerd voor een maximale periode van drie jaar die eenmaal hernieuwbaar is.

De opdrachthouder wordt gedetacheerd uit:

-leden van het gerechtspersoneel;

-personeelsleden van een federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst.

Om te kunnen worden gedetacheerd, moet het personeelslid van het federaal openbaar ambt of het lid van het gerechtspersoneel minstens van klasse A2 zijn met 4 jaar klasseanciënniteit of van de klasse A3 voor een opdrachthouder van klasse A3 en minstens van klasse A3 zijn met drie jaar klasseanciënniteit voor een opdrachthouder van klasse A4.

Tijdens de duur van de detachering, wordt de opdrachthouder ambtshalve met een opdracht van algemeen belang geplaatst in zijn dienst van oorsprong.

Een oproep tot de kandidaten waarin een functiebeschrijving en competentieprofiel is opgenomen, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en staat tegelijk open voor kandidaten uit de diverse wervingsvormen.

§ 3.Aan de opdracht, de terbeschikkingstelling of de detachering bedoeld in dit artikel kan een einde worden gemaakt:

1°op voorstel van het College, na de magistraat, het personeelslid, de ambtenaar of de opdrachthouder vooraf te hebben gehoord;

2°op verzoek van de betrokken magistraat, het betrokken personeelslid, de betrokken ambtenaar of de betrokken opdrachthouder met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.

De personeelsleden, magistraten en opdrachthoudersn bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan het gezag van de directeur.

De personeelsleden en de opdrachthouders bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan de evaluatieregeling, de tuchtregeling, de verlofregeling en de arbeidstijdregeling die van toepassing zijn op de personeelsleden bedoeld in § 2, tweede lid.

Het personeelsplan kan voorzien in de mogelijkheid om werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen overeenkomstig de bepalingen voorzien in artikel 178.

In afwijking van het vierde lid kan het College personen in dienst nemen in de hoedanigheid van opdrachthouder, bedoeld in paragraaf 2, zesde lid, onder het stelsel van een arbeidsovereenkomst voor de uitvoering, gedurende een bepaalde periode van maximum drie jaar, eenmaal hernieuwbaar, van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen.

§ 4.De wedde van het door het College aangeworven personeel en van het personeel dat met een opdracht belast is of ter beschikking wordt gesteld en van de opdrachthouders, is ten laste van de begroting van het College.

Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt ieder met een opdracht belast of ter beschikking gesteld personeelslid zijn eigen statuut. Ingeval het statuut van het personeel bedoeld in dit artikel voor een vergelijkbare opdracht evenwel voorziet in een hogere bezoldiging of in bijzondere voordelen, wordt ten laste van de begroting van het College een weddensupplement dat de bezoldiging van dat personeelslid op hetzelfde niveau brengt, evenals deze voordelen toegekend.

Art. 184

§ 1.Er wordt een College van het openbaar ministerie opgericht dat binnen zijn bevoegdheden alle maatregelen neemt die nodig zijn voor een goed beheer van het openbaar ministerie:

1°ondersteuning bieden aan het beheer ter uitvoering van het strafrechtelijk beleid bepaald door het College van procureurs-generaal overeenkomstig artikel 143bis, § 2;

2°het nastreven van de integrale kwaliteit op het vlak van onder meer communicatie, kennisbeheer, kwaliteitsbeleid, werkprocessen, implementatie van de informatisering, strategisch personeelsbeleid, statistiek, werklastmeting en werklastverdeling, teneinde bij te dragen aan een toegankelijke, onafhankelijke, tijdige en kwaliteitsvolle rechtsbedeling;

3°ondersteuning bieden aan het beheer binnen de gerechtelijke entiteiten van het openbaar ministerie.

Ter uitvoering van de taken en bevoegdheden bedoeld in dit artikel kan het College aanbevelingen en dwingende richtlijnen richten aan de directiecomités van de gerechtelijke entiteiten van het openbaar ministerie. De aanbevelingen en richtlijnen worden aan de minister van Justitie overgezonden.

§ 2.In het College van het openbaar ministerie nemen naast de vijf procureurs-generaal bij de hoven van beroep, drie leden van de raad van procureurs des Konings, een lid van de raad van de arbeidsauditeurs, twee leden van de raad van hoofdsecretarissen en de federale procureur plaats. De raad van procureurs des Konings, de raad van arbeidsauditeurs en de raad van hoofdsecretarissen verkiezen hun vertegenwoordigers in het College voor een termijn van drie jaar, die hernieuwbaar is op verzoek van elk van de betrokken vertegenwoordigers en, wat de raad van procureurs des Konings en de raad van arbeidsauditeurs betreft, mits naleving van de alternatie qua taalrol. Voor de toepassing van dit lid wordt de procureur voor de verkeersveiligheid geacht deel uit te maken van de raad van procureurs des Konings. De Koning stelt de nadere regels vast voor de verkiezing. De persoonsgegevens van de kiezers en van de kandidaten die door het College worden ingewonnen in de loop van de verkiezingsprocedure van de leden worden door het College bewaard voor de duur van het mandaat.

Het College van het openbaar ministerie wordt voorgezeten door de voorzitter van het College van procureurs-generaal. Het is taalparitair samengesteld. Indien een lid afkomstig is uit het arrondissement Eupen, wordt het meegeteld bij de taalgroep van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten. De leden van de raad van hoofdsecretarissen behoren tot een verschillende taalrol.

Het College beslist bij meerderheid van stemmen, waaronder minstens een stem in elke taalgroep. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Indien geen beslissing wordt genomen, neemt de minister van Justitie de noodzakelijke beheersmaatregelen.

Het College keurt zijn huishoudelijk reglement goed en kan zich voorzien van een taalparitair samengesteld bureau voor de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen.

Het College van het openbaar ministerie vergadert minstens eenmaal per maand. De minister van Justitie of de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken kan eveneens het College van het openbaar ministerie verzoeken bijeen te komen op hun gemotiveerde vraag. Zij kunnen het College verzoeken een aanbeveling of richtlijn uit te vaardigen. Het College beslist over dat verzoek. Op eigen initiatief of op vraag van de minister van Justitie vergaderen beide Colleges samen.

Ingeval een lid van het College dat de raad van procureurs des Konings, de raad van arbeidsauditeurs of de raad van hoofdsecretarissen vertegenwoordigt, afwezig of verhinderd is, wordt het vervangen door een lid van de raad die het vertegenwoordigt en dat tot dezelfde taalgroep behoort.

Ingeval een lid van het College dat niet bedoeld wordt in het zesde lid afwezig of verhinderd is, wordt het lid vervangen door de overeenkomstig artikel 319 aangewezen vervanger.

Wanneer een vertegenwoordiger van de raad van procureurs des Konings of van de raad van arbeidsauditeurs zijn hoedanigheid van magistraat of van korpschef of een vertegenwoordiger van de raad van hoofdsecretarissen zijn hoedanigheid van hoofdsecretaris in de loop van zijn mandaat verliest, wordt hij vervangen door een opvolger vermeld in een lijst opgesteld volgens door de Koning bepaalde nadere regels. De persoonsgegevens van de opvolgers worden door het College bewaard voor een termijn van drie jaar.

§ 3.Het College staat in voor de inrichting en het beheer van de werking van de lijst van kiezers en kandidaten. Hij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijst. Het College wordt met betrekking tot de lijst beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming).

De Koning bepaalt de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.

De lijst en de daarin opgenomen gegevens kunnen, onder toezicht van de beheerder en voor zover noodzakelijk voor het vervullen van hun respectievelijke wettelijke opdrachten, uitsluitend worden geraadpleegd door het College en de steundienst bij het College.

Art. 185

§ 1.Bij het College van procureurs-generaal en het College van het openbaar ministerie wordt een gemeenschappelijke steundienst ingericht. De steundienst staat onder het gezag van de voorzitter van het College van het openbaar ministerie.

De steundienst is belast met:

1°het verlenen van ondersteuning bij de uitoefening van de bij de artikelen 143bis, §§ 2, 3, 4, 5 en 7, en 184, § 1, bepaalde opdrachten;

2°het verlenen van ondersteuning van de directiecomités, bedoeld in hoofdstuk III;

3°het organiseren van een interne audit van het College van het openbaar ministerie en van de gerechtelijke entiteiten.

Een directeur is belast met de dagelijkse leiding. Hij wordt voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar aangewezen door de Koning op voordracht van het College van het openbaar ministerie en op basis van een door de Koning op advies van het College vooraf bepaald profiel. De directeur neemt zitting in het College met raadgevende stem.

De directeur oefent zijn functie voltijds uit. Hij ontvangt de wedde van eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep. De artikelen 323bis, 327 en 330bis zijn in voorkomend geval van toepassing.

In geval van ongeschiktheid, langdurige ziekte of ernstig plichtsverzuim kan de Koning, op voorstel van het College het mandaat van de directeur en schorsen of vroegtijdig beëindigen.

§ 2.De Koning bepaalt, op advies van het College van het openbaar ministerie, de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de steundienst. Het personeel wordt opgenomen in een personeels plan, dat jaarlijks wordt opgesteld door het College. Bij de aanwervingen wordt de taalpariteit verzekerd.

Het binnen de steundienst vastbenoemd personeel is onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het in vast verband benoemde personeel van de rechterlijke organisatie.

Magistraten kunnen een opdracht krijgen in de steundienst overeenkomstig de artikelen 323bis en 327. Op zijn verzoek en op voorstel van de voorzitter van het College van het openbaar ministerie, kan een magistraat die overeenkomstig artikel 383, § 1, wegens zijn leeftijd is toegelaten tot de inruststelling of die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt, door de Koning worden gemachtigd om een onbezoldigde opdracht uit te oefenen binnen de steundienst. Daarenboven wordt het akkoord van de korpschef gevraagd wanneer de voorgestelde magistraat een in artikel 383, § 2, bedoelde plaatsvervangende magistraat is.

Ieder personeelslid van de rechterlijke organisatie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College aan de minister van Justitie, een opdracht krijgen in de steundienst van het College overeenkomstig de artikelen 330, 330bis en 330ter.

Ieder vastbenoemd personeelslid van een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst of van de Hoge Raad voor de Justitie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College, naargelang van het geval, aan de minister waaronder hij ressorteert of aan de Hoge Raad voor de Justitie, ter beschikking worden gesteld van de steundienst van het College.

Het College kan een of meerdere opdrachthouders van klasse A3 of A4 aanwijzen voor de uitvoering van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen. De opdrachthouder wordt gedetacheerd voor een maximale periode van drie jaar die eenmaal hernieuwbaar is.

De opdrachthouder wordt gedetacheerd uit:

-leden van het gerechtspersoneel;

-personeelsleden van een federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst.

Om te kunnen worden gedetacheerd, moet het personeelslid van het federaal openbaar ambt of het lid van het gerechtspersoneel minstens van klasse A2 zijn met 4 jaar klasseanciënniteit of van de klasse A3 voor een opdrachthouder van klasse A3 en minstens van klasse A3 zijn met drie jaar klasseanciënniteit voor een opdrachthouder van klasse A4.

Tijdens de duur van de detachering, wordt de opdrachthouder ambtshalve met een opdracht van algemeen belang geplaatst in zijn dienst van oorsprong.

Een oproep tot de kandidaten waarin een functiebeschrijving en competentieprofiel is opgenomen, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en staat tegelijk open voor kandidaten uit de diverse wervingsvormen.

§ 3.Aan de opdracht, de terbeschikkingstelling of de detachering bedoeld in dit artikel kan een einde worden gemaakt:

1°op voorstel van het College na de magistraat, het personeelslid, de ambtenaar of de opdrachthouder vooraf te hebben gehoord;

2°op verzoek van de betrokken magistraat, het betrokken personeelslid, de betrokken ambtenaar of de betrokken opdrachthouder, met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.

De personeelsleden, magistraten en opdrachthouders bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan het gezag van de directeur.

De personeelsleden en de opdrachthouders bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan de evaluatieregeling, de tuchtregeling, de verlofregeling en de arbeidstijdregeling die van toepassing zijn op de personeelsleden bedoeld in § 2, tweede lid.

Het personeelsplan kan voorzien in de mogelijkheid om werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen overeenkomstig de nadere regels bepaald bij artikel 178.

In afwijking van het vierde lid kan het College personen in dienst nemen in de hoedanigheid van opdrachthouder, bedoeld in paragraaf 2, zesde lid, onder het stelsel van een arbeidsovereenkomst voor de uitvoering, gedurende een bepaalde periode van maximum drie jaar, eenmaal hernieuwbaar, van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen.

§ 4.De wedde van het door het College aangeworven personeel en van het personeel dat met een opdracht belast is of ter beschikking wordt gesteld en van de opdrachthouders, is ten laste van de begroting van het College.

Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt ieder met een opdracht belast of ter beschikking gesteld personeelslid zijn eigen statuut. Ingeval het statuut van het personeel bedoeld in dit artikel voor een vergelijkbare opdracht evenwel voorziet in een hogere bezoldiging of in bijzondere voordelen, dan wordt hen ten laste van de begroting van het College een weddensupplement dat de bezoldiging van dat personeelslid op hetzelfde niveau brengt, evenals deze voordelen toegekend.

Art. 185/1

Beheersaangelegenheden die als gemeenschappelijk worden aangewezen, worden samen beheerd hetzij door beide Colleges, hetzij door beide Colleges samen met de Federale Overheidsdienst Justitie. In het beheer zijn de Colleges en, in voorkomend geval, de Federale Overheidsdienst Justitie gelijk vertegenwoordigd en beslissen ze bij consensus.

Onder gemeenschappelijke beheersaangelegenheden wordt verstaan aangelegenheden waarvan de ingezette middelen gemeenschappelijk zijn, aangelegenheden waarin de zetel, het openbaar ministerie en, in de bvoorkomend geval, de Federale overheidsdienst Justitie dermate verbonden zijn dat die niet alleen door de zetel, het openbaar ministerie of de Federale Overheidsdienst Justitie kunnen beheerd worden of aangelegenheden waarover de zetel en het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de Federale Overheidsdienst Justitie van oordeel zijn dat zij deze omwille van de schaalgrootte of efficiëntiewinsten beter samen kunnen beheren.

De Koning bepaalt in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Colleges en de Federale Overheidsdienst Justitie, de gemeenschappelijke beheersaangelegenheden en de nadere regels waarop die beheerd worden. Het Hof van Cassatie wordt betrokken voor de aangelegenheden die het aanbelangt.

Art. 185/2

§ 1.Elk hof, elke rechtbank en elk parket heeft een directiecomité dat wordt voorgezeten door de korpschef.

§ 2.Het directiecomité van het Hof van Cassatie wordt samengesteld uit de eerste voorzitter, de voorzitter, de procureur-generaal, de eerste advocaat-generaal, de hoofdgriffier en hoofdsecretaris. Het directiecomité wordt bijgestaan door een steundienst bedoeld in artikel 158, die onder het gemeenschappelijk gezag en toezicht staat van de korpschefs.

In de hoven wordt het directiecomité samengesteld uit de eerste voorzitter, twee kamervoorzitters en de hoofdgriffier, in de parketten-generaal uit de procureur-generaal, de eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep, de eerste advocaat-generaal bij het arbeidshof en de hoofdsecretarissen.

Het directiecomité van het federaal parket wordt samengesteld uit de federale procureur, een federale magistraat van elke taalrol aangewezen door de federale procureur en de hoofdsecretaris.

§ 3.Het directiecomité van de rechtbank wordt samengesteld uit de voorzitter, de afdelingsvoorzitters en de hoofdgriffier.

Het directiecomité van het parket voor de verkeersveiligheid wordt samengesteld uit de procureur voor de verkeersveiligheid, beide substituut-procureurs voor verkeersveiligheid en de hoofdsecretaris.

In de parketten van de procureurs des Konings wordt het directiecomité samengesteld uit de procureur des Konings, de afdelingsprocureurs en de hoofdsecretaris, en in de arbeidsauditoraten uit de arbeidsauditeur, afdelingsauditeurs en hoofdsecretaris.

In de rechtbanken of parketten en arbeidsauditoraten zonder afdelingen wordt het directiecomité respectievelijk samengesteld uit de voorzitter, ten minste twee rechters aangewezen door de voorzitter en de hoofdgriffier, en uit de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, twee substituten aangewezen door de korpschef en de hoofdsecretaris. De rechters en substituten worden gekozen uit die welke door hun kennis of hoedanigheid betrokken worden bij het beheer van de rechtbank, het parket of het arbeidsauditoraat.

Bij het parket van de procureur des Konings te Brussel en bij het arbeidsauditoraat te Brussel maken de adjunct-procureur des Konings en de adjunct-arbeidsauditeur die ingevolge hun diploma tot een verschillende taalrol behoren dan die van de procureur des Konings respectievelijk die van de arbeidsauditeur, deel uit van de directiecomités. Wanneer de beide adjunct-procureurs des Konings of de beide adjunct-arbeidsauditeurs tot dezelfde taalrol behoren, wijst de procureur des Konings te Brussel of de arbeidsauditeur te Brussel de adjunct-procureur des Konings of de adjunct-arbeidsauditeur aan die deelneemt aan het comité.

Voor de vredegerechten en de politierechtbanken wordt het arrondissementeel directiecomité samengesteld uit de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, de ondervoorzitter en de hoofdgriffier.

De opleiding inzake budgettair beheer en gerechtskosten gegeven door het Instituut voor gerechtelijke opleiding wordt gevolgd door minstens een magistraat van het directiecomité van de rechtbanken van eerste aanleg, van de politierechtbanken, van het parket voor de verkeerveiligheid, van de parketten van de procureurs des Konings en van de arbeidsauditoraten.

§ 4.De korpschef kan het directiecomité uitbreiden met maximaal twee personen van zijn gerechtelijke entiteit die hij bekwaam acht wegens hun kennis inzake beheer.

De korpschef maakt de samenstelling van zijn directiecomité bekend in het werkingsverslag.

§ 5.Het directiecomité staat de korpschef bij in de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gerechtelijke entiteit. Het directiecomité van het Hof van Cassatie vervult dezelfde rol ten aanzien van de eerste voorzitter en de procureur-generaal.

Het directiecomité stelt het in artikel 185/6 bedoelde beheersplan op en staat in voor zijn uitvoering.

Het directiecomité beslist bij consensus. Bij gebrek aan consensus beslist de korpschef, behalve wat het directiecomité van het Hof van Cassatie betreft.

Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden treedt het directiecomité niet op in de procesrechtelijke behandeling van de geschillen of individuele zaken.

§ 6.Voor gemeenschappelijke beheersaangelegenheden op lokaal niveau overleggen de directiecomités van de betrokken gerechtelijke entiteiten samen.

Art. 185/3

Een College kan een beslissing van een directiecomité behorende tot zijn organisatie vernietigen indien het van oordeel is, na het directiecomité te hebben gehoord, dat deze beslissing strijdig is met een dwingende richtlijn of het in artikel 185/6 bedoelde beheersplan.

Art. 185/4

1.De minister van Justitie sluit met elk College een beheersovereenkomst voor het beheer van hun organisatie.

Een beheersovereenkomst wordt gesloten voor een periode van drie jaar. De beheersovereenkomst bevat afspraken rond doelstellingen voor de rechterlijke organisatie en de middelen die daarvoor door de minister van Justitie aan de rechterlijke organisatie worden ter beschikking gesteld.

De doelstellingen houden verband met de beheersopdrachten van de Colleges teneinde de goede werking van de rechterlijke organisatie te verzekeren.

§ 2.De beheersovereenkomst tussen de minister van Justitie en elk College regelt de volgende aangelegenheden:

1°de omschrijving van de activiteiten die het College overeenkomstig artikel 181 of artikel 184, § 1, uitvoert;

2°de doelstellingen die aan de toegekende middelen kunnen worden verbonden omtrent beheer en organisatie voor het geheel van de hoven en rechtbanken of het openbaar ministerie;

3°de middelen die de overheid aan het geheel van de hoven en rechtbanken of het openbaar ministerie toekent voor hun werking;

4°de middelen die aan elk College worden toegekend voor de eigen werking;

5°de wijze waarop de realisatie van de beheersovereenkomst wordt gemeten en opgevolgd en de indicatoren die daarvoor worden gebruikt.

§ 3.Bij de onderhandelingen van de beheersovereenkomst kan de minister vertegenwoordigd worden door zijn afgevaardigde. De Colleges worden vertegenwoordigd door de voorzitter of zijn afgevaardigde en twee leden die elk van de Colleges onder zijn leden aanwijst.

§ 4.Het directiecomité van het Hof van Cassatie sluit zijn beheersovereenkomst met de minister van Justitie, voor een periode van drie jaar. De overeenkomst omvat de omschrijving van de voorgenomen activiteiten van de gerechtelijke entiteit voor die periode van de overeenkomst en de middelen vereist voor haar werking. Het Hof van Cassatie wordt vertegenwoordigd door de eerste voorzitter en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.

§ 5.Drie maanden na het afsluiten van de beheersovereenkomsten worden de beheersovereenkomsten en de in artikel 185/6 bedoelde beheersplannen neergelegd in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Art. 185/5

De beheersovereenkomst is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

De Koning bepaalt in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de wijze waarop beheersovereenkomsten worden onderhandeld, afgesloten en zo nodig tussentijds worden aangepast.

Art. 185/6

De Colleges verdelen de middelen onder de gerechtelijke entiteiten van hun organisatie op basis van de beheersplannen van de gerechtelijke entiteiten.

Het beheersplan omvat de omschrijving van de voorgenomen activiteiten van de gerechtelijke entiteit voor de komende drie jaar en de middelen vereist voor haar werking. De personele middelen worden bepaald op grond van de resultaten van een uniforme regelmatige uitgevoerde werklastmeting met nationale normtijden zoals voorzien in artikel 352bis, eventueel aangevuld met andere objectieve criteria.

In het beheersplan worden aan de toegekende middelen doelstellingen verbonden in verband met het beheer en de werking van de gerechtelijke entiteiten.

Het beheersplan is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Het beheersplan wordt definitief neergelegd na omstandig advies van het College.

De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels waarop de beheersplannen worden opgesteld, neergelegd en zo nodig tussentijds worden aanpast.

Art. 185/7

Indien een beslissing van het College omtrent de verdeling van de middelen kennelijk de rechtsbedeling in een gerechtelijke entiteit in gevaar brengt, kan het betrokken directiecomité een beroep indienen bij de minister van Justitie. De minister beslist na beide partijen gehoord te hebben over de verdeling van de middelen.

Art. 185/8

De minister van Justitie kan via de beheersovereenkomsten een werkingsenveloppe overdragen aan elk College door middel van kredieten die hiervoor zijn ingeschreven op de administratieve begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie voor, enerzijds, de eigen werking en, anderzijds, de werking van de gerechtelijke entiteiten.

Het Hof van Cassatie ontvangt zijn werkingsenveloppe rechtstreeks van de minister van Justitie.

Een wet bepaalt de nadere regels voor de financiering van de gerechtelijke entiteiten en de wijze waarop deze geldelijke middelen worden beheerd door de Colleges of door het directiecomité van het Hof van Cassatie.

Art. 185/9

Elke gerechtelijke entiteit, het Hof van Cassatie uitgezonderd, rapporteert in het werkingsverslag bedoeld in artikel 340, § 3, teneinde de Colleges in staat te stellen het gebruik van de middelen, de werkzaamheden en de realisatie van het beheersplan te evalueren. Het werkingsverslag wordt eveneens overgezonden aan het College van de hoven en rechtbanken of het College van het openbaar ministerie.

Elk College stelt jaarlijks een werkingsverslag op. In het werkingsverslag vermeldt elke College zijn activiteiten, zijn richtlijnen en aanbevelingen, de beslissingen van de directiecomités die het heeft vernietigd, op welke wijze de middelen die door middel van de beheersovereenkomst werden verleend, zijn gebruikt, de resultaten die elke organisatie op basis van deze middelen heeft behaald, alsook de indicatoren waaruit blijkt of de doelstellingen van de organisatie al dan niet zijn gerealiseerd.

Het in het tweede lid bedoelde werkingsverslag wordt voor 1 juli overgezonden aan de minister van Justitie en de federale Wetgevende Kamers. De minister van Justitie bepaalt na advies van het College het standaardformulier volgens hetwelk dit werkingsverslag wordt opgesteld.

Het Hof van Cassatie rapporteert in het werkingsverslag bedoeld in artikel 340, § 3, over het gebruik van de middelen, de werkzaamheden en de realisatie van het beheersplan. In het werkingsverslag wordt vermeld op welke wijze de middelen die door middel van de beheersovereenkomst werden verleend, zijn gebruikt, de resultaten die op basis van deze middelen zijn behaald, alsook de indicatoren voor de realisatie of de niet realisatie van doelstellingen van de organisatie.

Art. 185/10

De colleges en het directiecomité van het Hof van Cassatie wat zijn rekening betreft, keuren elk jaar voor 1 juni de rekeningen van de gerechtelijke entiteiten goed van het voorbije dienstjaar en zenden ze toe aan de minister van Justitie en aan de minister van Begroting. De minister van Justitie zendt de rekeningen voor nazicht toe aan het Rekenhof.

Art. 185/11

Het Rekenhof kan een toezicht ter plaatse organiseren op de boekhouding, de verrichtingen en de afsluiting van de rekeningen van de Colleges, van het Hof van Cassatie en de gerechtelijke entiteiten. Het Rekenhof kan de rekeningen van de Colleges en van het Hof van Cassatie in zijn boek met opmerkingen bekendmaken.

Art. 185/12

§ 1.De colleges en het directiecomité van het Hof van Cassatie staan onder de controlebevoegdheid van de minister van Justitie en de minister van Begroting.

Deze controle wordt uitgeoefend door twee afgevaardigden van de minister, de ene aangewezen door de minister van Justitie en de andere door de minister van Begroting. De afgevaardigde van de minister van Begroting wordt gekozen uit de inspecteurs van financiën geaccrediteerd bij de Federale Overheidsdienst Justitie.

De afgevaardigden van de minister kunnen met raadgevende stem de vergaderingen van de colleges en van het directiecomité van het Hof van Cassatie bijwonen.

§ 2.Iedere afgevaardigde van de minister kan binnen een termijn van tien werkdagen beroep instellen tegen elke beheersbeslissing van het College of van het directiecomité van het Hof van Cassatie die hij met de wet of met de beheersovereenkomst strijdig acht. De afgevaardigde van de minister van Begroting kan dit slechts doen voor zover die beslissing financiële gevolgen heeft. Het beroep heeft schorsende kracht.

Deze termijn gaat in de dag volgend op de vergadering, waarop de beslissing genomen werd, voor zover de afgevaardigde daarop regelmatig uitgenodigd werd, en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.

Deze afgevaardigden oefenen hun beroep uit bij de minister die hen heeft aangewezen.

De afgevaardigde informeert het College of het directiecomité van het Hof van Cassatie ervan. De voorzitter van het College of de eerste voorzitter wordt op zijn verzoek gehoord door de minister bij wie het beroep is ingesteld.

§ 3.De minister, bij wie het beroep werd ingesteld, beslist binnen een termijn van twintig werkdagen, die ingaat dezelfde dag als de in § 2 bedoelde termijn, na het advies van de andere betrokken minister te hebben ingewonnen. Indien de minister binnen die termijn de nietigverklaring niet heeft uitgesproken, wordt de beslissing van het College of het directiecomité definitief.

Bij een aan het College of aan het directiecomité van het Hof van Cassatie betekende beslissing van de minister, kan die termijn met tien dagen worden verlengd.

De nietigverklaring van de beslissing wordt aan het College of aan het directiecomité van het Hof van Cassatie meegedeeld door de minister die ze heeft uitgesproken.

Art. 185/13

Het beheersmodel wordt tweejaarlijks geëvalueerd. Daartoe wordt een evaluatiecollege opgericht. Het College omvat de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie, de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie, de voorzitters van de Colleges en de minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger. Het College zendt een rapport over aan de Koning, aan de Hoge Raad voor de Justitie en de voorzitters van de federale Wetgevende Kamers.