Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16) › BOEK II - GERECHTELIJKE AMBTEN.

TITEL IV - Inruststelling, pensionering en emeritaat.

383–397bis

Art. 383

§ 1.De magistraten van de Rechterlijke Orde houden op hun ambt uit te oefenen en worden in rust gesteld, (op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van):

Zeventig jaar wat de leden van het Hof van Cassatie betreft;

Zevenenzestig jaar wat de leden van de andere rechtscolleges betreft.

of wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen.

De magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt behouden het statuut van magistraat wanneer zij daar niet uitdrukkelijk afstand van hebben gedaan, in voorkomend geval op een latere datum dan hun inruststelling.

Op de magistraten die wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid zijn toegelaten tot de inruststelling zijn de artikelen 7 tot 12 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen van toepassing, zelfs indien zij hun hoedanigheid van magistraat behouden.

§ 2.Evenwel kunnen, op hun verzoek, magistraten toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd (zoals bedoeld in § 1) en magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt naargelang van het geval door de eerste voorzitters van de hoven van beroep en arbeidshoven, de voorzitters van de rechtbanken, de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank of door de procureurs-generaal bij de hoven van beroep worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen tot zij de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt.

De aldus aangewezen magistraten kunnen echter, op hun verzoek, na de leeftijd van zeventig jaar hun ambt van plaatsvervangend magistraat blijven uitoefenen voor een tijdspanne van één jaar die viermaal kan worden hernieuwd, indien de gerechtelijke overheid die ze heeft aangewezen dit nuttig acht wegens de behoeften van de dienst. De voortzetting van het ambt en de hernieuwingen ervan worden beslist bij beschikking die naar gelang van het geval wordt gewezen door de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, de voorzitters van de rechtbanken of de procureurs-generaal bij de hoven van beroep.

De magistraten van het Hof van Cassatie die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt, kunnen, op hun verzoek, naargelang het geval door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of door de procureur-generaal bij dit Hof worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen tot zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.

De magistraten van het Hof van Cassatie toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd, kunnen, op hun verzoek, naargelang het geval door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of door de procureur-generaal bij dit Hof worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen en diegenen bedoeld in het derde lid, kunnen, op hun verzoek, na de leeftijd van zeventig jaar dat ambt blijven uitoefenen indien de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of de procureur-generaal bij dit Hof dit nuttig acht wegens de behoeften van de dienst. De aanwijzing is geldig voor een tijdspanne van één jaar die viermaal kan worden hernieuwd.

§ 3.Wat de vrederechters en rechters in de politierechtbank benoemd in het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, gebeurt de aanwijzing door de voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg naargelang de taal van het diploma van licentiaat, doctor of master in de rechten waarvan zij houder zijn. In het gerechtelijk arrondissement Eupen gebeurt de aanwijzing van de vrederechters en rechters in de politierechtbank door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

§ 4.De vrederechters aangewezen voor de uitoefening van het ambt van plaatsvervangende magistraat, kunnen dat ambt ook uitoefenen in een ander kanton van het gerechtelijk arrondissement.

§ 5.Op hun verzoek kunnen de magistraten die werden gemachtigd om hun ambt overeenkomstig artikel 383ter te blijven uitoefenen na het verstrijken van deze machtiging worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen overeenkomstig paragraaf 2.

Art. 383

toekomstig recht

§ 1.De magistraten van de Rechterlijke Orde houden op hun ambt uit te oefenen en worden in rust gesteld, (op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van):

Zeventig jaar wat de leden van het Hof van Cassatie betreft;

Zevenenzestig jaar wat de leden van de andere rechtscolleges betreft.

of wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen.

De magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt behouden het statuut van magistraat wanneer zij daar niet uitdrukkelijk afstand van hebben gedaan, in voorkomend geval op een latere datum dan hun inruststelling.

Op de magistraten die wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid zijn toegelaten tot de inruststelling zijn de artikelen 7 tot 12 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen van toepassing, zelfs indien zij hun hoedanigheid van magistraat behouden.

§ 2.Evenwel kunnen, op hun verzoek, magistraten toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd (zoals bedoeld in § 1) en magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt naargelang van het geval door de eerste voorzitters van de hoven van beroep en arbeidshoven, de voorzitters van de rechtbanken, de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank of door de procureurs-generaal bij de hoven van beroep worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen tot zij de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt. Magistraten die aangewezen worden om het ambt van plaatsvervangend magistraat bij het federaal parket uit te oefenen, worden aangewezen op voorstel van de federale procureur. Magistraten die worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat in het parket voor de verkeersveiligheid uit te oefenen, worden aangewezen op voorstel van de procureur voor de verkeersveiligheid.

De aldus aangewezen magistraten kunnen echter, op hun verzoek, na de leeftijd van zeventig jaar hun ambt van plaatsvervangend magistraat blijven uitoefenen voor een tijdspanne van één jaar die viermaal kan worden hernieuwd, indien de gerechtelijke overheid die ze heeft aangewezen dit nuttig acht wegens de behoeften van de dienst. De voortzetting van het ambt en de hernieuwingen ervan worden beslist bij beschikking die naar gelang van het geval wordt gewezen door de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, de voorzitters van de rechtbanken of de procureurs-generaal bij de hoven van beroep. De beschikking tot verlenging van het ambt van plaatsvervangend magistraat aangewezen bij het federaal parket wordt genomen op voorstel van de federale procureur. De beschikking tot verlenging van het ambt van plaatsvervangend magistraat aangewezen bij het parket voor de verkeersveiligheid wordt genomen op voorstel van de procureur voor de verkeersveiligheid.

De magistraten van het Hof van Cassatie die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt, kunnen, op hun verzoek, naargelang het geval door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of door de procureur-generaal bij dit Hof worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen tot zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.

De magistraten van het Hof van Cassatie toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd, kunnen, op hun verzoek, naargelang het geval door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of door de procureur-generaal bij dit Hof worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen en diegenen bedoeld in het derde lid, kunnen, op hun verzoek, na de leeftijd van zeventig jaar dat ambt blijven uitoefenen indien de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of de procureur-generaal bij dit Hof dit nuttig acht wegens de behoeften van de dienst. De aanwijzing is geldig voor een tijdspanne van één jaar die viermaal kan worden hernieuwd.

§ 3.Wat de vrederechters en rechters in de politierechtbank benoemd in het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, gebeurt de aanwijzing door de voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg naargelang de taal van het diploma van licentiaat, doctor of master in de rechten waarvan zij houder zijn. In het gerechtelijk arrondissement Eupen gebeurt de aanwijzing van de vrederechters en rechters in de politierechtbank door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

§ 4.De vrederechters aangewezen voor de uitoefening van het ambt van plaatsvervangende magistraat, kunnen dat ambt ook uitoefenen in een ander kanton van het gerechtelijk arrondissement.

§ 5.Op hun verzoek kunnen de magistraten die werden gemachtigd om hun ambt overeenkomstig artikel 383ter te blijven uitoefenen na het verstrijken van deze machtiging worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen overeenkomstig paragraaf 2.

Art. 383bis

(...) (§ 1.) Op hun verzoek en op voorstel, wat betreft de zittende magistratuur, van de eerste voorzitter of van de voorzitter van de rechtscollege waartoe zij behoren en, wat betreft de magistraten van het openbaar ministerie, van de procureur-generaal onder wiens gezag zij staan, kunnen de magistraten van de rechterlijke orde tot de inruststelling toegelaten wegens (het bereiken van de leeftijd zoals bedoeld in artikel 383, §1) en, behalve voor de magistraten van het Hof van Cassatie, wegens het bereiken van de leeftijd zoals bedoeld in artikel 383ter, § 1, door de Koning gemachtigd worden om hun ambt uit te oefenen tot dat er voorzien is in de plaats die is opengevallen in hun rechtscollege. De vrederechters kunnen onder dezelfde voorwaarden ook worden gemachtigd om hun ambt in een ander kanton van het gerechtelijk arrondissement te blijven uitoefenen. De machtiging geldt voor een periode van maximaal zes maanden die kan worden hernieuwd tot de magistraat de leeftijd van drieënzeventig jaar heeft bereikt.

(Het voorstel wordt, wat de vrederechters en de rechters in de politierechtbank betreft, gedaan door de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en in de arrondissementen Brussel en Eupen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.)Wat de vrederechters en de rechters in de politierechtbank in het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, wordt het voorstel gedaan door de voorzitter van de Franstalige of Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg naar gelang van de taal van het diploma van licentiaat, doctor of master in de rechten waarvan zij houders zijn.

(§ 2.) De bepalingen van §(...) 1 (...) zijn niet van toepassing op de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, de hoven van beroep en de arbeidshoven, de procureurs-generaal bij het Hof van Cassatie en de hoven van beroep, de voorzitters van de rechtbanken, de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, de procureur voor de verkeersveiligheid, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs.

(§ 3.) De magistraten die hun ambt uitoefenen krachtens de §(...) 1 (...) behouden ten aanzien van de magistraten die in dezelfde kamer zitting hebben, de rang die zij bekleedden bij hun inruststelling.

(§ 4.) De magistraten die hun ambt vervullen krachtens de §(...) 1 (...), genieten hun wedde overeenkomstig de bepalingen van titel III van boek II, en niet hun pensioen.

Art. 383ter

§ 1.In afwijking van artikel 383, § 1, kunnen de magistraten van de rechterlijke orde op hun verzoek en op grond van een met redenen omkleed advies van hun korpschef door de Koning worden gemachtigd om hun ambt te blijven uitoefenen tot zij de leeftijd van zeventig jaar respectievelijk drieënzeventig jaar in het Hof van Cassatie hebben bereikt.

De machtiging is een jaar geldig en kan worden hernieuwd.

De korpschefs zijn niet gemachtigd om hun mandaat te blijven uitoefenen op grond van deze bepaling.

De magistraten titularissen van een adjunct-mandaat of van een bijzonder mandaat blijven dit ambt uitoefenen onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 259quinquies of 259sexies.

§ 2.De magistraat die in dienst wenst te blijven na de leeftijd van zevenenzestig jaar te hebben bereikt of de magistraat in het Hof van Cassatie die in dienst wenst te blijven na de leeftijd van zeventig jaar te hebben bereikt, dient daartoe ten vroegste achttien maanden vóór die datum en uiterlijk negen maanden voor die datum een verzoek in bij zijn korpschef door middel van het door de Koning vastgesteld formulier.

De magistraat die een verzoek om hernieuwing wenst in te dienen na de leeftijd van zevenenzestig jaar te hebben bereikt, of van zeventig jaar in het Hof van Cassatie, dient het in uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de vorige verlenging.

De magistraat bezorgt tegelijkertijd een kopie van zijn verzoek, of in voorkomend geval van zijn verzoek om hernieuwing, aan de minister van Justitie.

De korpschef bezorgt het verzoek en zijn met redenen omkleed advies binnen een termijn van een maand aan de minister van Justitie.

Het met redenen omkleed advies heeft zowel betrekking op de opportuniteit van de indiensthouding voor het rechtscollege of het parket als op de meest opportune duur van die indiensthouding.

Bij gebreke van advies binnen de vastgestelde termijn wordt de procedure voortgezet op initiatief van de minister van Justitie.

De voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de ondernemingsrechtbanken en de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank richten het in § 2, eerste lid, bedoelde verzoek aan de eerste voorzitter van het hof van beroep. De voorzitters van de arbeidsrechtbanken richten dat verzoek aan de eerste voorzitter van het arbeidshof. Naargelang van het geval richt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof dat verzoek en zijn advies aan de minister van Justitie.

De procureur voor de verkeersveiligheid richt dat verzoek aan het College van het openbaar ministerie die dat verzoek en zijn advies aan de minister van Justitie richt.

De procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs richten dat verzoek aan de procureur-generaal bij het hof van beroep die dat verzoek en zijn advies aan de minister van Justitie richt.

De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de federale procureur richten dat verzoek aan de minister van Justitie die een advies uitbrengt over dat verzoek.

De magistraten bedoeld in het zevende tot het tiende lid richten hun verzoek tot hernieuwing aan de korpschef van het rechtscollege of het parket waar zij hun ambt uitoefenen.

Binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek neemt de Koning een beslissing.

§ 3.Magistraten die hun ambt blijven uitoefenen op grond van paragraaf 1, blijven hun wedde ontvangen overeenkomstig de bepalingen waarin titel III van boek II voorziet en behouden hun rang.

Art. 384

De voorzitters en raadsheren van het Hof van Cassatie en van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, die door een ernstige en blijvende gebrekkigheid zijn aangetast en niet om hun inruststelling hebben verzocht, worden bij aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie gewaarschuwd door de eerste voorzitter van het hof waartoe zij behoren of door degene die hem vervangt. Betreft het de eerste voorzitter van die hoven, dan waarschuwt het hoofd van het parket.

In dezelfde gevallen worden de rechters in de rechtbanken van eerste aanleg, in de ondernemingsrechtbanken, de vrederechters en de rechters in de politierechtbank op dezelfde wijze gewaarschuwd door de eerste voorzitter van het hof van beroep en de rechters in de arbeidsrechtbank door de eerste voorzitter van het arbeidshof.

Art. 385

Heeft de magistraat binnen een maand na de waarschuwing niet om zijn inruststelling verzocht, dan komen het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof in de raadkamer in algemene vergadering bijeen om, het openbaar ministerie in zijn schriftelijke conclusies gehoord, op basis van de in laatste aanleg genomen geneeskundige beslissing tot definitieve ongeschiktheid van het Medisch expertisecentrum arbeidsgeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu (Medex) uitspraak te doen, het eerste over de inruststelling van zijn leden, het tweede over de inruststelling van zijn leden, van de leden der rechtbanken van eerste aanleg en van de ondernemingsrechtbanken, van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, en het derde over de inruststelling van zijn leden en die van de arbeidsrechtbanken.

Ten minste vijftien dagen vóór de datum waarop de vergadering van het hof is vastgesteld, wordt aan de betrokken magistraat kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting, en wordt hij tegelijk verzocht zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen.

Die kennisgeving en dat verzoek worden hem toegezonden bij gerechtsbrief.

Art. 386

Van de beslissing wordt aan de betrokkene terstond kennis gegeven. Heeft deze zijn opmerkingen niet naar voren gebracht, dan gaat de beslissing eerst in kracht van gewijsde nadat daartegen binnen vijf dagen, te rekenen van de kennisgeving, niet in verzet is gekomen.

Art. 387

De beslissing gewezen op de opmerkingen van de magistraat of op zijn verzet, is in laatste aanleg.

Wanneer de vormvoorschriften niet zijn in acht genomen, kunnen evenwel de betrokken magistraat en het openbaar ministerie zich tegen de beslissing van het hof van beroep en van het arbeidshof in cassatie voorzien binnen vijf dagen te rekenen van de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie brengt de gronden van de voorziening in cassatie schriftelijk ter kennis van de betrokken magistraat of van de procureur-generaal bij het hof van beroep.

Art. 388

De kennisgevingen worden gedaan door de hoofdgriffier, die daarvan bij proces-verbaal moet doen blijken.

Woont de magistraat niet in de stad waar het hof zijn zetel heeft, dan doet de griffier de kennisgeving bij gerechtsbrief.

Verzet en voorziening in cassatie worden ter griffie ontvangen en in een speciaal register ingeschreven.

Art. 389

De beslissingen van de hoven, in het geval bedoeld in de artikelen 385 tot 388, worden aan de minister van Justitie toegezonden binnen vijftien dagen nadat zij in kracht van gewijsde zijn gegaan.

Art. 390

De artikelen 383 tot 389 zijn van toepassing op de plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren met uitzondering van de artikelen 383, § 1, derde lid, 383bis en 383ter.

In afwijking van artikel 383, § 1, kunnen de plaatsvervangende raadsheren die werden benoemd onder de magistraten die zijn toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd, evenwel zetelen tot de leeftijd van 70 jaar. Zij kunnen door de eerste voorzitter van het hof van beroep aangewezen worden als plaatsvervangend magistraat om te zetelen tot de leeftijd van 73 jaar overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel 383, § 2, tweede lid.

De artikelen 383 tot 389 zijn van toepassing op de werkende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank.

Met uitzondering van de artikelen 383, § 1, derde lid, 383bis en 383ter, zijn zij ook van toepassing op de werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken, op de werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken... en op de plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank.

Rechters in ondernemingszaken houden op hun ambt uit te oefenen op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van drieënzeventig jaar.

Art. 391

De magistraat die wegens de in artikel 383 bepaalde leeftijd in ruste is gesteld en dertig jaren dienst heeft waarvan ten minste vijftien in de magistratuur, heeft aanspraak op het emeritaat.

(Het emeritaatspensioen is gelijk aan de referentiewedde bepaald in artikel 8, § 1, van de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844. (Voor de toepassing van het tweede en het vierde lid van die bepaling worden de in artikel 58bis, 2°, 3° en 4° en in de artikelen 33 en 34 van de COIV-wet bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen).)

Heeft de magistraat geen dertig jaren dienst, dan wordt het pensioen met een dertigste verminderd voor ieder jaar dat hij te kort komt om dat getal te bereiken.

....

(Het ambt uitgeoefend op grond van artikel 383bis wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van het pensioen.)

Art. 391/1

Art. 391/1. In afwijking van artikel 391 kunnen de magistraten die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt geen aanspraak maken op het pensioen berekend op basis van artikel 391. Niettemin behouden zij het voordeel van het tantième 1/30ste voorzien in artikel 391 voor de diensten gepresteerd in de magistratuur tot 31 december 2011. Indien zij ten minste vijftien jaren in de magistratuur hebben, behouden zij bovendien eveneens het voordeel van het tantième 1/30e voor de andere diensten dan deze gepresteerd in de magistratuur.

Voor de diensten gepresteerd vanaf 1 januari 2012 wordt het tantième 1/30e vervangen door het tantième 1/48e.

Art. 391/1

toekomstig recht

Art. 391/1. In afwijking van artikel 391 kunnen de magistraten die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt geen aanspraak maken op het pensioen berekend op basis van artikel 391. Niettemin behouden zij het voordeel van het tantième 1/30ste voorzien in artikel 391 voor de diensten gepresteerd in de magistratuur tot 31 december 2011. Indien zij ten minste vijftien jaren in de magistratuur hebben, behouden zij bovendien eveneens het voordeel van het tantième 1/30e voor de andere diensten dan deze gepresteerd in de magistratuur.

Voor de diensten gepresteerd van 1 januari 2012 tot 31 december 2026 wordt het tantième 1/30e vervangen door het tantième 1/48e.

De diensten gepresteerd vanaf 1 januari 2027 worden in het pensioen verrekend aan het tantième 1/60e.

Art. 392

De magistraat die wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid in ruste gesteld wordt, kan geen aanspraak maken op een rustpensioen tenzij hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt of de voorwaarden voor het verkrijgen van een onmiddellijk of uitgesteld pensioen vervult, zoals bepaald in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.

(Het pensioen van de magistraat die niet wegens de in artikel 383, § 1, eerste lid bepaalde leeftijd in ruste is gesteld, wordt voor elk van de eerste vijf dienstjaren in de magistratuur uitgekeerd op basis van een dertigste van de in artikel 8, § 1, van voormelde algemene wet van 21 juli 1844 omschreven referentiewedde en voor elk volgend dienstjaar in de magistratuur op basis van een vijfendertigste van dezelfde wedde. (Voor de toepassing van het tweede en het vierde lid van die bepaling worden de in artikel 58bis, 2°, 3° en 4° en in de artikelen 33 en 34 van de COIV-wet bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen).)

Dienstjaren die krachtens de wet op de pensioenregeling van de leden van het burgerlijk rijkspersoneel in aanmerking komen, maar niet in de magistratuur zijn doorgebracht, worden aangerekend naar de grondslagen in de geldende wetten bepaald.

....

(Naargelang van het geval maakt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, de voorzitter van de rechtbank of de procureur-generaal bij het hof van beroep een einde aan het ambt van plaatsvervangend magistraat aangewezen overeenkomstig artikel 383, § 2, hetzij op verzoek van de magistraat, hetzij ambtshalve, hetzij indien de magistraat wegens gebrekkigheid niet meer in staat wordt bevonden zijn ambt te vervullen.)

Art. 392

toekomstig recht

De magistraat die wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid in ruste gesteld wordt, kan geen aanspraak maken op een rustpensioen tenzij hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt of de voorwaarden voor het verkrijgen van een onmiddellijk of uitgesteld pensioen vervult, zoals bepaald in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.

(Het pensioen van de magistraat die niet wegens de in artikel 383, § 1, eerste lid bepaalde leeftijd in ruste is gesteld, wordt voor elk van de eerste vijf dienstjaren in de magistratuur uitgekeerd op basis van een dertigste van de in artikel 8, § 1, van voormelde algemene wet van 21 juli 1844 omschreven referentiewedde en voor elk volgend dienstjaar in de magistratuur op basis van een vijfendertigste van dezelfde wedde. (Voor de toepassing van het tweede en het vierde lid van die bepaling worden de in artikel 58bis, 2°, 3° en 4° en in de artikelen 33 en 34 van de COIV-wet bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen).)

Dienstjaren die krachtens de wet op de pensioenregeling van de leden van het burgerlijk rijkspersoneel in aanmerking komen, maar niet in de magistratuur zijn doorgebracht, worden aangerekend naar de grondslagen in de geldende wetten bepaald.

....

(Naargelang van het geval maakt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, de voorzitter van de rechtbank of de procureur-generaal bij het hof van beroep een einde aan het ambt van plaatsvervangend magistraat aangewezen overeenkomstig artikel 383, § 2, hetzij op verzoek van de magistraat, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de federale procureur of de procureur voor de verkeersveiligheid indien het een plaatsvervangend magistraat betreft die zijn functies uitoefent bij het federaal parket of het parket van verkeersveiligheid, hetzij indien de magistraat wegens gebrekkigheid niet meer in staat wordt bevonden zijn ambt te vervullen.)

Art. 392/1

Art. 392/1. In afwijking van artikel 392 worden voor de magistraat die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt en die niet wegens de in artikel 383, § 1, eerste lid bepaalde leeftijd in ruste is gesteld, de tantièmes 1/30e en 1/35ste voorzien in artikel 392, tweede lid, vervangen door het tantième 1/48e voor de diensten gepresteerd vanaf 1 januari 2012.

Art. 392/1

toekomstig recht

Art. 392/1. In afwijking van artikel 392 worden voor de magistraat die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt en die niet wegens de in artikel 383, § 1, eerste lid bepaalde leeftijd in ruste is gesteld, de tantièmes 1/30e en 1/35ste voorzien in artikel 392, tweede lid, vervangen door het tantième 1/48e voor de diensten gepresteerd van 1 januari 2012 tot 31 december 2026.

De diensten gepresteerd vanaf 1 januari 2027 worden in het pensioen verrekend aan het tantième 1/60e.

Art. 393

(§ 1.) Wegens hun diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten wordt vier jaar werkelijke dienst in de magistratuur aangerekend ten voordele van de magistraten die... niet het vereiste aantal dienstjaren hebben om het bij de wet bepaalde maximumpensioen te verkrijgen.

(§ 2. De gerechtelijke stage en de diensttijd als magistraat in opleiding worden beschouwd als werkelijke diensttijd in de magistratuur. Voor de berekening van het rustpensioen wordt deze diensttijd in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst tenzij het pensioen berekend wordt met toepassing van de artikelen 391 of 391/1.)

Art. 393/1

§ 1.De vier jaar werkelijke dienst in de magistratuur bedoeld in artikel 393, § 1, wordt, voor de berekening van het bedrag van de pensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018, verminderd overeenkomstig deze paragraaf.

De in het eerste lid bedoelde duur van vier jaar wordt slechts in aanmerking genomen ten belope van de verhouding tussen, enerzijds, de in maanden uitgedrukte duur van de pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden die de magistraat op 1 december 2017 heeft bereikt en, anderzijds, het getal 540. Het resultaat wordt naar beneden toe afgerond tot gehele maanden.

Onder "pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden" moet worden verstaan de dienstjaren vastgesteld overeenkomstig artikel 46, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, met uitsluiting van elke tijdsbonificatie wegens diploma of voorafgaande studies en van de in het eerste lid bedoelde duur van vier jaar en zonder de toepassing van de verhogingscoëfficiënten bedoeld in artikel 46, § 3/1, van de voormelde wet van 15 mei 1984.

§ 2.In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt geen rekening gehouden met de volgende bepalingen:

-artikel 2, § 1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht;

-artikel 49, § 2, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.

§ 3.Ongeacht de werkelijke ingangsdatum van het pensioen, is de in paragraaf 1 vermelde vermindering niet van toepassing op het rustpensioen van de magistraat die op een bepaald ogenblik de voorwaarden vervulde om uiterlijk op 1 december 2018 een... rustpensioen te verkrijgen, noch op de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van zijn rechthebbenden.

Art. 393/2

Artikel 393, § 1, is niet meer van toepassing voor de berekening van het bedrag van de rustpensioenen die vanaf 1 december 2018 ingaan van de magistraten die na 1 december 2017 een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming in de magistratuur hebben verkregen of die na die datum als als gerechtelijk stagiair of magistraat in opleiding werden aangesteld, noch voor de berekening van het bedrag van de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van hun rechthebbenden.

Art. 394

De bepalingen van de artikelen 391 tot 393/2 zijn van toepassing op de magistraten van het parket.

Art. 395

Wanneer een magistraat die heeft opgehouden zijn ambt uit te oefenen ten einde het in artikel 308 bedoelde ambt te vervullen, na het uitvoeren van zijn opdracht wordt hersteld in het ambt dat hij niet verder had uitgeoefend, dan wel opnieuw wordt benoemd tot dit ambt of tot een ander hiermee gelijkstaand of hoger rechterlijk ambt, wordt het bedrag van zijn pensioen of van zijn emeritaatspensioen berekend alsof hij nooit had opgehouden zijn ambt uit te oefenen.

Dit geldt mede voor de gevallen van artikel 361.

Art. 396

Geen pensioen mag hoger zijn dan de wedde die voor de vereffening als grondslag heeft gediend.

Art. 397

De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het burgerlijk rijkspersoneel en hun rechtverkrijgenden zijn van toepassing op de magistraten die niet voldoen aan de vereisten om voor de bepalingen van dit hoofdstuk in aanmerking te komen.

Art. 397bis

De referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen, parketjuristen en criminologen bij de hoven en rechtbanken houden op hun ambt uit te oefenen en worden in ruste gesteld wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt zoals bepaald in artikel 46, § 3, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.

De in het eerste lid bedoelde personeelsleden die wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid in ruste gesteld worden, kunnen geen aanspraak maken op een rustpensioen tenzij zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt of de voorwaarden voor het verkrijgen van een onmiddellijk of uitgesteld pensioen vervullen, zoals bepaald in artikel 46 van de voormelde wet van 15 mei 1984.

De algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen is van toepassing op de de op rust gestelde personeelsleden bedoeld in het eerste lid.

Het in activiteit blijven kan, op verzoek van het personeelslid, door de minister van Justitie worden toegestaan tot de leeftijd van zeventig jaar. De periode van het in activiteit blijven wordt vastgelegd voor een maximale duur van een jaar. Zij kan worden verlengd.