§ 1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gelijkgesteld met de korpschef:
1°op voorwaarde dat zij door de korpschef daartoe worden aangewezen: de afdelingsvoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de ondernemingsrechtbank, de afdelingsprocureur, de afdelingsauditeur of elke andere magistraat;
2°de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de ondernemingsrechtbanken en ten aanzien van de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank;
3°de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken;
4°de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs;
5°de voorzitter van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de federale procureur;
6°de procureur-generaal die de verkeersveiligheid onder zijn bevoegdheid heeft ten aanzien van de procureur voor de verkeersveiligheid;
7°de procureur-generaal die jeugdzaken onder zijn bevoegdheid heeft ten aanzien van de verbindingsmagistraten in jeugdzaken;
8°de voorzitter van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de bijstandsmagistraten;
9°de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie ten aanzien van de directeurs van de steundiensten bedoeld in de artikelen 183 en 185;
10°de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel ten aanzien van de directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring;
11°de directeurs van de steundiensten bedoeld in de artikelen 183 en 185 ten aanzien van de magistraten die een voltijdse opdracht uitoefenen in de steundienst;
12°de directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring ten aanzien van de magistraten die werden aangewezen om een functie uit te oefenen in het Centraal Orgaan;
13°de magistraat die de korpschef vervangt overeenkomstig artikel 319.
De minister van Justitie kent het verlof toe van de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, van de hoven van beroep, van de arbeidshoven en van de procureurs-generaal bij die hoven.
De bepalingen van het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op de verloven bedoeld in afdeling IV, afdeling V, afdeling VI, afdeling VII en afdeling VIII.
§ 2.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1°werkdagen: de dagen waarop de magistraat verplicht beschikbaar is voor de dienst. Voor de toepassing van de artikelen 331/35, 331/39, derde lid en 331/42, § 1, eerste lid en § 3, eerste en tweede lid, zijn dit alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen bedoeld in artikel 331/10, eerste en tweede lid;
2°dienstvrijstelling: de toestemming verleend aan de magistraat door zijn korpschef om afwezig te zijn voor een bepaalde duur met behoud van al zijn rechten;
3°langdurige pleegzorg: pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies, § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
4°kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
5°pleegkind: het kind waarvoor de magistraat of zijn/haar echtgeno(o)t(e) in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
6°pleegouder: de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
7°de meeouder: de vader of de persoon getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel, op dezelfde woonplaats.
§ 3.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt gelijkgesteld met:
1°het huwelijk, het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of gelijk geslacht die samenleven als koppel;
2°de echtgenoot of echtgenote van de magistraat, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie de magistraat samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats.