Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL II Rechterlijke organisatie (art. 58–555/16) › BOEK II - GERECHTELIJKE AMBTEN. › TITEL II - Uitoefening van gerechtelijke ambten. › HOOFDSTUK IV Afwezigheden en verloven van magistraten

Afdeling I Algemene bepalingen

331–331/6

Art. 331

Dit hoofdstuk is van toepassing op de beroepsmagistraten, de magistraten in opleiding en de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbanken. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden zij allen begrepen onder de termen "magistraat" en "magistrate".

Behoudens artikel 331/2, tweede lid, is dit hoofdstuk niet van toepassing op plaatsvervangende magistraten.

Art. 331/1

§ 1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gelijkgesteld met de korpschef:

1°op voorwaarde dat zij door de korpschef daartoe worden aangewezen: de afdelingsvoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de ondernemingsrechtbank, de afdelingsprocureur, de afdelingsauditeur of elke andere magistraat;

2°de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de ondernemingsrechtbanken en ten aanzien van de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank;

3°de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken;

4°de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs;

5°de voorzitter van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de federale procureur;

6°de procureur-generaal die de verkeersveiligheid onder zijn bevoegdheid heeft ten aanzien van de procureur voor de verkeersveiligheid;

7°de procureur-generaal die jeugdzaken onder zijn bevoegdheid heeft ten aanzien van de verbindingsmagistraten in jeugdzaken;

8°de voorzitter van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de bijstandsmagistraten;

9°de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie ten aanzien van de directeurs van de steundiensten bedoeld in de artikelen 183 en 185;

10°de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel ten aanzien van de directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring;

11°de directeurs van de steundiensten bedoeld in de artikelen 183 en 185 ten aanzien van de magistraten die een voltijdse opdracht uitoefenen in de steundienst;

12°de directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring ten aanzien van de magistraten die werden aangewezen om een functie uit te oefenen in het Centraal Orgaan;

13°de magistraat die de korpschef vervangt overeenkomstig artikel 319.

De minister van Justitie kent het verlof toe van de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, van de hoven van beroep, van de arbeidshoven en van de procureurs-generaal bij die hoven.

De bepalingen van het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op de verloven bedoeld in afdeling IV, afdeling V, afdeling VI, afdeling VII en afdeling VIII.

§ 2.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1°werkdagen: de dagen waarop de magistraat verplicht beschikbaar is voor de dienst. Voor de toepassing van de artikelen 331/35, 331/39, derde lid en 331/42, § 1, eerste lid en § 3, eerste en tweede lid, zijn dit alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen bedoeld in artikel 331/10, eerste en tweede lid;

2°dienstvrijstelling: de toestemming verleend aan de magistraat door zijn korpschef om afwezig te zijn voor een bepaalde duur met behoud van al zijn rechten;

3°langdurige pleegzorg: pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies, § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

4°kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;

5°pleegkind: het kind waarvoor de magistraat of zijn/haar echtgeno(o)t(e) in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;

6°pleegouder: de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;

7°de meeouder: de vader of de persoon getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel, op dezelfde woonplaats.

§ 3.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt gelijkgesteld met:

1°het huwelijk, het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of gelijk geslacht die samenleven als koppel;

2°de echtgenoot of echtgenote van de magistraat, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie de magistraat samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats.

Art. 331/2

De magistraat mag niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt, tenzij hem hiervoor verlof of dienstvrijstelling werd toegekend overeenkomstig dit hoofdstuk.

De plaatsvervangende magistraat stelt zijn korpschef onverwijld in kennis van zijn afwezigheden wanneer deze afwezigheden een invloed kunnen hebben op de goede werking van het hof of de rechtbank.

Art. 331/3

De verloven worden toegekend door de korpschef.

Wanneer het verlof geweigerd wordt of bepaalde voorwaarden aan het verlenen van het verlof worden verbonden, maakt de korpschef een met redenen omklede beslissing op die hij onverwijld ter kennis brengt aan de magistraat.

Art. 331/4

Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf is de magistraat die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, van rechtswege in non-activiteit.

De magistraat die zich in de stand non-activiteit bevindt, heeft geen recht op wedde of weddebijslag noch op de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.

Art. 331/5

In afwijking van artikel 331/10, eerste lid, kan de korpschef de magistraat gelasten tijdens deze dagen alsook tijdens de nacht en tijdens de weekends wachtdiensten te leveren, dewelke recht geven op inhaalrust wanneer de magistraat daadwerkelijk prestaties levert.

De inhaalrust ten gevolge van gepresteerde wachtdiensten wordt in de loop van de veertien volgende dagen opgenomen in onderling overleg met de korpschef

Art. 331/6

§ 1.Met uitzondering van de beslissingen van de korpschef met betrekking tot het jaarlijks vakantieverlof en het omstandigheidsverlof, kan tegen de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in het huishoudelijk reglement bedoeld in paragraaf 4, beroep worden aangetekend bij de beroepscommissie bedoeld in paragraaf 2 of paragraaf 3.

§ 2.Bij het College van de hoven en rechtbanken wordt een beroepscommissie ingericht bestaande uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling die respectievelijk belast zijn met de behandeling van de beroepen ingesteld door magistraten van de zetel van de Nederlandstalige of Franstalige taalrol. Elke afdeling is samengesteld uit vijf leden van wie er maximaal drie hetzelfde geslacht hebben: twee magistraten die geen korpschef zijn, twee korpschefs en een magistraat van de zetel van het Hof van Cassatie.

Bij het College van het openbaar ministerie wordt een beroepscommissie ingericht bestaande uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling die respectievelijk belast zijn met de behandeling van de beroepen ingesteld door magistraten van het openbaar ministerie van de Nederlandstalige of Franstalige taalrol. Elke afdeling is samengesteld uit vijf leden van wie er maximaal drie hetzelfde geslacht hebben: twee magistraten die geen korpschef zijn, twee korpschefs en een magistraat van het parket bij het Hof van Cassatie.

De magistraten niet-korpschefs worden aangewezen door de Adviesraad van de Magistratuur, de korpschefs worden aangewezen door het College van de hoven en rechtbanken, respectievelijk het College van het openbaar ministerie. De korpschefs kunnen erekorpschefs zijn zoals bedoeld in artikel 259quater, § 5/1. Voor elk gekozen lid wordt minstens een vervanger aangewezen. Bij gebrek aan een magistraat in een Franstalige afdeling die blijk geeft van kennis van de Duitse taal wordt een beroep gedaan op een tolk.

Elke afdeling wordt voorgezeten door de korpschef met de hoogste dienstanciënniteit.

Een lid van de beroepscommissie kan enkel zetelen indien het op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, waartegen beroep werd aangetekend.

De afdelingen van de beroepscommissie beslissen bij meerderheid van stemmen.

Wanneer een afdeling van de beroepscommissie de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, vernietigt, kan zij in plaats van de korpschef het verlof of de periode ervan toekennen.

§ 3.Bij het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof wordt een enkele beroepscommissie opgericht. Deze beroepscommissie telt maximaal twee derde leden van hetzelfde geslacht en is taalparitair samengesteld uit drie magistraten van het Hof van Cassatie en drie magistraten van het parket bij het Hof van Cassatie die respectievelijk door de algemene vergadering en de korpsvergadering daartoe worden gekozen. Een van de drie magistraten uit elk korps behoort tot de andere taalrol dan de andere twee magistraten. Voor elk gekozen lid wordt minstens één vervanger aangewezen.

De magistraten bedoeld in het eerste lid behoren niet tot het directiecomité en beschikken over tenminste vijf jaar anciënniteit binnen hun korps.

Wanneer het beroep wordt ingesteld door een magistraat van het Hof, zetelt de commissie met drie magistraten van het Hof en twee magistraten van het parket. Wanneer het beroep wordt ingesteld door een magistraat van het parket zetelt de commissie met drie magistraten van het parket en twee magistraten van het Hof. De meerderheid van de leden van de commissie behoort tot dezelfde taalrol als de magistraat die het beroep instelt.

Een lid van de beroepscommissie kan enkel zetelen indien het op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, waartegen beroep werd aangetekend.

De beroepscommissie beslist bij meerderheid van stemmen.

Wanneer de beroepscommissie de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, vernietigt, kan zij in plaats van de korpschef het verlof of de periode ervan toekennen.

§ 4.Het College van de hoven en rechtbanken, het College van het openbaar ministerie en het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof stellen elk bij huishoudelijk reglement de nadere werking van de beroepscommissie vast en de wijze waarop beroep wordt aangetekend.